Bijna legitiem

Met een Franse vriend van legitimistischen huizen had ik enige tijd geleden een vriendschappelijk twistgesprek. Zijns inziens was elk legitimiteitsdenken per definitie monarchaal van instelling. Ik probeerde hem van het tegendeel te overtuigen, onder meer aan de hand van het fenomeen van het Ierse republikeinse legitimisme, ook legitimatisme genoemd. Hij klonk niet overtuigd, ook al was hij niet thuis in het fenomeen. Ik ook niet, maar nu ik me wat beter heb geïnformeerd, moet ik erkennen dat hij meer gelijk had dan ik.

Wat context om te beginnen: sinds de Paasopstand van 1916 streeft de Ierse nationale beweging naar een eengemaakt en onafhankelijk Ierland, los van de Britse kroon. In de praktijk zijn de 32 graafschappen echter verdeeld in een deel dat onder Ierse soevereiniteit staat (26 graafschappen) en eentje dat deel is blijven uitmaken van het Verenigd Koninkrijk, namelijk de zes graafschappen van Noord-Ierland of Ulster. In feite heeft die scheiding bestaan sinds er sprake is van Ierse onafhankelijkheid, in rechte is ze bevestigd door het Iers-Britse verdrag van 6 december 1921. Waar de Dàil, het Ierse parlement, tot die datum de soevereiniteit opeiste over alle 32 graafschappen, erkent het sindsdien, zij het niet noodzakelijk van harte, het Britse gezag over de zes noordelijke graafschappen.

Dat gebeurde niet eenstemmig, verre van. De meest rechtlijnige nationalisten oordeelden toen en oordelen nu dat een parlement dat de Ierse deling had aanvaard, niet langer het recht had om namens Ierland te spreken en erkenden enkel het laatste parlement dat voorafging aan het verdrag, de zogenaamde tweede Dàil. De leden van dat parlement bleven ook op gezette tijdstippen vergaderen en stemden moties en wetgeving die weliswaar niet kon worden afgedwongen, maar minstens enig moreel gezag genoten.

Sterker nog: wie de legitimiteit van de nieuwe volksvertegenwoordiging afwees, onthield zich niet van deelname aan verkiezingen, maar kondigde vooraf glashelder aan een eventueel mandaat niet te zullen opnemen, maar zich te beschouwen als een lid van de tweede Dàil, die zo op gezette tijden werd aangevuld met even verkozen als machteloze leden.

Een vergadering van de tweede Dàil

Een en ander belette echter niet dat in 1938 de draagkracht van het schaduwparlement dermate beperkt was geworden dat de overgebleven leden besloten hun macht over te dragen aan het commando van het Iers Republikeins Leger. Deze beslissing was duidelijk geïnspireerd door de tijdsgeest: haar geestelijke vader, graaf George Plunkett, verantwoordde ze met een uitdrukkelijke verwijzing naar de opkomende militaire dictaturen in het Europa van die dagen.

Zowel terminologisch als stijlgewijs kan men enige gelijkenis met het legitimisme niet ontkennen. Waar de Ierse jacobieten hun hoop stelden in de “ri dilis” (de wettige koning) , hoopten de republikeinse legitimatisten op een “Dàil dilis” (een wettig parlement). De manier waarop werd omgegaan met onthouding bij verkiezingen kan enig panache niet worden ontzegd. Hoe legitimisme kan verzoend worden met het overdragen van macht op basis van een loutere wilsdaad, blijft me echter een raadsel. Allicht had Plunkett het bij het rechte eind als hij naar de tijdsgeest verwees en die is zelden een goede raadgever.

George Plunkett

Het legitieme schoteltje

Al te gemakkelijk identificeren we het denken in termen van legitimiteit met het Avondland, vergetende dat er haast geen continent of zelfs land is zonder verhalen over heersers die door list of geweld van hun rechtmatige plaats verdrongen werden. Die verhalen vonden hun weg naar de literatuur en de mythologie, maar hebben vaak ook een strikt feitelijke achtergrond, in het verdere of minder verre verleden. Zo kent de Iraanse diaspora vandaag een boeiend denken over de monarchie als antwoord op de karikatuur van de theocratie die nu in Teheran heerst.

Langer geleden gaf de opvolging van de Mingdynastie door de noordelijke Quings in 1644 en daarna aanleiding tot de meest uiteenlopende uitingen van loyalisme. Tot 1662 heersten Ming-keizers over een deel van zuidelijk China en tot 1683 waren er kleine verzetshaarden. Piraten maakten de zeeën onveilig in naam van de afgezette keizers, maar vooral kozen vele aanhangers van de legitieme dynastie voor een binnen- of buitenlands exil, waarbij in het eerste geval de beoefening van de meest verfijnde traditionele kunstvormen gold als een impliciete verwerping van de grover besnaarde nieuwe heersers.

Batavia in 1681

Wie voor het buitenland koos, kon vele richtingen uit. Vietnam was een populaire bestemming, maar ook in Batavia verzeilden nogal wat Ming-loyalisten, die er meer uit nood dan uit talent kozen voor een bezigheid in de handel. De nieuw aangekomenen betekenden ook een welkome versterking van de al met al nog zwakke aanwezigheid van de Compagnie op Java. Daarenboven gaven de contacten met de Zheng-familie perspectieven op een hernieuwde bezetting van Taiwan in het belang van de VOC. De relaties met de Zhengs waren echter onvoorspelbaar en liepen niet noodzakelijk samen met de agenda van de Compagnie.

Later werd de Chinese bevolking in Indië aangevuld met andere groepen, die vooral op de plantages actief werden. De aanzet voor de grote toename van de Chinese bevolking op Java was echter gegeven door wie ervan overtuigd was dat het vaderland niet daar kon zijn, waar het onrecht heerste.

Misschien moeten we daar wat meer aan denken als onze blik valt op het Ming-schoteltje dat onze grootouders zo koesterden.

Een voorbeeld van Ming-porselein

Domine, salvum fac regem!

In de wetenschappelijke literatuur zijn er soms opmerkelijke lacunes, en dat geldt voor zowat elke discipline. Op zich zouden die al het voorwerp kunnen zijn van grondig onderzoek. Waarom, bijvoorbeeld, is er nooit grondig aandacht besteed aan een tekst die in de geschiedenis van zowel de liturgie als de muziek zoveel invloed had als het aan Psalm 19 ontleende gebed “Domine, salvum fac Regem nostrum NN, et exaudi nos in die qua invocaverimus Te!” 

De tijden toen rellen uitbraken wanneer een priester ervan werd beschuldigd dat hij het gebed niet had gezongen na de Hoogmis, omdat hij twijfels had bij de legitimiteit van een of andere door de straat gekroonde vorst, liggen ver achter ons. Het wordt amper nog gezongen, en Hoogmissen zijn ook al een zeldzaamheid. En toch.

Het Domine als gebed op de zijkant van een muntstuk uit de tijd van Lodewijk XVIII

Het is mooi om zien dat althans een deel van de wetenschappelijke lacune over het Domine nu opgevuld is. Peter Bennet heeft een verleden als uitvoerend musicus in de authentieke praktijk en maakte niet zo heel lang geleden de overstap naar de wetenschappelijke studie van die praktijk. Eind vorig jaar verscheen zijn Music and Power at the Court of Louis XIII. Sounding the Liturgy in Early Modern France (Cambridge UP).  Zoals de titel duidelijk maakt, is dit geen finale studie over het functioneren van het Domine, maar wel een bundel artikelen over de interactie tussen muziek en macht in het Frankrijk van de vroege zeventiende eeuw. Waarom Dietrich Buxtehude ooit een Domine componeerde, leert u er dus niet, en evenmin hoe in de omgeving van de Zonnekoning en zijn opvolgers werd omgegaan met het gebed. Maar misschien is het Domine wel de rode draad door het boek van Bennet.

Als we iets leren uit zijn studie, is het dat het Domine, salvum fac regem is wat het zegt te zijn: geen triomfalisme van de burgerlijke overheid, geen inbraak van de vorst in het Huis van God, maar een smeekgebed van het vrome volk om degene te bewaren, die de vrede kan waarborgen. Dat verklaart ook (althans naar mijn aanvoelen) dat zoveel toonzettingen van het Domine in kleine terts zijn geschreven: geen jubelzang, maar een uiting van angst en bezorgdheid om een medegelovige met bijzondere verantwoordelijkheden. Dat verklaart ook dat het gebed zijn vaste plaats in de liturgie wist te verwerven aan het einde van de godsdienstoorlogen, toen twee opeenvolgende koningen van Frankrijk door sluipmoord waren omgekomen en hun jonge opvolger de speelbal dreigde te worden van tegengestelde krachten.

Als je de zaken zo bekijkt, is het nu wel bij uitstek het moment om het Domine in ere te herstellen. Als gebed voor vrede. Als gebed voor een burgerlijke overheid die wijsheid en bekering behoeft. Als gebed voor een mens. En als we het zingen, mag dat gerust in de versie van Nicolas Formé (https://www.youtube.com/watch?v=hex11xa28yc).

Domine, salvum fac Regem nostrum Gulielmum Alexandrum, et exaudi nos in die qua invocaverimus Te!

Koninklijke kapel in Versailles

Orde klaar?

Noem het gerust een jeugdtrauma. Toen het woord Nederbelg nog niet bestond, zat dit “Hollandertje” al in de basisschool van Brasschaat. Keer op keer slaagde een meisje erin te vragen of we “ritme klaar” zouden spelen. Natuurlijk weiger je dan niet – niet omdat hoffelijkheid al vroeg wordt aangeleerd, maar omdat weigeren een erkenning zou zijn van je eigen onkunde. En die was groot.

Niet alleen hadden de meisjes in de klas wel eens namen die je niet zou verwachten, zoals Lut, Helga of Trees, maar het spel bleek ook enkel te lukken als je zo’n voornaam had. Kortom, als jongentje uit het Noorden zat er maar één ding op: je verlies te nemen en de spot met min of meer gelijkmoedigheid doorstaan. Sindsdien heeft het woord “ritme” voor mij een wat onaangename bijklank. Ook dat onderscheidt me van nogal wat tijdgenoten.

Ritme, dat is immers vrijheid en blijheid, dat is bewegen op de maat van de muziek, of toch niet helemaal. Iets heel anders dan de dwang van elke dag, die men orde probeert te noemen?

Werkelijk? Als dat zo was, zou het me niet zijn gelukt in de fout te gaan tijdens het ritmespelletje. Alleen al het gegeven dat er goede en foute manieren zijn om met het ritme om te gaan, toont aan dat het wel meevalt met die vrijheid. Je volg het ritme of je volgt het niet. Hoe meewarig in dat laatste geval de blik van je omgeving is, hangt af van de omstandigheden.

Zou het niet kunnen dat het ritme een van de gestalten is waarin de orde zich toont? In een eenvoudige, maar toch subtiele vorm, zoals in Michael Haydns Coburger Marsch (een van de weinige goede dingen die de wereld aan het huis Coburg dankt). Of ook visueel, in de opvolging van lijnen en curven in de pleinen van Bath.

Misschien moeten we maar leren dat het ritme de toegankelijke vorm van de orde is. En moet ik van mijn kant wat meer oefenen op dat spelletje van vijftig jaar geleden.

Autocephalie en neojozefisme

Zoals dat gebruikelijk is geworden bij elk maatschappelijk probleem, krijgt religie ook een deel van de verantwoordelijkheid toegeschoven voor het Russisch-Oekraïense conflict. Ik was geneigd die beschuldigingen weg te wuiven als een zoveelste uiting van antireligieus affect, tot ik tot mijn eigen verbazing onaangenaam werd getroffen door een beeld van de lijdende Christus dat werd omhuld in nationale kleuren en symbolen van de aangevallen natie.

“God met ons” is een gezegde dat al veel kwaad heeft gedaan, ook al is het volkomen correct: God is immers met ons én met onze vijanden, Hij verlost de gehele mensheid.  Er is dus geen Christus van de Russen en geen Christus van de Oekraïners, net zomin als er een Moeder-Maagd van een van beide is. In de mate beide landen echter een traditie van nationale kerken kennen, dreigt die theologische waarheid te vervagen. Dat is de cruciale zwakte van de orthodoxe traditie van de autocephalie, de neiging om autonomie toe te kennen aan nationale kerken, die zo al te gemakkelijk onder de knoet van het politieke gezag verzeilen. Daartegenover staat de traditie van katholiciteit, wat gewoon een ander woord voor universaliteit is, die sinds eeuwen in Rome gestalte heeft gekregen.

Roomse trots? Discussies die niet in deze tijd horen? Was het maar zo. Uit mijn tijd in Brussel herinner ik me debatterende links-liberale professoren die pleidooien hielden voor een “Belgische islam”, een islambeleving die zou zijn afgestemd op de waarden van de smaakmakende groepen in dat land en die eigenlijk niet meer of niet minder was dan het kerkbeeld van de verlichte despoten, toegepast op een andere religie. Ook daar streefde men naar een dominantie van de politiek over de religie. De bedoeling was allicht niet vergelijkbaar met de instrumentalisering van religie in oorlogvoerende landen, de methode wel.

Gelukkig genoeg is dat riedeltje in Nederland amper doorgedrongen, maar ik mag hopen dat de eerste die het aanheft tot de orde wordt geroepen met een herinnering aan het bovenstaande. 

Martelaren van Pratulin, bid voor ons!

Vandaag ligt Pratulin in Polen, maar historisch hoort het thuis in de Galicisch-Rutheense ruimte, die mee de ruggengraat vormde van de historisch-conservatieve traditie in de Oostenrijkse dubbelmonarchie. In 1874 hadden de toevalligheden van de Poolse delingen het dorp echter in Rusland doen belanden.

Daar heerste toen een beleid van vervolging tegen al wie meende dat boven de wereldlijke vorst ook een Eeuwige Vorst stond, zeker wanneer men beleed dat die Vorst een vicaris op aarde had die in in Romeinse gevangenschap woonde. Aan die definitie voldeed de zogenaamde geünieerde Kerk van Ruthenië volkomen: het betrof en betreft een Kerk sui iuris, van Byzantijnse ritus en in eenheid met Rome.

In 1874 maakte de Russische regering handig gebruik van het ontslag van de bisschop van Chelm om een stroman op de bisschopszetel te installeren, ondanks protest uit Rome. Het protest kwam overigens niet alleen van daar: naarmate de nieuwe bisschop de banden met de Moederkerk losser maakte, lieten steeds meer gelovigen hem links liggen. De breuk was volledig toen de nieuwe bisschop raakte aan de liturgie en alle Latijns geïnspireerde elementen daarin verbood om dichter aan te sluiten bij het orthodoxe ritueel.

Zowel qua aanleiding als qua heftigheid deden de gebeurtenissen rond Chelm denken aan het schisma van de Oudgelovigen in de zeventiende eeuw. Rometrouwe gelovigen gingen nog wel ter kerke, maar bleven bidden bij de poort. Zo ook op 24 januari 1874, toen tientallen boeren naar de kerk van Pratulin trokken. Ze ontmoetten er Russische troepen, die na enkele lauwe waarschuwingen het vuur openden. Even later lagen dertien lijken in de sneeuw. Hun martelaarschap werd definitief erkend in 1996, toen de H. Paus Johannes Paulus ze zalig verklaarde.

Het monument voor de martelaren in de kerk van Pratulin

Ook wanneer niet geheel Oekraïne aansluiting wist te vinden bij de organische traditie die de Martelaren van Pratulin uit zichzelf aanvoelden, toch past zeker het westen van het land naadloos in de kern van Europa. Aansluiten bij Europa? Wat zou het, Lemberg is Europa. En voor wie dat niet beseft, volstaat een enkele blik op dit werk van Johann Georg Pinsel, die in de vroege achttiende eeuw actief was in Butschatsch.

Onder de bescherming van de Martelaren van Pratulin kan die traditie behouden blijven.

Liechtenstein aan de Maas

Hoe het vorstendom Orange tussen 1672 en 1713 eerst tersluiks en later openlijk in de Franse invloedssfeer werd gebracht, om uiteindelijk door Lodewijk XIV geheeld te worden aan de familie Bourbon-Conti, weten we uit onze vaderlandse geschiedenis. Dat dichter bij ons, aan de zuidgrens van de Nederlanden, een soortgelijk verhaal plaatsvond, is minder gekend.

Sinds mensenheugenis bevond zich in een bocht van de Maas een soeverein gebied, Arches geheten, op de grens van het Franse en het Duitse rijk. Door vererving van moederskant was het aan het begin van de zeventiende eeuw in handen gekomen van het huis Gonzaga, dat ook over Mantua heerste.

In 1608 beslist Carlo Gonzaga dan het wat vergeten gebied op te waarderen en aan de oevers van de Maas een nieuwe stad te bouwen, die naar haar stichter Charleville moet heten. De hertog heeft grootse plannen met zijn stad. Zo zou ze de zetel moeten worden van de Orde van de Christelijke Militie, ook bekend als de Orde van de Onbevlekte Ontvangenis. Deze ridderorde had tot doel de door de Turken verdrukte christelijke bevolkingen te bevrijden en de verstandhouding onder de christelijke vorsten in Europa te versterken – een onmiskenbare vingerwijzing naar de geregelde allianties van de Franse koningen met de Grote Turk.

Charleville werd al gauw een knooppunt tussen het noorden en het zuiden van Europa, een noordelijke stad naar Italiaans model met een stevige inbreng uit de Lage Landen. Niet alleen waren de voornaamste verkeerswegen vanuit de stad gericht op het noorden, ze beschikte ook over een eigen beiaard. Ze had het Liechtenstein van de Maasvallei kunnen worden – ware het niet…

Ware het niet dat de grote mogendheden het niet zo voorzien hebben op kleine vorstendommen. Het vorstendom Arches was immers na de dood van Carlo in het huis Gonzaga gebleven en volgde dus het lot van hun Mantovaanse bezittingen – inclusief de afzetting van de laatste hertog van Mantua, Ferdinand Carl, door de Rijksdag wegens zijn keuze voor het huis Bourbon in de Spaanse Successieoorlog. Lodewijk XIV, die van de nood een deugd wist te maken, annexeerde het vorstendom Arches dan maar bij Frankrijk en stelde het huis Bourbon-Condé aan als heren over het gebied – zij het onder de Franse kroon.

Minder dan een eeuw nadien maakte de Revolutie ook in Charleville een einde aan de oude orde. De laatste heer van Charleville, Louis V Joseph, achtste prins van Bourbon-Condé koos net zoals velen van zijn standgenoten voor de emigratie. Hij deed echter meer en zette de militaire traditie van zijn familie voort als bevelhebber van een emigrantenleger, dat bekend werd als het “armée de Condé.” Blijkbaar namen zijn onderdanen het hem niet kwalijk, want bij de Restauratie in 1814 gaf de bevolking van Charleville duidelijk te kennen uit te zijn op de terugkeer van de Condés als lokale heren. Haar zin kreeg ze niet: het herstel bleek maar een herstel ten halve te zijn.   

Twee wereldoorlogen maakten een eind aan nogal wat prinselijk patrimonium in Charleville. Op het hertogenplein blijft echter nog iets van de oude luister zichtbaar, al was het maar door de kenmerkende koepelarchitectuur, die teruggaat op de plannen van Carlo Gonzaga. Naar men zegt, loeit de wind soms over het plein “het had kunnen zijn”.     

De Place Ducale in Charleville

A Dieu, Flav’

In het grootwarenhuis van het contrarevolutionaire denken neemt het vak gevuld met de Maistre doorgaans meer ruimte in dat dat gevuld met de Bonald. Nochtans had Bonald met Maistre de zin voor de scherpe formule gemeen. Hij beging enkel de fout zijn formule aan het einde van een grondige analyse te plaatsen, wat ongeduldige lezers afstoot. Of ze daarmee de tegenrevolutie een dienst bewijzen, durf ik te betwijfelen – en dat is geen verwijt aan de Maistre.

Ook daarom koesterde ik het in september verschenen proefschrift dat de jonge Franse historicus Flavien Bertran de Balanda aan Bonald had gewijd. Bertrans eerdere publicaties deden naar meer verlangen en een kleine polemiek waarin hem een gebrek aan respect voor een overigens respectabele priesterbroederschap werd verweten, maakte duidelijk dat de auteur het zichzelf niet makkelijk had gemaakt. Het was een boek dat ik bewust bewaarde voor een rustig moment, om het de aandacht te geven die het verdiende.

Het boek ligt nog steeds bovenaan de stapel, maar kreeg overnacht een andere kleur. Op 19 januari overleed plots zijn auteur, amper 42 jaar oud. De vele plannen die de combinatie van zijn talent en temperament deden verwachten, zullen onvervuld blijven. Ik heb het er niet moeilijk mee te erkennen dat het overlijden van iemand die ik nooit heb ontmoet me zelden zo raakte.

Met Bertran de Balanda verlaat niet enkel een erudiet, maar ook een kleurrijk figuur het oude koninkrijk van Sint-Lodewijk. Onder de artiestennaam Flav’ was hij de bezieler van de punk-rock groep Paris Violence, die hij met stem, klavier en gitaar hoorbaar maakte. Hun laatste plaatje heette “Age de glace”, maar in 2009 maakten ze dit in memoriam – dat ik u uitnodig te beluisteren in herinnering aan een bijzonder mens https://www.youtube.com/watch?v=-N5hRTJPXlo

Prins en priester

Neen, dit stukje gaat niet over de legendarische Pape Jan, de christelijke vorst die zou hebben geheerst derwaarts de moslimrijken op de oevers van de Middellandse Zee. Dat houden we voor een volgende keer. We willen het wel hebben over een boek en wel eentje dat niet enkel boeiend, maar ook mooi is en  – hoe kon het ook anders – vanuit Oostenrijk op onze weg kwam.

De manier waarop de katholieke studentenverenigingen daar bepalend zijn voor het behoud van een elitaire en conservatieve subcultuur, is indrukwekkend en bij ons weten zonder gelijke. Een aantal van die sociëteiten zijn aloud, maar ook vandaag komen er nieuwe loten aan de oude boom. Een ervan is de Katholische Akademische Verbindung Sanctottensis, opgericht bij de theologische hogeschool “Benedikt XVI”, verbonden aan de traditierijke cisterciënzerabdij van Heiligenkreuz in het Wienerwald.

Sanctottensis ontstond in 2011 en vierde vorig jaar dus een tweede lustrum. Bij die gelegenheid verscheen een heus liber amicorum met zeventien bijdragen.

Daar een keuze uit maken, dwingt tot onrechtvaardigheden. Natuurlijk is de verleiding groot om aandacht te besteden aan de altijd uitdagende cisterciënzer Edmund von Waldstein, een van de weinige niet-Engelstalige specialisten van de integralistische denkrichting. Ook het stuk van Dieter-Anton Binder, dat onderzoekt hoe de Oostenrijkse identiteit na de ondergang van de Dubbelmonarchie wortels vond in het denken van de tegenmoderniteit.  

Dan doen we dus niet, want Peter Wiesfleckers stuk “Prinz und Priester” over geestelijke roepingen in Europese vorstenhuizen in de lange negentiende eeuw verdient duidelijk een bijzondere vermelding. Niet dat het zonder gebreken zou zijn, want Wiesflecker verlaat net iets te weinig de Duitstalige comfortzone, om bijvoorbeeld geestelijke roepingen bij Italiaanse heersershuizen te bespreken.

Er is echter een keerzijde aan deze bedenking, die er ook ruim tegen opweegt. Wiesflecker herinnert ons aan het bestaan van boeiende priesterfiguren die in de Lage Landen amper bekend zijn. Twee ervan waren oom en neef en stamden uit het Wettinerhuis, dat tot 1918 over het koninkrijk Saksen heerste. Dat is op zich al een opmerkelijk feit, want waar de meerderheid van de Saksische bevolking protestants was, waren de vorsten van het koninkrijk trouwe kinderen van de Moederkerk. Vanuit een privaat perspectief was het bestaan van roepingen in het vorstenhuis dus niet verbazingwekkend, maar politiek betekende elke roeping een kleine crisis. 

De oom was Max van Saksen (1870-1951), derde zoon van de toenmalige kroonprins Georg, die tussen 1902 en 1904 koning was. Max werd in 1896 tot priester gewijd en doceerde vanaf 1900 aan de universiteit van Fribourg in Zwitserland. Zijn onderzoek betrof vooral de relatie van de katholieke Kerk met de oosterse kerken, of die nu orthodox of geünieerd waren. In 1910 publiceerde hij zowaar een bijdrage over een mogelijke hereniging, die in Rome als net iets te roekeloos werd ervaren. Prins Max verloor zijn venia legendi, wat hij met gepaste nederigheid aanvaardde.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende prins Max als veldkapelaan in Vlaanderen en vanaf 1921 kon hij zijn leeropdracht weer opnemen. Toen het bruine heidendom hoogtij vierde in Duitsland, liet hij over de onverzoenbaarheid ervan met het christendom niet de minste twijfel bestaan, wat hem een  inreisverbod in zijn vaderland opleverde.

Prins Georg von Sachsen SJ

Het lot van prins Georg (1893-1943), een zoon van Max’ broer Friedrich August, die tussen 1904 en 1918 regeerde in Saksen, was op een andere manier tragisch. Georgs positie verschilde fundamenteel van die van Max, vermits hij de oudste zoon van de koning en dus de kroonprins was. Hoewel zijn priesterroeping pas de overhand nam na de uitroeping van de republiek, bleef dit een heikel punt voor vele koningstrouwe Saksen. Dat hij uiteindelijk koos voor een toetreding tot de Sociëteit van Jezus, die in die dagen een roep van strikte rechtgelovigheid had, was dat zo mogelijk nog meer. 

Vanaf 1933 was pater Georg actief in Berlijn, waar hij deel uitmaakte van de oecumenische Una Sanctagroep, naast onder meer Romano Guardini. Zijn verwerping van het nationaalsocialisme was van meet af aan duidelijk, maar zijn oppositioneel engagement werd met het jaar meer zichtbaar. Met name adviseerde hij de militaire oppositie, die in 1944 de kern zou worden van de aanslag tegen Hitler, in naam van het Geheime Duitsland.

Die aanslag zou pater Georg niet meer meemaken. Op 14 mei 1943 ging hij zwemmen, wat hij op doktersadvies geregeld deed. Terugkeren deed hij niet meer: zijn lijk werd teruggevonden in een meer nabij de Duitse hoofdstad. De autopsie leerde dat hij niet was verdronken. Had de Gestapo hem uit de weg geruimd? Velen vermoeden het, niemand kon het ooit bewijzen. Pater Georg kreeg een graf in de Hofkerk van Dresden, dat echter twee jaar na zijn dood werd geschonden door de binnentrekkende Sovjetsoldaten.  

De Wettinerpriesters zijn onvoldoende bekend in onze landen. Dank aan de Sanctottensen om ons aan hen te herinneren.

Alkuin Schachemayr en Johannes Lackner (ed.), Gesta Sanctottensis. Couleurwesen und Theologie, Münster, Aschendorff, 2021

Terug naar de keuken

Een hondstrouwe lezer uit Londen – het klinkt als het begin van een limerick, maar hij bestaat echt. Meer zelfs, een vlaag van jaloezie overviel hem toen hij op onze pagina een restaurant in Parijs afgebeeld zag. Alsof de hoofdstad van het Gemenebest niet beter is voorzien! Sterker nog, hij had goed nieuws: sinds de jongste oktober is een gastronomisch monument van het oude Londen weer open. Na een sluiting van drie en een half jaar, is de aloude Criterion, bij Picadilly Circus, weer open.

Op het gevaar af onze lezer weer een apoplexie te bezorgen, moet ik bekennen dat de Petite Chaise ongeveer tweehonderd jaar ouder is. En in alle eerlijkheid is Criterion ook niet mijn geliefkoosde plek in Londen, daarvoor is het net iets te exuberant. Geef mij maar het oer-Engelse Simpson’s in the Strand, waar ooit Douglas Jerrold samenzwoer bij een welgevuld glas claret.

Simpson’s in the Strand

En toch maakte ik me zorgen over de sluiting van de Criterion. Een restaurant dat de deuren sluit, is als een bibliotheek die vuur vat. Boeken vind je allicht nog elders, maar smaken zijn zozeer het product van omgeving en moment dat ze amper te reconstrueren zijn. In die zin heeft de kookkunst iets van muziek. Want ook al maken allerhande opnametechnieken het ons mogelijk Rachamninov zijn eigen concerti te horen uitvoeren of zelfs de stem van Alessandro Moreschi, de laatste castraat, te horen, niets kan opwegen tegen de eigenheid van een uitvoering op het podium of het doksaal. Toen het Liechtensteinmuseum in Wenen de deuren sloot, was dat een stevige stap achteruit, maar de werken die je er kon zien, zijn niet verloren. Hopelijk beseffen de nieuwe uitbaters van de Criterion dat ze niet een stel muren, maar een traditie hebben overgenomen.

Wie dat zeker beseft, is de aarts-Wener Ralf Siebenbürger, die het roekeloze idee opvatte om de kookboeken van Friedrich Hampel opnieuw uit te geven. Hampel (1868-1926) was in de dagen van de dubbelmonarchie populair als auteur van kookboeken maar was ook verbonden aan de koninklijke en keizerlijke hofkeuken. Wie herinnert zich echter dat hij zij eerste stappen in de keuken zette als kok bij de Oostenrijkse ambassade in ons eigen ‘s Gravenhage? Ga dus gerust op zoek naar Nederlandse invloeden in dit Oostenrijkse receptenboek – maar onderhoud vooral Hampels traditie.