De foute hulpprefect en de bisschop van Oranje

De Heer heeft het ons al voorgehouden: er is in de hemel meer vreugde over een enkele zondaar die zich bekeert dan over 99 rechtvaardigen. Soms is het net zo in de natuurlijke orde, wanneer de ontdekking van een edele daad van een rabauw je aangenaam verrast. Daartoe volstaat het op een warme zomermiddag de kathedraal van Onze-Lieve-Vrouw van Nazareth in Orange binnen te stappen.

Grafmonument voor Mgr du Tillet in de kathedraal van Orange

Wacht eens even: een kathedraal in Orange? Daar is toch geen bisschop? Toch wel, zij het een titulair bisschop, sinds 2013 aartsbisschop Julio Murat, de in Turkije geboren apostolische nuntius in  Kameroen en Equatoriaal Guinea. En waar een titulaire bisschop is, was ooit een ordinaris. In Orange was dat niet anders, tot de Revolutie kwam.

De laatste ordinaris van Orange was monseigneur Guillaume-Louis du Tillet, een milde en toegewijde priester, die helaas niet zo alert was voor de gevaren van zijn tijd en het onweer niet zag aankomen, tot het in volle kracht op hem neerdaalde. In zekere zin kan hij beschouwd worden als het geestelijke evenbeeld van Lodewijk XVI, wiens eerste keuze voor het bisschopsambt hij trouwens was.

Net als zijn vorst, aarzelde du Tillet na de opheffing van zijn bisdom op 15 januari 1790 om uit te wijken. Hij vertrok richting Zwitserland, maar bleef hangen in zijn geboortestreek, waar hij later werd aangehouden door de sansculotten. Hij bracht enige tijd in de gevangenis door, maar ontsnapte aan de guillotine.

Op 23 januari 1793, twee dagen na de moord op Lodewijk XVI, droeg hij een requiemmis op voor de vorst. Over zijn gevoelens van loyaliteit bestond geen twijfel.

Mgr du Tillet overleed op 22 december 1794, gebroken door het verblijf in de gevangenis. In 1815 ijverden de gelovigen van zijn bisdom voor het herstel van de zetel van Orange. Dat was ook de bedoeling van de Heilige Stoel en het Franse hof, maar niet van het parlement. Dat zette de hielen in het zand en belette de goedkeuring van het concordaat van 1817, dat het faliekante precedent van 1801 moest uitwissen. Er was zelfs al een opvolger bepaald voor Mgr du Tillet, namelijk Paul d’Astros, de rechterhand van de stormachtige en omstreden Parijse aartsbisschop kardinaal Maury. Mgr d’Astros zou uiteindelijk nooit zetelen in Orange, maar werd aartsbisschop in Toulouse, waar hij een wijs beleid voerde.

Ongetwijfeld zou Mgr du Tillet het herstel van zijn geliefde bisdom de mooiste postume eer gevonden hebben die hem te beurt kon vallen. Het mocht niet zijn. Toch werd hem niet elke eer ontzegd. In zijn voormalige kathedraal staat een klein maar fijn monument te zijner nagedachtenis, van de hand van de Italiaanse beeldhouwer Orsini. Het werd opgericht in 1808, op vraag en op kosten van de hulpprefect van Orange.

Een dienaar van Napoleon die een dienaar Gods laat eren? En welke dienaar dan nog! De hulpprefect in kwestie was de geboren Mechelaar Goswin de Stassart, groot vrijmetselaar voor de Grote Bouwmeester, en fout zodra hij daartoe de kans kreeg. En toch. Laat er dus vreugde zijn over het verloren schaap dat terugkeerde, weliswaar niet voorgoed maar toch voor even.     

Goswin de Stassart in prefectenuniform

De mooie maand 7ber

Een tijd geleden stond half Parijs op zijn kop. Dat is niet zo uitzonderlijk, maar de aanleiding was dat wel. Het gerucht circuleerde immers dat meerdere musea, het Louvre op kop, de Romeinse cijfers vogelvrij hadden verklaard.

Was dit een geval van Italofobie? Of een illustratie van een vermeende toegenomen arabisering van ons cijfermateriaal? Neen, opnieuw werd het tweede lid van de wapenspreuk van de ene en ondeelbare republiek ingeroepen om domme dingen te doen. Met de gelijkheid in de hand, verdwaalt men door het hele land.

Indien men de museumdirecteuren mag geloven (niet dus), zijn Romeinse cijfers stigmatiserend en geven ze sociaal minder sterke mensen een gevoel van onveiligheid in het museum. Met name – je bent Fransman of je bent het niet – voor buitenlandse bezoekers zou dit een probleem zijn. Het is immers algemeen geweten dat de kennis van de Romeinse cijfers in Frankrijk stukken hoger ligt dan bijvoorbeeld in Zwitserland, net zoals geweten is dat met name bij de buitenlandse bezoekers aan het Louvre de sociaal zwakkeren erg talrijk zijn. Tja.

Frankrijk zou Frankrijk niet zijn geweest, als de humoristen zich geen meester hadden gemaakt van het verhaal. Een oude sketch, waarin de sansculotten de dood eisten van “Louis croix-vé-bâton” en niet van de zestiende van die naam, werd van tussen de mottenballen gehaald. Verontwaardigd bevestigden de directeurs dat ze fout begrepen waren en dat de Franse koningen nog steeds met Romeinse cijfers zouden worden geteld. Zolang ze Lodewijk XIX, Henri V en Lodewijk XX niet vergeten, is dat goed.

In een aanval van recalcitrantie viel me een ideetje binnen. Als we nu eens andere gedateerde schrijfwijzen in ere zouden herstellen? En beginnen met de namen van de maanden? Tot niet zo heel lang geleden was het gebruikelijk nauwer aan te sluiten bij de Romeinse telling en september, de historisch zevende maand, af te korten als 7ber, oktober als 8ber, november als 9ber en december als 10ber. Beginnen we ermee?

Het is enkel wachten op een museumdirecteur die zich streng uitlaat over deze wanpraktijken en eraan herinnert dat deze schrijfwijze tot verwarring kan leiden, zeker bij niet-Fransen.    

Een duivels steen in Gent

Terugkerend uit de Provence, waarover later meer, drong een stel vrienden aan dat ik me niet meteen naar het IJ zou spoeden, maar enkele dagen in Gent zou logeren. Ik was te laat om het verjaardagspartijtje voor de daar gestandbeelde koning Willem I bij te wonen, maar als ik mijn Gentse vrienden mag geloven, miste ik daar niet zo heel veel aan.

Van een bezoek aan het beeld hebben ze me niet kunnen weerhouden. Willem staart er naar de oude textielfabrieken aan de Reep, deels zijn werk, deels dat van dappere kooplieden uit Noord en Zuid. Of zijn geest er ook nog leeft? Ik weet het niet, er wordt zoveel verkocht als die geest, dat er niets mee te maken heeft. Maar dat zijn zorgen voor later.

We gingen een stukje eten bij een ander standbeeld, dat van Lieven Bauwens. In het water spiegelde zich het Geeraard de Duivelsteen, geen vergaderoord van satanisten, maar een middeleeuwse stadsburcht die tot voor kort dienst deed als plaatselijke poot van het Belgische staatsarchief. Het wordt nu verbouwd tot enkele flats en evenementenruimten.

Dat was duidelijk niet naar de zin van mijn linkerbuurvrouw (geen deel van ons gezelschap, maakt u zich geen zorgen), die in staccato-toon en hoorbaar voor het hele restaurant duidelijk maakte dat zij een dergelijke privatisering van de openbare ruimte als een groter kwaad beschouwde dan de Apocalyps (waarin ze allicht niet geloofde). Opnieuw werd publieke ruimte opgeofferd aan de dubieuze verlangens van gefortuneerde individuen, moest de menigte wijken voor de mammon. Waar was de rebelse traditie van Gent  naartoe?

Mijn gastvrouw, zelf mediëviste, bezorgde me een moment dat trots en verlegenheid deed afwisselen. Eerst vroeg ze onze buurvrouw of ze wist wat de historische achtergrond van het “steen” was. Precies, de woning van een gefortuneerde persoon. Vervolgens legde ze, met pijnlijke precisie, uit hoe de opeenvolgende publieke gebruiken, onder meer  als wapenopslagplaats, brandweerkazerne en krankzinnigengesticht, schade hadden berokkend aan het gebouw.

De slotvraag zou mensen met meer eergevoel naar de uitgang hebben begeleid. Poeslief vroeg mijn gastvrouw of de trotse spreekster wel eens in het steen was geweest, toen het nog archief was. Niet dus.

Ach, het is een anekdote. Maar ze leert ons hoe diep de overtuiging post heeft gevat dat overheidszorg voor erfgoed slechts mogelijk is door overheidsbezit en overheidsgebruik. Terwijl de ervaring leert dat het net omgekeerd is. Hoeveel plattelandskasteeltjes zijn door gemeenten verworven en gebruikt als administratief centrum, tot ze compleet waren uitgeleefd? Hoeveel ontwijde kerken gaan datzelfde lot tegemoet, als cultuurtempel of sociaal centrum? Laat erfgoed erfgoed zijn. Laat het zichzelf zijn, ook als dat botst met onze verlangens en vanzelfsprekendheden. Of beter: zeker dan. Enkel dan kan het erfgoed ons uitdagen, zo duivels zijn als Geeraard.

Ik denk dat ik spoedig nog eens naar Gent trek.

“Ich bin kein Linker, war es nie.” – Fritz Heymanns standvastigheid

Er waren nogal wat lieden waar Fritz Heymann een grondige hekel aan had. Antisemieten bijvoorbeeld, onafhankelijk van de vraag of domheid of afgunst hun voornaamste drijfveer was. Maar ook aan een aantal van zijn Joodse religiegenoten, die zich volgens hem wentelden in een slachtofferrol. Voor hun opvoeding schreef hij zijn verhalenbundel “Der Chevalier von Geldern”, waarin hij levensgeschiedenissen van Joodse avonturiers voor het voetlicht bracht. De titel van het boek ontleende hij aan een ver familielid, die in de late achttiende eeuw in Europa en het Nabije Oosten opzien baarde en bevriend was met onder meer Casanova.

Eerlijk gezegd verdiende Heymann ook een plaats in zijn eigen bundel. Geboren in 1897 in een koopmansfamilie in het Rijnland, meldde hij zich bij het begin van de Eerste Wereldoorlog als vrijwilliger. Hij raakte in krijgsgevangenschap, maar wist te ontsnappen door het uniform van een bewaker aan te trekken, wat hem een doodsvonnis van een Brits krijgsgerecht en een ontvangst bij de Keizer opleverde. Na afloop van de oorlog nam hij, net als Ernst Kantorowicz, opnieuw dienst. Niet in het reguliere leger, maar in een vrijkorps dat in Berlijn en Saksen gewapende communistenbenden bestreed. Dat hij daar moest vechten aan de zijde van völkische proleten, inspireerde hem later tot cynische portretten van die rekels. Maar van kant wisselen was aan Heymann niet besteed: kort voor zijn dood schreef hij een vriend “Ich bin kein Linker, war es nie.”

Terug in het burgerleven werkte Heymann zijn letteren- en rechtenstudies af om vervolgens zijn weg te zoeken in de journalistiek. Aanvankelijk was hij de rechterhand van Siegfried Thalheimer, de persondernemer uit Düsseldorf die de burgerlijke stem liet horen in het debat. Toen de nationaalsocialisten de krant onteigenden onder de titel van “arisering”, vertrokken uitgever en redacteur naar het nog autonome Saarland, waar ze hun strijd tegen de nazi’s voortzetten. Toen ook daar het bruine monster almachtig werd, vertrok Heymann naar Amsterdam, waar hij vertaalwerk deed en zijn verhalen schreef. Zijn bejaarde moeder vestigde zich spoedig bij hem.

Toen ook Nederland bezet werd, lukte het Heymann tot tweemaal toe zijn moeder voor deportatie te behoeden door te herinneren aan zijn frontverdiensten. Enkel door hem mee te deporteren, zou men haar kunnen meenemen, blafte hij de cerberussen toe. De derde maal werd hij op zijn woord genomen en werden beiden op transport gesteld naar Theresienstadt.

Haast bij wonder overleefde Heymanns bejaarde moeder haar verblijf in dat gruwelijke oord. Na de oorlog keerde ze even terug naar Amsterdam om uiteindelijk bij haar jongere zoon in Argentinië te gaan wonen. Fritz Heymann keerde niet terug. Op een onbekende datum werd hij naar Auschwitz overgebracht, om er vermoord te worden.

Straks, op 28 augustus, is het 125 jaar geleden dat Fritz Heymann werd geboren. Alleen al om zijn liefde voor zijn moeder verdient hij in de herinnering te blijven, maar om zoveel meer nog. Wie vertaalt zijn “Chevalier” naar het Nederlands?

Berends en Bonald – een tribuut aan Flavien Bertran de Balanda

In de zomer van 1810 kwam er een einde aan het Koninkrijk Holland. De Noordelijke Nederlanden werden ingelijfd bij Napoleons uitdijende Keizerrijk, dat elke dag wat meer een reus op lemen voeten bleek te zijn. Amper een maand voordien was uit het Paleis op de Dam een merkwaardige brief vertrokken naar de aloude Franse provincie van de Rouergue, of preciezer: naar het kasteel van Monna bij Millau. Daar resideerde, in een soort binnenlandse ballingschap, de filosoof Louis de Bonald, die vooral naam had gemaakt met zijn Théorie du pouvoir politique et religieux uit 1796, een omvattende weerlegging van de nefaste zotternijen van de revolutie.

De brief was om vele redenen merkwaardig. Om zijn toon, die haast verontschuldigend klonk, alsof de schrijver ervan een afwijzing van zijn verzoek voorspelde. En vooral om de aard van het verzoek, namelijk dat Bonald zou willen overwegen om huisleraar te worden van de oudste zoon van Lodewijk Napoleon, de vijf jaar oude prins Napoleon-Lodewijk.

De jonge Napoleon-Lodewijk. Hadden de lessen van Bonald hem een ellendige dood in Forli kunnen besparen?

Een mens gaat mijmeren hoe de geschiedenis anders had kunnen lopen. Bonald weigerde inderdaad – diensten verlenen aan de Bonapartes is immers iets wat een fatsoenlijk mens niet doet. Maar zelfs als hij van zijn hart een steen had gemaakt, zou dat weinig hebben uitgemaakt: de jonge prins werd op 1 juli tot Koning van Holland uitgeroepen, maar zijn rijk eindigde al op de dertiende van diezelfde maand. Het is overigens niet goed met hem gegaan, want in 1831 overleed hij in Forli aan roodvonk, terwijl hij op de vlucht was voor pauselijke en Oostenrijkse troepen die zijn armzalig legertje van carbonari alle hoeken van de Romagna lieten zien. Zijn jongere broer Karel Lodewijk Napoleon zweerde hem te wreken – en richtte uiteindelijk het tweede Franse keizerrijk op, een operette van Offenbach die werkelijkheid was geworden.

Stel je voor dat Lodewijks zonen de kans hadden gekregen de lessen van Bonald niet alleen te volgen, maar ook te begrijpen. Wat voor ellende had dat Europa kunnen besparen.

Maar ook: welke contacten had Bonald dan tussen Maas en Rijn kunnen leggen. Je kan slechts dromen van de gesprekken die hij met Bilderdijk zou hebben gevoerd. En van de dynamiek die een contrarevolutie voor de Lage Landen in een vroeg stadium zou hebben gekregen.

Niet dat Bonald onbekend was in onze streken. De bizarre graaf de Robiano uit Borsbeek slaagde erin hem te doen muteren tot een heraut van de Belgische Muiterij van 1830 (die Bonald zelf, het moet erkend worden, vooral zag als een aanleiding om zijn land gebiedsuitbreiding te bezorgen). In het Noorden was er enige invloed op Groen van Prinsterer, die toch net iets te hervormd was om Bonald helemaal te recipiëren. Katholieken, zoals de Haagse advocaat en dichter Johannes Leesberg, de Maastrichtse priester en natuurrechtsdenker Pierre Marres en ook Cornelis Broere, hoofdredacteur van De Katholiek, beschouwden Bonald als hun leermeester.

Cornelis Broere, priester, schrijver, schilder en Bonaldiaan

De voornaamste Nederlandse Bonaldiaan was echter Berend Berends, van huis uit protestant en in 1818 in Groningen tot meester in de rechten gepromoveerd. Enkele jaren later keerde hij terug tot de Moederkerk, die hij diende met het vertalen van werken uit het Frans, onder meer van Bossuet, maar zo mogelijk nog meer van Bonald. Opmerkelijk is dat Berends, die toch niet terugschrok voor uitgebreid vertaalwerk, van Bonald vooral gelegenheidswerken in het Nederlands overzette, zoals zijn polemiek met de neogallicaan Montlosier. Waarom? Bij mijn weten vond niemand het de moeite dit na te gaan.

En dat alles bedacht ik tussen het lezen van de fascinerende hoofdstukken van Flavien Bertran de Balanda’s schitterende Bonald-boek. Hopelijk moet deze boeiende auteur, die ons in januari verliet, geen twee eeuwen vergetelheid doorstaan. Het zou het zoveelste bewijs zijn van de menselijke dwaasheid.

Een Bonaparte? Liever een Danican

Iedereen kent wel de prent die de gevechten afbeeldt rond de Sint-Rochuskerk in Parijs op 5 oktober 1795 (of als u het echt wil: op 13 vendémiaire van het jaar 4). Meestal hebben we ze ontdekt terwijl we bladerden in een boek over Napoleon en illustreerde ze zijn heldendaden bij het neerslaan van een royalistische opstand van die dag.

Wie meer wil weten over de opstand in kwestie, heeft een stevige dosis moed en uithoudingsvermogen nodig. Er valt amper wat te lezen over de gebeurtenissen van toen, laat staan over hun aanleidingen. Van Bonapartes tegenstrever, de voormalige revolutionaire generaal Louis Thévenet, bekend als “le général Danican” schreef niemand de biografie.

Generaal Danican, geboren Louis Thévenet

Gelukkig genoeg schreef hij zelf wel wat boeken bij elkaar. Een groot stilist ging aan hem niet verloren: zijn werken ontbreekt het met name aan structuur, waardoor eigen herinneringen, lang uitgesponnen waarschuwingen en anekdotes elkaar zonder al te veel logica opvolgen. Maakt ze dat betekenisloos? Hoegenaamd niet, het blijven immers getuigenissen uit de eerste hand, die dan nog uitgaan van iemand die geen talent had voor verbloemen.

Thévenet diende voor de revolutie in de compagnie “gendarmes de la Reine”, een deel van zogenaamde kleine gendarmerie, die voor de veiligheid van Marie-Antoinette instond. Toen die eenheid werd ontbonden, ging hij over naar de Nationale Garde van Parijs, die hij vervolgens verliet voor het reguliere leger. Dat bracht hem in de Vendée, waar hij weigerde mee te werken aan de georganiseerde volkenmoord die de revolutionaire generaals daar ten beste gaven.

Dat werd hem natuurlijk niet in dank afgenomen, zodat hij eerst werd opgesloten, daarna in “eer” werd hersteld en uiteindelijk zelf ontslag nam. Als de Conventie kort nadien besliste de kieswetgeving te wijzigen om te vermijden dat het werkelijke land een programma van “le Roi, le Pain et la Paix” zou realiseren, was hij de geknipte man om de leiding te nemen van de Parijse wijkschutterijen die in opstand komen. Hij hadmilitaire ervaring, kende de revolutionairen maar al te goed en kende ze zelfs zo goed dat hij er niets meer mee te maken wilde hebben. Volgens Danican heeft de republiek maar twee dingen kunnen produceren: assignaten en lijken.

Het valt op dat Bonaparte amper voorkomt in Danicans relaas van die dagen, behalve dan met een sneer die wijst op het verschil in fysieke moed tussen hem en Charlotte Corday. Zou het kunnen dat de rol van de Corsicaan toch wat beperkter was dan de mythologie ons nu wil leren? Danican vermeldt wel Jourdan, die in de Zuidelijke Nederlanden drie jaar later de opstandige boeren zou verslaan, en die hij zonder omwegen een terrorist noemt. Ook Brune, de overwinnaar bij Castricum, krijgt een vermelding en niet bepaald in positieve zin.   

Wat er ook van zij, Danican moet het hoofd buigen voor de overmacht. In tegenstelling tot zijn kompaan Lafond de Soulée redt hij zijn leven door de vlucht: hij trekt eerst naar Zwitserland, dan naar Savoye en dan naar Engeland. Daar schrijft hij zijn pamfletten tegen de revolutie, zoals Les brigands démasqués (1796), Le fléau des tyrans et des septembriseurs (1797) en Cassandre (1798).

De Restauratie is niet zijn mooiste moment. De beginselvaste royalisten wantrouwen hem en uiteindelijk keert hij terug naar Engeland. Uiteindelijk vestigt hij zich in Itzehoe in Holstein, waar hij in 1848 overlijdt, door iedereen vergeten. Behalve door ons, natuurlijk.

Feesten in maten en gewichten

In de badplaats waar ik het grootste deel van mijn vakantie doorbreng, heeft men er niet beter op gevonden dan met ingang van 12 juli de Franse tricolore te hijsen. Want 14 juillet, mijnheer, dat is toch hét feest bij uitstek? Bal populaire, pastis, jeu de boules en accordeon, niet? Daarenboven een feest van de vrijheid, een overwinning op de dwingelandij – wie kan daar tegen zijn?

De tegenstand had inderdaad wat opvallender mogen zijn. Zelfs Fransen die maar al te goed beseffen welke snelweg naar verval werd ingeslagen op die desastreuze zomerdag in 1789, vieren tegen beter weten in het feest van hun natie. Alsof die natie het vieren waard is, alsof er geen alternatieven te bedenken zijn om te gedenken wat in Frankrijk voor groots is verricht. De gesta Dei per Francos zijn niet begonnen en gelukkig genoeg ook niet geëindigd bij de val van de Bastille.

Maar goed, het staat eenieder vrij te vieren wat men meent te moeten vieren. Op 14 juli werden niet alleen enkele kinderschenners op vrije voeten gelaten, meteen werd ook werk gemaakt van wat de revolutie als geen ander kon: moord en lijkenschennis. De provoost van de Parijse handelaars, Jacques de Flesselles, werd die dag vermoord, net zoals de Launay, bevelhebber van de Bastille. Hun hoofden werden op pieken door de stad gedragen, een beeld dat de volgende jaren nog vaker het Parijse straatbeeld zou bepalen.

Moord en lijkenschennis: iets wat anderen dan wel vieren, maar wij niet

“La Révolution est un bloc” zei Clémenceau en velen hebben hem uitdrukkelijk of stilzwijgend nagezegd. Wie de revolutie aanvaardt, moet ook de moordpartijen verdedigen. Misschien zijn ze een kwaad, maar dan toch een noodzakelijk kwaad en dus eigenlijk een goed. De romantiek van het geweld blijft het goed doen

Je kan de opeenvolgende Franse regeringen niet verwijten dat ze niet vasthoudend zijn geweest: tot vandaag wordt de dag van de moorden op Flesselles en Launay gevierd, een beetje alsof 20 augustus, dag van de moord op de gebroeders De Witt, door het Huis van Oranje naar voren zou zijn geschoven als nationale feestdag van Nederland.

Toegegeven, dan is er een gradatie in de revolutionaire wansmakelijkheid en hebben de Belgen die uitschuiver vermeden door de eedaflegging van hun eerste “koning” en dus de temming van de revolutie te vieren.

En vooral: dan mogen we blij zijn dat Nederland viert wat schuldloos is, de geboorte van een kind dat later koning zou worden. Het is goed dat onze huidige koning er uitdrukkelijk weer voor koos zijn eigen geboortedag te vieren en niet die van een van zijn voorgangers. Dat maakt de feestdag concreet en menselijk en toont aan waarover het eigenlijk gaat.

Moord versus geboorte, helderder kan het eigenlijk niet. Wij vieren pas in april volgend jaar.

Prins Claus geeft de geboorte van zijn eerstgeboren zoon aan: iets wat we wel vieren.

Vergeet de Ou Presidensie niet

Langs de zeven zeeën hebben de Lage Landen sporen nagelaten – van Spitsbergen tot de Zuidpool en van Ceylon tot de Goudkust. De Grote Drie zijn echter zonder enige twijfel de Oost, de Kaap en de West. Van die drie verdienen beide laatste een bijzondere vermelding omdat ze, elk op hun wijze, de band met de Nederlanden verankerd hebben in de taal, iets wat jammer genoeg niet of nauwelijks het geval is in het huidige Indonesië.

Taal ordent het denken en is dus een kwetsbare, maar reële garant voor onderling begrip. Er is echter meer dan taal. Soms denk ik dat het onderlinge begrip groter is tussen Zuid-Afrika en de Lage Landen dan het geval is met Suriname, ondanks het uiteengroeien van de talen waardoor er naast (Europees) Nederlands ook Afrikaans (Nederlands) bestaat. Ongetwijfeld is dat een subjectieve waardering – waarvoor echter ook objectieve aanduidingen bestaan.

Beluister dit bijvoorbeeld even: https://www.youtube.com/watch?v=16X1CzRudks

Kaapse Maleiers die degenen die menen dat er geen Prins in het land is, de wacht aanzeggen! Wie zou het hier nog durven? En dat met een tongval die vreugde verraadt.

Ook verder noordwaarts blijft het Hoge Huis een welwillende blik richten op het Afrikaanse landschap. De Oranjerivier meandert ongestoord van de Drakensbergen naar Oranjemond in Namibië, waar ze zich in de Atlantische Oceaan stort, ongestoord door de dwaasheid van degenen die haar willen ontdoen van haar eeuwenoude naam. Het land waaraan ze haar naam gaf, de Oranje Vrijstaat, heeft dat lot wel al moeten ondergaan en gaat nu door het leven als de provincie Vrystaat. Die is overigens noch een staat, noch vrij, in tegenstelling tot wat het geval was tussen 1854 en 1902.

De traditie van de Vrijstaat is in Europa al te weinig bekend. Onder de wapenspreuk “Vrijheid, Immigratie” werd gestalte gegeven aan de herinnering van de Trekboeren aan de tijd toen de Kaap nog Hollands was. De banden met het oude moederland werden gekoesterd, zelfs in die mate dat het landswapen werd opgemaakt door de Hoge Raad van Adel in ‘s-Gravenhage.

Ook hierdoor verschilde de Vrijstaat van de noordelijker gelegen Zuid-Afrikaanse Republiek, beter bekend als Transvaal. Daar domineerde een gereformeerd levensbeeld, dat herinneringen opriep aan het oude Sparta.

En geloof het of niet, in de Europese Nederlanden werd bleek de sympathie voor de goede wilde dominant en werd “Transvaal” een synoniem voor het Zuid-Afrika dat de banden met het oude moederland had bewaard. Hardnekkig religieus republicanisme kreeg de voorkeur boven het maximaal continueren van de vaderlandse tradities.

In Bloemfontein staat nog steeds de voormalige residentie van de staatshoofden van de Vrijstaat, de Ou Presidensie. Het wacht op betere tijden en op dieper inzicht, daar en hier.

Dikke hertog, Zwarte hertog, trouwe burgers

Onze Lage Landen hebben altijd iets gehad met het hertogdom Brunswijk. In het Noorden is vooral de Dikke Hertog bekend, wiens bijdrage aan het instandhouden van het  stadhouderschap tussen het overlijden van Willem IV en de meerderjarigheid van Willem V hem tot slachtoffer van een heuse zwarte legende maakte. In het Zuiden is vooral de Zwarte Hertog, Frederik Willem, bekend, die op 16 juni 1815 sneuvelde in de slag bij Quatre-Bras, nadat hij sinds 1809 met niet aflatende energie de Napoleontische heerschappij te vuur en te zwaard had bestreden. Zijn monument waakt tot op heden over het kruispunt waar hij het leven liet.

Het monument voor de Zwarte hertog bij Quatre-Bras

Wat men in onze streken minder weet, is dat het hertogdom rond de vorige eeuwwisseling een voortrekkersrol speelde in de verdediging van de traditionele monarchie tegen het model van nationale monarchie, dat door Pruisen werd uitgedragen. Dat zat zo.

Tijdens de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog van 1866 had de Pruisische overmacht een einde gemaakt aan de legitieme monarchieën in Hessen, Nassau en Hannover en aan het bestaan van de vrije stad Frankfurt. Al deze landen werden onder luid protest in binnen- en buitenland (onder meer van onze Groen van Prinsterer) aangehecht bij Pruisen. De Hannoverse koningen weigerden formeel in te stemmen met dit onrecht en handhaafden vanuit Oostenrijk hun rechten op troon en kroon.

In 1884 overleed de Brunswijkse hertog Wilhelm zonder directe nakomelingen. Volgens de familieregels was zijn opvolger Ernst August, hertog van Cumberland en de jure koning van Hannover. Het enthousiasme in het Pruisische en pro-Pruisische kamp was uitermate beperkt. Onder zware druk vanuit Berlijn stemde het plaatselijke parlement een regentschapswet, die een effectieve troonbestijging van de hertog van Cumberland belette, zolang die niet instemde met de aanhechting van zijn stamland door de Pruisische bezetters.

De reactie was indrukwekkend. De zinspreuk “Recht moet recht blijven” verzamelde aanvankelijk slechts een klein aantal kampvechters, maar ze waren van een opmerkelijke kwaliteit. De landjonker Werner von der Schulenburg en de juristen Adolf en Hermann Dedekind grepen elke gelegenheid aan om de legitimiteit te verdedigen. Hun deelname aan de verkiezingen was aanvankelijk louter symbolisch, maar op een gegeven moment waren de drie kieskringen voor de Rijksdag in het hertogdom Brunswijk bezet door vertegenwoordigers die ijverden voor een snelle afschaffing van de regentschapswet. Ook buiten het parlement voerden de legitimisten hun strijd, bijvoorbeeld door het bepleiten van een herformulering van het gebed voor de burgerlijke overheden in de Lutherse landskerk, die de gelovigen elke zondag zou herinneren aan de abnormaliteit van de bestaande situatie.

Adolf Dedekind, een trouw strijder voor de legitimiteit

Uiteindelijk werd de legitimiteit hersteld op een onverwachte wijze, namelijk door het huwelijk van de zoon van de hertog van Cumberland, ook Ernst August geheten, en Viktoria Luise, de enige dochter van Duits keizer en Pruisisch koning Wilhelm II. Net zoals Parijs een Mis waard was, verdiende Brunswijk een huwelijk dat de laatste bezwaren tegen de terugkeer van de legitieme dynastie uit de weg kon ruimen. Ernst August werd vanaf 1913 de (vooralsnog) laatste regerende hertog van Brunswijk, tot hij in 1918 door de Novemberrevolutie opnieuw in ballingschap werd gedreven.

Wie denkt dat de strijd voor de legitimiteit Frans en onsuccesvol moet zijn, doet er dus goed aan de blik naar Brunswijk te richten. Er is meer tussen hemel en aarde dan wat ooit gedroomd werd in de geschiedenis die de Whigs en hun continentale vrienden ons vertellen.      

De Niagara van het geluid

Het is inmiddels meer dan vier jaar geleden dat we op deze pagina aandacht hebben besteed aan abbé Le Blanc en zijn gedachten over de gamba (https://geheimenederlanden.com/2018/05/05/het-clavecin-speelt-door-net-als-de-gamba/). Wat we toen schreven, blijft actueel, maar verdient misschien wat verdere uitwerking.

Le Blanc zong de lof van de discrete instrumenten boven de lawaaimakers en gelijk had hij. Misschien zijn er echter nog andere manieren om nobele en wilde instrumenten van elkaar te onderscheiden.

Met de sociale status van hun gebruikers heeft dat onderscheid weinig te maken. De doedelzak (of biniou of moeselken) is zonder de minste twijfel een volksinstrument, dat niet of nauwelijks zijn weg heeft gevonden naar de geleerde muziek. Toch is hij authentiek en kan een regimentskapel van Hooglanders aansporen tot respect op een wijze die zelden gegeven is aan de continentale blaaskapellen.

Een oud-Nederlands doedelzakboek

Zet daar tegenover de accordeon, die er allicht nooit in zal slagen die stap te zetten. Het is niet zonder betekenis dat de Nederlandse nationaalsocialisten, die van niemand lessen in plebejisch gedrag te krijgen hadden, hun marsmuziek lieten begeleiden op dit instrument. Was het een poging om zich volkser voor te doen dan ze waren? Misschien, maar het zegt vooral iets over de immature en onsamenhangende esthetiek die de hunne was.

Dat soort instrumentale misgrepen was overigens geen monopolie van de twintigste eeuw. In de negentiende, die Léon Daudet niet zonder redenen als stupide omschreef, leidde de industrialisering ertoe dat een invasie plaatsvond van het land der houtblazers door een metalen instrument. Niet toevallig werd het voor het eerst vertoond op een industrietentoonstelling, namelijk die van Brussel in 1841. De uitvinder, Adolphe Sax, was weliswaar een zoon van een hofleverancier van het Huis van Oranje en een oud-student van de koningstrouwe stedelijke muziekschool van Brussel, maar dat belette hem niet om ijverig mee te stappen in de veranderende tijdsgeest. Zijn uitvinding klinkt er ook naar en het feit dat Berlioz de saxofoon “de Niagara van het geluid” noemde, hoeft niet noodzakelijk als een compliment begrepen te worden.

Vandaag lijkt er een renaissance van de saxofoon aan de gang te zijn. Of dat een goed teken is, is een andere vraag. Geef ons maar de bassethoorn. Zonder enige twijfel zou Hubert Le Blanc het met ons eens zijn geweest.

De bassethoorn staat tot de saxofoon zoals Abel tot Kaïn