Avignon 1815 – een gemiste kans

Dat de restauratie van 1815 niet altijd blijk gaf van dezelfde consistentie, is niet onbekend. Zo keerde de Serenissima, de republiek Venetië, niet terug op de Europese kaart, evenmin als het hertogdom Bouillon, om in eigen streek te blijven. De ridders van Malta behielden weliswaar een bijzonder statuut, maar kregen het gezag over hun eiland niet terug. En zelfs de Paus diende een deel van zijn patrimonium af te staan, en dan nog wel aan de verliezer van de revolutieoorlogen, Frankrijk zelf.

Bij het einde van de kruistochten tegen de Albigenzen werd het deeltje van het markizaat van Toulouse dat behoorde tot het Heilige Roomse Rijk, het zogenaamde graafschap Venaissin, toegewezen aan de Paus. Hoewel het verdrag van Meaux uit 1229 ter zake voldoende duidelijk was, duurde het tot 1271 eer de Franse koningen er uitvoering aan gaven en de Paus ook effectief het gezag over zijn bezittingen bij de Rhône overdroegen. Overigens was dat niet het einde van de Franse pogingen om het pausdom te manipuleren. Toen in 1309 Clemens V met Franse steun tot paus werd verkozen, bracht hij de zetel van de Roomse Kerk over naar Avignon. De Franse invloed werd er niet kleiner om en leidde uiteindelijk tot het Grote Schisma van 1378, waarna pausen in Rome en Avignon elkaar het gezag betwistten.

Het einde van het Grote Schisma betekende maakte geen einde aan de Franse pogingen om de Kerk onder eigen vleugels te krijgen. Geregeld werd het graafschap Venaissin bezet om druk te zetten op de Paus, bijvoorbeeld toen in 1768 Franse troepen het graafschap binnentrokken opdat haast zou worden gemaakt met de opheffing van de Sociëteit van Jezus, een eis van de gallicaanse partij. Het zou echter pas de revolutie zijn die, na een burgeroorlog tussen pro- en anti-Franse krachten in het graafschap, tot de formele annexatie besloot. In 1797 werd deze feitelijke toestand ook juridisch bevestigd, zij het onder druk: na de bezetting van midden-Italië door de legers van Bonaparte, ondertekende de Paus het verdrag van Tolentino, dat de overdracht van het graafschap aan Frankrijk erkende.

Het Pausenpaleis in Avignon

Maar ook wanneer in Rome de herinnering aan vijf eeuwen pauselijk gezag over Avignon en zijn omgeving verloren leek gegaan, was de situatie ter plaatse wezenlijk anders. Enkele jaren republikeins bewind volstonden om duidelijk te maken wat de betere optie was voor de bewoners van het graafschap. Net zoals elders in door Frankrijk bezette gebieden werden ook rond Avignon en Carpentras in de woelige periode tussen 1813 en 1814 overvallen gepleegd op lokale gezagsdragers uit naam van de werkelijke soeverein: Zijne Heiligheid. Tegelijkertijd trokken minder activistische en meer notabele delegaties naar Rome, om de Paus en zijn omgeving te verzoeken wat meer aandacht te besteden aan de voormalige onderdanen bij de Rhône – niet zonder succes.

Uiteindelijk zou de keuze van de geallieerden om Lodewijk XVIII maximaal te ondersteunen door de herstelde Bourbons geen te zware vredesvoorwaarden op te leggen ook leiden tot het mislukken van de pogingen om het pauselijk gezag in het graafschap te herstellen. Spanningen tussen koningsgezinden en pausgezinden waren er het gevolg van, die vaak de lijn volgden die in religieuze aangelegenheden gallicanen en ultramontanen scheidde.

Het momentum was voorbij om tot een echte restauratie te komen, maar de gevoeligheden bleven. Heel even dachten de aanhangers van een pauselijk herstel hun kans te zien na de Julirevolutie van 1830, wanneer een alliantie tussen beide antirevolutionaire partijen weer mogelijk leek – vergeefs. Zeker tot omstreeks 1850 bleef er een pausgezinde partij in Avignon en omstreken actief. Ze toonde een van de zwaktes van de restauratie op een pijnlijke wijze aan.

P.S. Over pijnlijk gesproken: zowat het enige artikel over deze kwestie, dat van Alain Maureau uit 1992, omschrijft de pausgezinde bewegingen als “agitation et intrigues locales”. Revolutionaire woelingen heten natuurlijk volksbewegingen, tegengestelde krachten bestaan enkel uit intriganten. Vanzelfsprekend in alle objectiviteit…

“Digne de l’atroce démence du stupide David” – Jacques-Louis Davids griezelportret van Martin Dauch

20 juni 1789 was zo’n dag waarop duidelijk bleek dat ook hooggeplaatste lieden niet immuun zijn voor massahysterie. Na enkele incidenten over de vergaderwijze van de Staten-Generaal stelde de gematigde monarchist Jean-Joseph Mounier voor, in een goedbedoelde maar slecht doordachte poging om de gemoederen te kalmeren, een plechtige eed te zweren. De afgevaardigden zouden bij elkaar blijven tot het koninkrijk van een constitutie was voorzien. Eén na één zouden ze de eed afleggen voor hun collega’s. De eed van de kaatsbaan was geboren.

Toen het  de beurt was aan Joseph Martin Dauch, afgevaardigde voor de derde stand van de Zuid-Franse kasselrij Lauragais, gebeurde iets onverwachts. Martin Dauch kwam naar voren, het leek alsof hij de eed ging afleggen – tot hij rustig verklaarde dat niet te zullen doen, vermits hij daartoe geen mandaat had gekregen van degenen die hem hadden afgevaardigd.

Aan de realiteit van die vaststelling kon niemand twijfelen, zodat de enthousiastelingen enkel over woede beschikten om hun gelijk te halen. Martin Dauch werd uitgescholden voor lafaard en verrader en aangespoord om zijn tegenstem in te trekken, of zich minstens te onthouden. Dat deed hij niet: in een helder handschrift noteerde hij naast zijn naam “opposant”.

De enige die helder had gezien: Martin Dauch, opposant (links onderdaan)

Zijn aanhoudende moed maakte de helden van de verdraagzaamheid nog agressiever. Een afgevaardigde trok zelfs een mes om Martin Dauch te doden.  Enkel de koelbloedigheid van Guillot, een bode van de assemblée die hem een achterpoortje toont langs waar hij kan ontkomen, redde het leven van Martin Dauch.

Een normaal voorzichtig mens zou nadien de omgeving van de kaatsbaan en de latere vergaderplekken van het parlement vermijden. Niet zo Martin Dauch. Na enkele weken keert hij terug naar zijn agressieve collega’s, die hij keer op keer wijst op hun inconsequenties en schendingen van de aloude constitutie van Frankrijk – die dus hoegenaamd niet moest worden opgesteld. Hij slaagt er zelfs in zijn exploot van 1789 te herhalen. Wanneer in september 1791 koning Lodewijk XVI na zijn mislukte vlucht naar Varennes terugkeert in de assemblée, beslissen de parlementsleden niet op te staan bij zijn intrede en hun hoed op te houden. Martin Dauch, die al voor hetere vuren heeft gestaan, sluit zich niet aan bij de consensus van de grofheid, staat op en neemt zijn hoed af voor de vorst.

Geen wonder dat de jacobijnen hem haten. Een van hen probeert hem thuis in Castelnaudary te vermoorden, maar heeft niet meer succes dan zijn parlementaire collega in 1789. Hij wordt tijdens het schrikbewind van Robespierre gearresteerd, maar een schrijffout van een griffier redt hem het leven: zijn naam wordt in het gevangenisregister gespeld als Martin d’Auch, en niemand weet wat die Martin uit het wat verder gelegen stadje Auch wel mispeuterd zou kunnen hebben. Martin Dauch daarentegen…

Wat heeft de schilder David echter met dat alles te maken? Veel, helaas. David was zelf een rabiaat revolutionair, die in Brussel stierf omdat hij na de Restauratie van 1815 niet meer welkom was in Frankrijk, als een van de parlementsleden die voor de moord op Lodewijk XVI had gestemd. Dat hij en Martin Dauch voor andere werelden stonden en staan, is een vanzelfsprekendheid.

Een eerlijk tegenstander was David echter niet. Op het schilderij dat de eed van de kaatsbaan moest vereeuwigen, beeldde David Martin Dauch af als een bange man, die zich schaamde voor zijn weigering de eed af te leggen – exact het omgekeerde van de werkelijkheid dus. Dat beeld heeft echter de schoolboekjes gehaald en bepaalt Martin Dauchs reputatie tot op heden.

Martin-Dauchs op Davids “Eed van de kaatsbaan” – het tegendeel van de werkelijkheid

Verbazen hoeft dat niet. Het vers in de titel komt van Marie-Joseph Chénier, die ver was meegegaan in de revolutionaire verdwazing, tot zijn broer André onder de guillotine terecht kwam. Met David organiseerde Chénier menig revolutionair feest. Hij sprak dus uit ervaring.

Neen, geef ons dan maar het getuigenis van Mounier, de initiatiefnemer van de eed van de kaatsbaan. Niet eens zo heel lang na de gebeurtenissen van juni 1789, verklaarde die dat de enige die helder had gezien, Martin Dauch was. En daar hebben wij niets aan toe te voegen.      

Deurbellenallergie

Neen, het is geen vorm van smetvrees. Mijn allergie is louter visueel, maar als ik een huis zie met een overdaad aan deurbellen, krijg ik het even moeilijk. Zeker als  het huis in kwestie enige architecturale waarde lijkt te hebben, neemt mijn angst toe dat het verdelen ervan in een massa woongelegenheden niet bevorderlijk is geweest voor het behoud van de erfgoedwaarde.

Of het nu huisjesmelkers, kleine investeerders, verhuurders van studentenkamers of goede huisvaders zijn, allemaal zijn ze in hetzelfde bedje ziek. Een pand dat een ziel heeft, wordt gevieren-, gezessen- of nog meer gedeeld omdat dat nu eenmaal meer oplevert. Het huis waarin de kleine burger is opgegroeid, wordt in stukjes getrokken om er nog kleinere luiden in onder te brengen en de eigenaar de genoegens van een plekje in het groen te bezorgen.

Hoort u hier nu echo’s van sociale revolte? Ja, maar van een andere soort dan de amper gesublimeerde jaloezie die u elke dag kan horen. Want er is een alternatief.

Vele eeuwen lang werden de statige panden in onze steden bewoond door edelen en patriciërs – maar niet alleen door deze lieden. Vaak bewoonde de familie de etages, terwijl gelijkvloers een ambachtsman of handelaar zijn beroep uitoefende. Onder het dak leefden niet enkel de dienaren van het huis, maar vaak ook armere gezinnen die enige tijd een vrije kamer bewoonden. Ook toen zal de zucht naar winst gespeeld hebben, maar er was een fundamenteel verschil.

Want de ambachtsman, de edelman en de bedelman woonden letterlijk onder het zelfde dak. Het huis in brand steken, was een domme vorm van revolte, want die raakte de drie groepen samen. Op de trappen of voor het huis ontmoetten mensen met andere achtergronden en mogelijkheden elkaar, als huisgenoten. Sociale stratificatie? Zeker. Sociale scheiding? Alles behalve.

Hier en daar vind je nog een uit de kluiten gewassen dorp of stadje waar herenhuizen en arbeidershuizen door elkaar zijn gebouwd, zelfs na de industriële revolutie. Het lijkt wel een vorm van voortzetting van die oude stedelijke gewoonten.

Vandaag heeft elke stad leuke wijken en achterstandswijken. De scheiding tussen de sociale groepen is niet enkel economisch en geografisch, maar vooral ook cultureel. Als rijken en armen nog kerken, doen ze dat op andere plekken.

Het is wachten op jonge erfgenamen die in de volle betekenis van het woord erfgenaam willen zijn en het huis van hun familie een nieuwe adem willen geven, eerder dan het te laten renderen. En als dat niet lukt, laat ze een huis in de buurt zoeken. Het zal meer betaalbaar zijn dan een huis aan de rand van het park. En met wat geluk zien we volgend jaar een nieuwe huisdeur, met slechts één deurbel.   

De foute hulpprefect en de bisschop van Oranje

De Heer heeft het ons al voorgehouden: er is in de hemel meer vreugde over een enkele zondaar die zich bekeert dan over 99 rechtvaardigen. Soms is het net zo in de natuurlijke orde, wanneer de ontdekking van een edele daad van een rabauw je aangenaam verrast. Daartoe volstaat het op een warme zomermiddag de kathedraal van Onze-Lieve-Vrouw van Nazareth in Orange binnen te stappen.

Grafmonument voor Mgr du Tillet in de kathedraal van Orange

Wacht eens even: een kathedraal in Orange? Daar is toch geen bisschop? Toch wel, zij het een titulair bisschop, sinds 2013 aartsbisschop Julio Murat, de in Turkije geboren apostolische nuntius in  Kameroen en Equatoriaal Guinea. En waar een titulaire bisschop is, was ooit een ordinaris. In Orange was dat niet anders, tot de Revolutie kwam.

De laatste ordinaris van Orange was monseigneur Guillaume-Louis du Tillet, een milde en toegewijde priester, die helaas niet zo alert was voor de gevaren van zijn tijd en het onweer niet zag aankomen, tot het in volle kracht op hem neerdaalde. In zekere zin kan hij beschouwd worden als het geestelijke evenbeeld van Lodewijk XVI, wiens eerste keuze voor het bisschopsambt hij trouwens was.

Net als zijn vorst, aarzelde du Tillet na de opheffing van zijn bisdom op 15 januari 1790 om uit te wijken. Hij vertrok richting Zwitserland, maar bleef hangen in zijn geboortestreek, waar hij later werd aangehouden door de sansculotten. Hij bracht enige tijd in de gevangenis door, maar ontsnapte aan de guillotine.

Op 23 januari 1793, twee dagen na de moord op Lodewijk XVI, droeg hij een requiemmis op voor de vorst. Over zijn gevoelens van loyaliteit bestond geen twijfel.

Mgr du Tillet overleed op 22 december 1794, gebroken door het verblijf in de gevangenis. In 1815 ijverden de gelovigen van zijn bisdom voor het herstel van de zetel van Orange. Dat was ook de bedoeling van de Heilige Stoel en het Franse hof, maar niet van het parlement. Dat zette de hielen in het zand en belette de goedkeuring van het concordaat van 1817, dat het faliekante precedent van 1801 moest uitwissen. Er was zelfs al een opvolger bepaald voor Mgr du Tillet, namelijk Paul d’Astros, de rechterhand van de stormachtige en omstreden Parijse aartsbisschop kardinaal Maury. Mgr d’Astros zou uiteindelijk nooit zetelen in Orange, maar werd aartsbisschop in Toulouse, waar hij een wijs beleid voerde.

Ongetwijfeld zou Mgr du Tillet het herstel van zijn geliefde bisdom de mooiste postume eer gevonden hebben die hem te beurt kon vallen. Het mocht niet zijn. Toch werd hem niet elke eer ontzegd. In zijn voormalige kathedraal staat een klein maar fijn monument te zijner nagedachtenis, van de hand van de Italiaanse beeldhouwer Orsini. Het werd opgericht in 1808, op vraag en op kosten van de hulpprefect van Orange.

Een dienaar van Napoleon die een dienaar Gods laat eren? En welke dienaar dan nog! De hulpprefect in kwestie was de geboren Mechelaar Goswin de Stassart, groot vrijmetselaar voor de Grote Bouwmeester, en fout zodra hij daartoe de kans kreeg. En toch. Laat er dus vreugde zijn over het verloren schaap dat terugkeerde, weliswaar niet voorgoed maar toch voor even.     

Goswin de Stassart in prefectenuniform

De mooie maand 7ber

Een tijd geleden stond half Parijs op zijn kop. Dat is niet zo uitzonderlijk, maar de aanleiding was dat wel. Het gerucht circuleerde immers dat meerdere musea, het Louvre op kop, de Romeinse cijfers vogelvrij hadden verklaard.

Was dit een geval van Italofobie? Of een illustratie van een vermeende toegenomen arabisering van ons cijfermateriaal? Neen, opnieuw werd het tweede lid van de wapenspreuk van de ene en ondeelbare republiek ingeroepen om domme dingen te doen. Met de gelijkheid in de hand, verdwaalt men door het hele land.

Indien men de museumdirecteuren mag geloven (niet dus), zijn Romeinse cijfers stigmatiserend en geven ze sociaal minder sterke mensen een gevoel van onveiligheid in het museum. Met name – je bent Fransman of je bent het niet – voor buitenlandse bezoekers zou dit een probleem zijn. Het is immers algemeen geweten dat de kennis van de Romeinse cijfers in Frankrijk stukken hoger ligt dan bijvoorbeeld in Zwitserland, net zoals geweten is dat met name bij de buitenlandse bezoekers aan het Louvre de sociaal zwakkeren erg talrijk zijn. Tja.

Frankrijk zou Frankrijk niet zijn geweest, als de humoristen zich geen meester hadden gemaakt van het verhaal. Een oude sketch, waarin de sansculotten de dood eisten van “Louis croix-vé-bâton” en niet van de zestiende van die naam, werd van tussen de mottenballen gehaald. Verontwaardigd bevestigden de directeurs dat ze fout begrepen waren en dat de Franse koningen nog steeds met Romeinse cijfers zouden worden geteld. Zolang ze Lodewijk XIX, Henri V en Lodewijk XX niet vergeten, is dat goed.

In een aanval van recalcitrantie viel me een ideetje binnen. Als we nu eens andere gedateerde schrijfwijzen in ere zouden herstellen? En beginnen met de namen van de maanden? Tot niet zo heel lang geleden was het gebruikelijk nauwer aan te sluiten bij de Romeinse telling en september, de historisch zevende maand, af te korten als 7ber, oktober als 8ber, november als 9ber en december als 10ber. Beginnen we ermee?

Het is enkel wachten op een museumdirecteur die zich streng uitlaat over deze wanpraktijken en eraan herinnert dat deze schrijfwijze tot verwarring kan leiden, zeker bij niet-Fransen.    

Een duivels steen in Gent

Terugkerend uit de Provence, waarover later meer, drong een stel vrienden aan dat ik me niet meteen naar het IJ zou spoeden, maar enkele dagen in Gent zou logeren. Ik was te laat om het verjaardagspartijtje voor de daar gestandbeelde koning Willem I bij te wonen, maar als ik mijn Gentse vrienden mag geloven, miste ik daar niet zo heel veel aan.

Van een bezoek aan het beeld hebben ze me niet kunnen weerhouden. Willem staart er naar de oude textielfabrieken aan de Reep, deels zijn werk, deels dat van dappere kooplieden uit Noord en Zuid. Of zijn geest er ook nog leeft? Ik weet het niet, er wordt zoveel verkocht als die geest, dat er niets mee te maken heeft. Maar dat zijn zorgen voor later.

We gingen een stukje eten bij een ander standbeeld, dat van Lieven Bauwens. In het water spiegelde zich het Geeraard de Duivelsteen, geen vergaderoord van satanisten, maar een middeleeuwse stadsburcht die tot voor kort dienst deed als plaatselijke poot van het Belgische staatsarchief. Het wordt nu verbouwd tot enkele flats en evenementenruimten.

Dat was duidelijk niet naar de zin van mijn linkerbuurvrouw (geen deel van ons gezelschap, maakt u zich geen zorgen), die in staccato-toon en hoorbaar voor het hele restaurant duidelijk maakte dat zij een dergelijke privatisering van de openbare ruimte als een groter kwaad beschouwde dan de Apocalyps (waarin ze allicht niet geloofde). Opnieuw werd publieke ruimte opgeofferd aan de dubieuze verlangens van gefortuneerde individuen, moest de menigte wijken voor de mammon. Waar was de rebelse traditie van Gent  naartoe?

Mijn gastvrouw, zelf mediëviste, bezorgde me een moment dat trots en verlegenheid deed afwisselen. Eerst vroeg ze onze buurvrouw of ze wist wat de historische achtergrond van het “steen” was. Precies, de woning van een gefortuneerde persoon. Vervolgens legde ze, met pijnlijke precisie, uit hoe de opeenvolgende publieke gebruiken, onder meer  als wapenopslagplaats, brandweerkazerne en krankzinnigengesticht, schade hadden berokkend aan het gebouw.

De slotvraag zou mensen met meer eergevoel naar de uitgang hebben begeleid. Poeslief vroeg mijn gastvrouw of de trotse spreekster wel eens in het steen was geweest, toen het nog archief was. Niet dus.

Ach, het is een anekdote. Maar ze leert ons hoe diep de overtuiging post heeft gevat dat overheidszorg voor erfgoed slechts mogelijk is door overheidsbezit en overheidsgebruik. Terwijl de ervaring leert dat het net omgekeerd is. Hoeveel plattelandskasteeltjes zijn door gemeenten verworven en gebruikt als administratief centrum, tot ze compleet waren uitgeleefd? Hoeveel ontwijde kerken gaan datzelfde lot tegemoet, als cultuurtempel of sociaal centrum? Laat erfgoed erfgoed zijn. Laat het zichzelf zijn, ook als dat botst met onze verlangens en vanzelfsprekendheden. Of beter: zeker dan. Enkel dan kan het erfgoed ons uitdagen, zo duivels zijn als Geeraard.

Ik denk dat ik spoedig nog eens naar Gent trek.

“Ich bin kein Linker, war es nie.” – Fritz Heymanns standvastigheid

Er waren nogal wat lieden waar Fritz Heymann een grondige hekel aan had. Antisemieten bijvoorbeeld, onafhankelijk van de vraag of domheid of afgunst hun voornaamste drijfveer was. Maar ook aan een aantal van zijn Joodse religiegenoten, die zich volgens hem wentelden in een slachtofferrol. Voor hun opvoeding schreef hij zijn verhalenbundel “Der Chevalier von Geldern”, waarin hij levensgeschiedenissen van Joodse avonturiers voor het voetlicht bracht. De titel van het boek ontleende hij aan een ver familielid, die in de late achttiende eeuw in Europa en het Nabije Oosten opzien baarde en bevriend was met onder meer Casanova.

Eerlijk gezegd verdiende Heymann ook een plaats in zijn eigen bundel. Geboren in 1897 in een koopmansfamilie in het Rijnland, meldde hij zich bij het begin van de Eerste Wereldoorlog als vrijwilliger. Hij raakte in krijgsgevangenschap, maar wist te ontsnappen door het uniform van een bewaker aan te trekken, wat hem een doodsvonnis van een Brits krijgsgerecht en een ontvangst bij de Keizer opleverde. Na afloop van de oorlog nam hij, net als Ernst Kantorowicz, opnieuw dienst. Niet in het reguliere leger, maar in een vrijkorps dat in Berlijn en Saksen gewapende communistenbenden bestreed. Dat hij daar moest vechten aan de zijde van völkische proleten, inspireerde hem later tot cynische portretten van die rekels. Maar van kant wisselen was aan Heymann niet besteed: kort voor zijn dood schreef hij een vriend “Ich bin kein Linker, war es nie.”

Terug in het burgerleven werkte Heymann zijn letteren- en rechtenstudies af om vervolgens zijn weg te zoeken in de journalistiek. Aanvankelijk was hij de rechterhand van Siegfried Thalheimer, de persondernemer uit Düsseldorf die de burgerlijke stem liet horen in het debat. Toen de nationaalsocialisten de krant onteigenden onder de titel van “arisering”, vertrokken uitgever en redacteur naar het nog autonome Saarland, waar ze hun strijd tegen de nazi’s voortzetten. Toen ook daar het bruine monster almachtig werd, vertrok Heymann naar Amsterdam, waar hij vertaalwerk deed en zijn verhalen schreef. Zijn bejaarde moeder vestigde zich spoedig bij hem.

Toen ook Nederland bezet werd, lukte het Heymann tot tweemaal toe zijn moeder voor deportatie te behoeden door te herinneren aan zijn frontverdiensten. Enkel door hem mee te deporteren, zou men haar kunnen meenemen, blafte hij de cerberussen toe. De derde maal werd hij op zijn woord genomen en werden beiden op transport gesteld naar Theresienstadt.

Haast bij wonder overleefde Heymanns bejaarde moeder haar verblijf in dat gruwelijke oord. Na de oorlog keerde ze even terug naar Amsterdam om uiteindelijk bij haar jongere zoon in Argentinië te gaan wonen. Fritz Heymann keerde niet terug. Op een onbekende datum werd hij naar Auschwitz overgebracht, om er vermoord te worden.

Straks, op 28 augustus, is het 125 jaar geleden dat Fritz Heymann werd geboren. Alleen al om zijn liefde voor zijn moeder verdient hij in de herinnering te blijven, maar om zoveel meer nog. Wie vertaalt zijn “Chevalier” naar het Nederlands?

Berends en Bonald – een tribuut aan Flavien Bertran de Balanda

In de zomer van 1810 kwam er een einde aan het Koninkrijk Holland. De Noordelijke Nederlanden werden ingelijfd bij Napoleons uitdijende Keizerrijk, dat elke dag wat meer een reus op lemen voeten bleek te zijn. Amper een maand voordien was uit het Paleis op de Dam een merkwaardige brief vertrokken naar de aloude Franse provincie van de Rouergue, of preciezer: naar het kasteel van Monna bij Millau. Daar resideerde, in een soort binnenlandse ballingschap, de filosoof Louis de Bonald, die vooral naam had gemaakt met zijn Théorie du pouvoir politique et religieux uit 1796, een omvattende weerlegging van de nefaste zotternijen van de revolutie.

De brief was om vele redenen merkwaardig. Om zijn toon, die haast verontschuldigend klonk, alsof de schrijver ervan een afwijzing van zijn verzoek voorspelde. En vooral om de aard van het verzoek, namelijk dat Bonald zou willen overwegen om huisleraar te worden van de oudste zoon van Lodewijk Napoleon, de vijf jaar oude prins Napoleon-Lodewijk.

De jonge Napoleon-Lodewijk. Hadden de lessen van Bonald hem een ellendige dood in Forli kunnen besparen?

Een mens gaat mijmeren hoe de geschiedenis anders had kunnen lopen. Bonald weigerde inderdaad – diensten verlenen aan de Bonapartes is immers iets wat een fatsoenlijk mens niet doet. Maar zelfs als hij van zijn hart een steen had gemaakt, zou dat weinig hebben uitgemaakt: de jonge prins werd op 1 juli tot Koning van Holland uitgeroepen, maar zijn rijk eindigde al op de dertiende van diezelfde maand. Het is overigens niet goed met hem gegaan, want in 1831 overleed hij in Forli aan roodvonk, terwijl hij op de vlucht was voor pauselijke en Oostenrijkse troepen die zijn armzalig legertje van carbonari alle hoeken van de Romagna lieten zien. Zijn jongere broer Karel Lodewijk Napoleon zweerde hem te wreken – en richtte uiteindelijk het tweede Franse keizerrijk op, een operette van Offenbach die werkelijkheid was geworden.

Stel je voor dat Lodewijks zonen de kans hadden gekregen de lessen van Bonald niet alleen te volgen, maar ook te begrijpen. Wat voor ellende had dat Europa kunnen besparen.

Maar ook: welke contacten had Bonald dan tussen Maas en Rijn kunnen leggen. Je kan slechts dromen van de gesprekken die hij met Bilderdijk zou hebben gevoerd. En van de dynamiek die een contrarevolutie voor de Lage Landen in een vroeg stadium zou hebben gekregen.

Niet dat Bonald onbekend was in onze streken. De bizarre graaf de Robiano uit Borsbeek slaagde erin hem te doen muteren tot een heraut van de Belgische Muiterij van 1830 (die Bonald zelf, het moet erkend worden, vooral zag als een aanleiding om zijn land gebiedsuitbreiding te bezorgen). In het Noorden was er enige invloed op Groen van Prinsterer, die toch net iets te hervormd was om Bonald helemaal te recipiëren. Katholieken, zoals de Haagse advocaat en dichter Johannes Leesberg, de Maastrichtse priester en natuurrechtsdenker Pierre Marres en ook Cornelis Broere, hoofdredacteur van De Katholiek, beschouwden Bonald als hun leermeester.

Cornelis Broere, priester, schrijver, schilder en Bonaldiaan

De voornaamste Nederlandse Bonaldiaan was echter Berend Berends, van huis uit protestant en in 1818 in Groningen tot meester in de rechten gepromoveerd. Enkele jaren later keerde hij terug tot de Moederkerk, die hij diende met het vertalen van werken uit het Frans, onder meer van Bossuet, maar zo mogelijk nog meer van Bonald. Opmerkelijk is dat Berends, die toch niet terugschrok voor uitgebreid vertaalwerk, van Bonald vooral gelegenheidswerken in het Nederlands overzette, zoals zijn polemiek met de neogallicaan Montlosier. Waarom? Bij mijn weten vond niemand het de moeite dit na te gaan.

En dat alles bedacht ik tussen het lezen van de fascinerende hoofdstukken van Flavien Bertran de Balanda’s schitterende Bonald-boek. Hopelijk moet deze boeiende auteur, die ons in januari verliet, geen twee eeuwen vergetelheid doorstaan. Het zou het zoveelste bewijs zijn van de menselijke dwaasheid.

Een Bonaparte? Liever een Danican

Iedereen kent wel de prent die de gevechten afbeeldt rond de Sint-Rochuskerk in Parijs op 5 oktober 1795 (of als u het echt wil: op 13 vendémiaire van het jaar 4). Meestal hebben we ze ontdekt terwijl we bladerden in een boek over Napoleon en illustreerde ze zijn heldendaden bij het neerslaan van een royalistische opstand van die dag.

Wie meer wil weten over de opstand in kwestie, heeft een stevige dosis moed en uithoudingsvermogen nodig. Er valt amper wat te lezen over de gebeurtenissen van toen, laat staan over hun aanleidingen. Van Bonapartes tegenstrever, de voormalige revolutionaire generaal Louis Thévenet, bekend als “le général Danican” schreef niemand de biografie.

Generaal Danican, geboren Louis Thévenet

Gelukkig genoeg schreef hij zelf wel wat boeken bij elkaar. Een groot stilist ging aan hem niet verloren: zijn werken ontbreekt het met name aan structuur, waardoor eigen herinneringen, lang uitgesponnen waarschuwingen en anekdotes elkaar zonder al te veel logica opvolgen. Maakt ze dat betekenisloos? Hoegenaamd niet, het blijven immers getuigenissen uit de eerste hand, die dan nog uitgaan van iemand die geen talent had voor verbloemen.

Thévenet diende voor de revolutie in de compagnie “gendarmes de la Reine”, een deel van zogenaamde kleine gendarmerie, die voor de veiligheid van Marie-Antoinette instond. Toen die eenheid werd ontbonden, ging hij over naar de Nationale Garde van Parijs, die hij vervolgens verliet voor het reguliere leger. Dat bracht hem in de Vendée, waar hij weigerde mee te werken aan de georganiseerde volkenmoord die de revolutionaire generaals daar ten beste gaven.

Dat werd hem natuurlijk niet in dank afgenomen, zodat hij eerst werd opgesloten, daarna in “eer” werd hersteld en uiteindelijk zelf ontslag nam. Als de Conventie kort nadien besliste de kieswetgeving te wijzigen om te vermijden dat het werkelijke land een programma van “le Roi, le Pain et la Paix” zou realiseren, was hij de geknipte man om de leiding te nemen van de Parijse wijkschutterijen die in opstand komen. Hij hadmilitaire ervaring, kende de revolutionairen maar al te goed en kende ze zelfs zo goed dat hij er niets meer mee te maken wilde hebben. Volgens Danican heeft de republiek maar twee dingen kunnen produceren: assignaten en lijken.

Het valt op dat Bonaparte amper voorkomt in Danicans relaas van die dagen, behalve dan met een sneer die wijst op het verschil in fysieke moed tussen hem en Charlotte Corday. Zou het kunnen dat de rol van de Corsicaan toch wat beperkter was dan de mythologie ons nu wil leren? Danican vermeldt wel Jourdan, die in de Zuidelijke Nederlanden drie jaar later de opstandige boeren zou verslaan, en die hij zonder omwegen een terrorist noemt. Ook Brune, de overwinnaar bij Castricum, krijgt een vermelding en niet bepaald in positieve zin.   

Wat er ook van zij, Danican moet het hoofd buigen voor de overmacht. In tegenstelling tot zijn kompaan Lafond de Soulée redt hij zijn leven door de vlucht: hij trekt eerst naar Zwitserland, dan naar Savoye en dan naar Engeland. Daar schrijft hij zijn pamfletten tegen de revolutie, zoals Les brigands démasqués (1796), Le fléau des tyrans et des septembriseurs (1797) en Cassandre (1798).

De Restauratie is niet zijn mooiste moment. De beginselvaste royalisten wantrouwen hem en uiteindelijk keert hij terug naar Engeland. Uiteindelijk vestigt hij zich in Itzehoe in Holstein, waar hij in 1848 overlijdt, door iedereen vergeten. Behalve door ons, natuurlijk.

Feesten in maten en gewichten

In de badplaats waar ik het grootste deel van mijn vakantie doorbreng, heeft men er niet beter op gevonden dan met ingang van 12 juli de Franse tricolore te hijsen. Want 14 juillet, mijnheer, dat is toch hét feest bij uitstek? Bal populaire, pastis, jeu de boules en accordeon, niet? Daarenboven een feest van de vrijheid, een overwinning op de dwingelandij – wie kan daar tegen zijn?

De tegenstand had inderdaad wat opvallender mogen zijn. Zelfs Fransen die maar al te goed beseffen welke snelweg naar verval werd ingeslagen op die desastreuze zomerdag in 1789, vieren tegen beter weten in het feest van hun natie. Alsof die natie het vieren waard is, alsof er geen alternatieven te bedenken zijn om te gedenken wat in Frankrijk voor groots is verricht. De gesta Dei per Francos zijn niet begonnen en gelukkig genoeg ook niet geëindigd bij de val van de Bastille.

Maar goed, het staat eenieder vrij te vieren wat men meent te moeten vieren. Op 14 juli werden niet alleen enkele kinderschenners op vrije voeten gelaten, meteen werd ook werk gemaakt van wat de revolutie als geen ander kon: moord en lijkenschennis. De provoost van de Parijse handelaars, Jacques de Flesselles, werd die dag vermoord, net zoals de Launay, bevelhebber van de Bastille. Hun hoofden werden op pieken door de stad gedragen, een beeld dat de volgende jaren nog vaker het Parijse straatbeeld zou bepalen.

Moord en lijkenschennis: iets wat anderen dan wel vieren, maar wij niet

“La Révolution est un bloc” zei Clémenceau en velen hebben hem uitdrukkelijk of stilzwijgend nagezegd. Wie de revolutie aanvaardt, moet ook de moordpartijen verdedigen. Misschien zijn ze een kwaad, maar dan toch een noodzakelijk kwaad en dus eigenlijk een goed. De romantiek van het geweld blijft het goed doen

Je kan de opeenvolgende Franse regeringen niet verwijten dat ze niet vasthoudend zijn geweest: tot vandaag wordt de dag van de moorden op Flesselles en Launay gevierd, een beetje alsof 20 augustus, dag van de moord op de gebroeders De Witt, door het Huis van Oranje naar voren zou zijn geschoven als nationale feestdag van Nederland.

Toegegeven, dan is er een gradatie in de revolutionaire wansmakelijkheid en hebben de Belgen die uitschuiver vermeden door de eedaflegging van hun eerste “koning” en dus de temming van de revolutie te vieren.

En vooral: dan mogen we blij zijn dat Nederland viert wat schuldloos is, de geboorte van een kind dat later koning zou worden. Het is goed dat onze huidige koning er uitdrukkelijk weer voor koos zijn eigen geboortedag te vieren en niet die van een van zijn voorgangers. Dat maakt de feestdag concreet en menselijk en toont aan waarover het eigenlijk gaat.

Moord versus geboorte, helderder kan het eigenlijk niet. Wij vieren pas in april volgend jaar.

Prins Claus geeft de geboorte van zijn eerstgeboren zoon aan: iets wat we wel vieren.