Viva Francisco Nono!

Vorige week was het weer zover. Een vage kennis die nodig wat frustratie moest ventileren over de eigen opvoeding en begon over de fascinatie van de Kerk met de menselijke seksualiteit. Op zulke momenten weet je dat er je maar één ding te doen staat: zwijgen en bidden, want tegen frustratie is geen argument gewassen.

Blijkbaar werd ons gebed verhoord. Niet door het stilzwijgen van de kennis in kwestie, die bericht na bericht luidruchtiger werd, maar wel door een inzicht dat we niet zouden hebben gehad zonder hem. Gelijk had hij, althans voor een deel. Een klein deel.

Natuurlijk is de Kerk niet gefascineerd door wat in bed pleegt te gebeuren. Als ze een fascinatie heeft, is het er een voor het leven – bij zijn begin en einde en al wat ertussen ligt. Dat de seksualiteit daaraan raakt, is geen groot nieuws. Dat ze ervoor moet wijken in de prioritisering van de Kerk, staat haaks op wat dezer dagen gebruikelijk is.

Anderzijds is het zonder enige twijfel zo dat een Kerk die ervoor terugschrikt om een globale visie te verkondigen op mens en wereld de indruk wekt slechts met één ding bezig te zijn. Terwijl liberalen van alle slag het riedeltje herhalen dat het geloof iets voor de private sfeer is, geven vertegenwoordigers van dat geloof hun tegenstrevers gelijk in de feiten, door hun verhaal toe te spitsen op het private.

Je kan Zijne Heiligheid veel verwijten, maar niet dat hij zich uit het publieke domein laat verjagen. Franciscus lijkt in dat opzicht wel een beetje op Pius IX, die de indruk gaf aan te sluiten bij de tijdsgeest, maar er ten gronde mee op ramkoers lag. Als hij de moed van zijn voorganger heeft,  laat hij een nieuwe Syllabus errorum samenstellen: een exhaustieve lijst van misvattingen die wortel hebben geschoten in onze samenleving, los van de vraag of het over de private of de publieke sfeer ervan gaat. De gelijkenissen én de verschillen met de Syllabus zouden betekenisvol zijn.

De jonge Pius IX vertoonde misschien wel meer gelijkenis met Paus Franciscus dan elk van hen lief zou zijn

Vrede en vriendschap in het spoor van Guy Augé

Binnen de brede legitimistische familie zijn er onmiskenbaar een aantal stijlverschillen. Grof geschetst valt het legitimistische denken in landen als Oostenrijk en Italië samen met de historiografie van de pre-revolutionaire situatie. Politieke filosofie komt er slechts indirect aan bod. Dat is anders in landen als Spanje en Frankrijk – en in dat laatste land komt een belangrijk deel van de verdienste daarvoor toe aan de ‘Association des Amis de Guy Augé’, die onlangs haar negentiende cahier het licht deed zien.

Guy Augé (1938-1994) was een specialist in de rechtsfilosofie, die werkte in het spoor van de onvolprezen Michel Villey. Daarnaast publiceerde hij intens over rechtsgeschiedenis, met name in het licht van de vragen die bepalend zijn voor het legitimistische standpunt in Frankrijk.  Tussen 1974 en 1984 gaf hij de eerste reeks uit van het tijdschrift ‘La Légitimité’, dat nog steeds kan gelden als een vraagbaak voor wie iets wil weten over de finesses van het legitimistische gedachtegoed.  Na zijn heengaan in 1994 werd een tweede reeks opgestart, ditmaal onder de vorm van cahiers. Het eerste nummer bevatte Augés magnum opus over Les Blancs d’Espagne, dat hij kort voor zijn overlijden had gefinaliseerd.

Guy Augé (1938-1994)

Sindsdien verschijnen met enige regelmaat nieuwe cahiers, steeds thematisch opgebouwd rond onderwerpen als de familie, de oorlog, religie in de polis, de tirannie van de vooruitgang en dergelijke meer. Het vriendschappelijke aspect van de groep rond de cahiers blijkt nog steeds uit de dominante aanwezigheid in de auteursgroep van Augés collega’s uit de sfeer van de rechtsgeschiedenis, maar ook uit de mooie traditie in elk cahier een tekst van Augé opnieuw uit te geven. Tot zijn overlijden in 2019 was professor Jean-Pierre Brancourt voorzitter van de vriendenkring, waarna hij werd opgevolgd door zijn collega Franck Bouscau. Lange tijd werden de cahiers voorgesteld op een colloquium in Parijs, maar dat behoort in de gegeven omstandigheden niet meer tot de mogelijkheden.

Lezen en schrijven blijft echter perfect mogelijk, zodat net voor de jaarwissel een nieuw volume kon verschijnen, gewijd aan de vrede. Gewoontegetrouw zijn meerdere bijdragen historisch geïnspireerd. Guillaume Bernard schrijft over de pacificatie van de Vendée door Bonaparte en Franck Bouscau over de houding van de Action Française tegenover het verdrag van Versailles. Thierry Buron geeft een zoals steeds scherpzinnige analyse van het vredesconcept van de communisten voor en tijdens de Koude Oorlog. 

De meest recente uitgaven van de Amis de Guy Augé

Het gaat hier stuk voor stuk om lezenswaardige bijdragen, maar naar onze smaak zijn de twee andere hoofdartikelen dat nog meer. Isabelle Brancourt vergelijkt de huidige sanitaire situatie met de nasleep van de pestepidemie in Marseille in 1720. Dat gebeurt met wetenschappelijke ernst en staatkundige precisie, waarbij de auteur terecht opmerkt dat selectief wordt omgegaan met oorlogsjargon als het om corona gaat. Het grote verschil tussen 1720 en 2020 ligt echter in de centralistische aanpak die de Franse Republiek evenzeer als haar buurlanden kenmerkt. Of dat een verbetering is, mag worden betwijfeld.

In de kern van het thema van dit cahier staat de bijdrage van Philippe Pichot-Bravard, die het concept van de Ware Vrede analyseert in het spoor van de Heilige Augustinus. Hij herinnert eraan dat geen zinvolle visie op vrede mogelijk is, zonder een concept van rechtvaardigheid aan te houden. Dat concept kon traditioneel omschreven worden als de combinatie van de “conception ministérielle du pouvoir, la mission justicière du roi et le souci de l’amitié politique”. Tot de Revolutie bleef die trias – weliswaar niet ongeschonden – overeind, vandaag lijkt hij tot de staatkundige antiekverzamelingen te behoren. Ook dat is geen verbetering, en het siert Pichot-Bravard om een en ander zonder franje duidelijk te maken.

Het zou goed zijn dat deze cahiers ook meer bekend werden in de Lage Landen. Ze zijn voedsel voor de geest van een kwaliteit die zeldzaam is.

Meer inlichtingen: Association des Amis de Guy Augé, La Croix d’Epine, F-91170 Saint-Agnan-sur-Sarthe, asso.aaga@gmail.com

1830 op Britse wijze

Je komt ze nog geregeld tegen: de wijsneuzen die beweren de revolutie te verafschuwen, maar enkel als ze uit Frankrijk komt. Revoluties van Angelsaksische makelij vinden ze dan weer wel leuk, en dan doet het er weinig toe of het de Amerikaanse van 1776 of de Roemrijke (sic) van 1688 betreft.

Zelf erger ik graag mijn vrienden door de editie van 1688 aan te duiden als de Inglorious, in het besef dat het vaderschap van die term anderen toekomt. Als ik niet op ergernis stuit, is het toch minstens op verbazing. Vandaar een kleine toelichting.

Wie denkt dat je relativisten nodig hebt om tolerantie te doen gedijen, moet de geschiedenis van de putsch tegen koning Jacobus II maar even herlezen. Het waren precies de koninklijke initiatieven tot versterking van de tolerantie ten aanzien van Rooms-katholieken en protestantse dissenters die de weerstand van de Anglicaanse hiërarchie aanwakkerden, met de steun van vileine ideologen als John Locke. Zeven Anglicaanse bisschoppen verzetten zich openlijk tegen deze maatregelen en juichten toen een ‘protestantse wind’ Jacobus’ schoonzoon stadhouder Willem III naar de Britse eilanden bracht om zijn schoonvader te verdrijven – een dieptepunt in de morele geschiedenis van het Oranjehuis.

Nog geen jaar later waren vijf van de zeven bisschoppen al uit hun ambt verwijderd, omdat ze weigerden een eed van trouw af te leggen aan Willem en zijn echtgenote Mary. De verbreking van de legitieme troonopvolging was ook voor deze bisschoppen een stap te ver en node zagen ze in het spoor van Willem lieden terugkeren waarvan ze hadden gehoopt dat hun rijk in 1660 voorgoed voorbij was.

De zeven bisschoppen, die spoedig hadden begrepen dat de revolutie van 1688 niet bepaald glorierijk was

Inderdaad kan je de gebeurtenissen van 1688 maar helemaal begrijpen als je ze in een ruimere context plaatst. De staatsgreep van centralisten en relativisten was vooral een revanche van degenen die zich in de periode tussen 1649 en 1660 gecompromitteerd hadden met het onzalige Gemenebest en het daarop volgende en niet minder onzalige Protectoraat, de  republiek van vader en zoon Cromwell. Jacobus’ oudere broer koning Karel II was erin geslaagd een glorierijke Restauratie door te voeren, en terug te keren uit zijn Haagse ballingschap waar, o ironie, Willems vader stadhouder Willem II de Engelse de iure koning gastvrijheid had betoond.

De beste vergelijking die ik kan bedenken, is dat 1688 staat tot de dagen van Cromwell als 1830 tot die van Robespierre. Willem III en zijn trawanten waren, net als Louis-Philippe en zijn zootje, minder bloeddorstig dan hun voorgangers en konden hun revolutionaire agenda beter verbergen voor mensen die vooral hoopten met rust gelaten te worden. Net als in 1830 waren er in 1688 welgedane lieden die met een zucht van opluchting meenden dat het allemaal nog was meegevallen. Van daar naar een omschrijving als Glorious is maar een kleine stap, voor wie vertikt te kijken naar de lange termijn. Dat die revolutie vroeger ook werd omschreven als The Bloodless Revolution, is niet zonder betekenis, al is die naam wel helemaal misleidend voor wie beseft dat ze de aanleiding was voor slachtpartijen vals de veldslag bij de Boyne van 11 juli 1690.

De slag bij de Boyne, het tegendeel van bloedloos

Bespaar me dus het onderscheid tussen goede en slechte revoluties. Er zijn voldoende andere tradities om inspiratie uit te putten, zodat 1688 minstens overbodig en eigenlijk zelfs nefast is als referentie.

Elvira speelt Maistre op het klavier

Aan mijn verblijf in Brussel houd ik een aantal eigenaardigheden over. Een ervan is mijn heldere voorkeur voor de Vlaamse radio Klara boven de eigen NPO4. Er moet al iets heel ergs zijn gebeurd aleer de vrienden uit Hilversum hun luisteraars een hele compositie gunnen. Meestal moet je het stellen met een van de drie of vier bewegingen van een onbekend concerto of geliefde sonate. Neen, geef mij dan maar Klara, ook al valt het luisteren hier in Amsterdam vaak niet mee.

Soms doe je dan ontdekkingen die de radiomakers allicht ook niet hadden bedoeld. Zoals vorige week, toen Paul van Nevels Huelgas ensemble in de bloemen werd gezet omdat het vijftig jaar bestaat. Een luisteraar vertelde hoe hij tijdens een vakantie in Portugal een bejaarde pianiste had laten kennis maken met de opnames van Huelgas, en hoezeer zij onder de indruk was.

Ik kan me vergissen, maar alles weer erop dat de luisteraar kennis had gemaakt met Elvira de Freitas, geboren in 1928 en overleden in 2015. De Freitas was niet alleen pianiste, maar ook dirigente en componiste. Ze leerde het metier van haar vader, de dirigent en componist Frederico de Freitas, maar ook van Olivier Messiaen. Haar bekendste werk is de Marcha de Bairro Alto.

Elvira de Freitas (1928-2015)

Zonder al te veel toelichting vertelde de omroeper hoe de luisteraar in kwestie aan de praat raakte met de pianiste, die hem vertelde hoe na de revolutie het conservatorium van Lissabon kort en klein werd geslagen. Dat was allicht een retorische overdrijving, maar dat de Anjerrevolutie, die velen in onze streken zo hoog op hadden, een culturele ramp was, is dat niet. Er wordt wat lacherig over gedaan, maar wie herinnert zich nog dat de koningin van de fado, Amalia Rodrigues na  de gebeurtenissen van april 1974 bijzonder scheef werd bekeken door de nieuwe machthebbers en ei zo na een verbod opgelegd kreeg om nog langer op te treden?

Amalia Rodrigues (1920-1999)

We maken er ons best niet al te veel illusies over, revoluties zijn nefast voor elke vorm van beschaving. En het was niet toevallig dat Joseph de Maistre eraan herinnerde dat de contrarevolutie geen revolutie in de tegengestelde richting is, maar het tegengestelde van een revolutie. Goed dat Elvira de Freitas ons daaraan mocht herinneren. Ik blijf alvast luisteren naar Klara.

Het sprookje van het sterke werkwoord

Het heeft heel lang geduurd vooraleer ik op de basisschool hoogte kreeg van het onderscheid tussen sterke en zwakke werkwoorden. Ik haalde ze voortdurend dooreen, al zou je me niet snel hebben betrapt op een foute toepassing van de grammaticale regels. Niet de toepassing, maar de regel zelf was het probleem. In mijn kinderlijke brein was een werkwoord dat er onder alle omstandigheden in slaagde (niet sloeg, neen) om veranderingen in tijd ongeschonden te doorstaan, bijzonder sterk. In alle geval sterker dan een werkwoord dat nu eens deze en dan weer gene klank had, en meedraaide met het wijzigen van de wind.

Het heeft een kwarteeuw geduurd eer ik begreep waar mijn verwarring vandaan kwam, het heeft te maken met fundamentele keuzes.

De terminologie inzake zwakke en sterke werkwoorden is afkomstig van Jacob Grimm, taalwetenschapper en sprookjesschrijver, en de helft van de gelijknamige gebroeders. Volgens hem waren sterke werkwoorden sterk, omdat ze in staat waren “op eigen kracht” een tijdswijziging te realiseren, zonder toevoeging van een suffix. Met andere woorden: Grimm waardeerde impliciet de wijziging van het corpus van een werkwoord hoger dan de toevoeging van een hulpstuk.

Dat zegt iets over zijn vooroordelen, en ook over de mijne. Dingen “op eigen kracht” doen, lijkt me een illusie, maar daar keek de romanticus Grimm natuurlijk anders tegen aan. En mij lijkt het nu net een prestatie door de tijden heen “semper idem” te blijven, maar dat kon Grimm gestolen worden. Was hij uiteindelijk niet een van de Göttinger Sieben, en werd hij niet in 1837 het koninkrijk Hannover werd uitgestuurd als ongewenste vreemdeling, omdat hij de revolutiegrondwet van 1830 hoger waardeerde dan de terugkeer naar de overgeleverde constitutie, die door de koning werd gewenst? Een gebrek aan samenhang kan je Grimm niet verwijten.

“Sterk” en “zwak” zijn natuurlijk een conventie, maar soms is het nuttig even te graven naar de achtergrond van die conventies. Op de schop hoeven ze niet, maar onschuldig zijn ze evenmin. Ik weet het nu voorgoed: ik zal blijven worstelen met het onderscheid tussen sterke en zwakke werkwoorden.

Jacob Grimm, revolutionair (bovenaan links)

Neo? Paleo? Post?

Zegt de naam Federico Maria Sardelli u iets? Als de term uomo universale vandaag nog relevant is, past die zeker bij Sardelli. Hij is fluitist, romancier, striptekenaar, dirigent, musicoloog en componist en daarenboven voorzien van een bijzondere band met wijlen Antonio Vivaldi, zelfs in die mate dat de onvolprezen Peter Ryom hem vroeg de inventaris van de werken van Vivaldi, de Ryom-Verzeichnis, van hem over te nemen.

Maar luister vooral eens naar het werk van Sardelli, zoals je dat probleemloos op het net kan vinden. Vergis u niet, kies zijn eigen werk, geen werk van Vivaldi of een tijdgenoot dat hij dirigeert. Want vergissingen zijn niet uitgesloten: Sardelli schrijft geen neobarokke muziek, maar schrijft zoals en componist in Venetië in het eerste decennium van de achttiende eeuw zou hebben geschreven. Hij is de eerste om te erkennen dat cultuur, tijd en plaats bepalend zijn voor het muzikale idioom van een componist – en kiest vervolgens voor een idioom uit een andere tijd.

Federico Maria Sardelli

Oppervlakkige waarnemers hebben Sardelli een plagiaris genoemd, of hem zelfs satirische oogmerken toegeschreven. Niets van. Zijn composities dagen onze overspannen zucht naar originaliteit uit, en tonen de verdiensten van een corpus aan gebaren, figuren en vormen dat in zijn tijdgebondenheid merkwaardig dicht bij de universaliteit kwam. Is het toeval dat dit corpus zo nauw was verbonden met de liturgie van de universele Kerk van Rome?

Critici verwijten Sardelli een gebrek aan authenticiteit. Zou het? Kan je enkel authentiek zijn door je eigen gevoelens in je eigen woorden uit te drukken? Of is het mogelijk een authenticiteit van de herkenning na te streven, waarin je gevoelens en gedachten onderbrengt in een kader dat het product is van eeuwenlange menselijke ervaring? Sardelli gelooft blijkbaar in die mogelijkheid.

Soms is de verleiding groot om Sardelli’s werk te confronteren met dat van Hans Makart, de Weense schilder die in het spoor van Rubens en Titiaan een onmiskenbaar 19de-eeuwse stijl wist te ontwikkelen. Geen authenticiteit van de herkenning, maar veeleer een bewuste poging tot het voortzetten van een traditie. Neobarok in de meest klassieke zin van het woord dus.

Sluit het ene het andere uit? Conceptueel zonder de minste twijfel, maar in de praktijk? De dialoog tussen beide wegen kan niet anders dan vruchtbaar zijn.  

Hans Makart, Die Falknerin (1880)

De dronken toren van Glenfinnan

Toen de enigszins excentrieke Alexander MacDonald of Glenaladale op 4 januari 1815 overleed, amper 28 jaar oud, leek niets of niemand de wereldmacht van de Britse kroon onder het huis Hannover in de weg te staan. Napoleon zat (nog even) veilig opgeborgen op Elba en de tijd toen de Kaap weer Hollands was, behoorde definitief tot het verleden.

Toch zou MacDonald de Londense wereldbazen nog een stevige neus zetten, weze het symbolisch en postuum. Toen de landjonker overleed in de kamers die hij in Edinburgh huurde, liet hij niet enkel een berg schulden na, maar ook een project dat zijn voltooiing naderde.

De schulden had hij vooral opgebouwd bij zijn huisleveranciers van alcoholische dranken. Een doorsnee bestelling betrof 200 liter portwijn, twaalf dozijn flessen sherry, zes dozijn Madeira, vier dozijn Bordeauxwijn en zestien liter rumpunch. Daarnaast was ook zijn huispersoneel (inclusief een persoonlijke doedelzakspeler) ruim voorzien van onbetaalde rekeningen.

Wie hij stipt betaalde, was zijn architect – en dat was niet de minste. James Gillespie was een van de toonaangevende bouwmeesters in de overgangsperiode tussen de laatklassiek en de troubadourstijl. Hij had onder meer de kapel gebouwd die de laatste rustplaats van de graven van Mar, een notoir jacobietengeslacht, zou omringen.

Het Mar-mausoleum

Dat was de man die MacDonald nodig had. Als loot uit een familie van jacobieten wou hij een belangrijk deel van het familievermogen vastleggen in een laatste belijdenis van de trouw aan de Koningen aan de Overkant van het Water. Wat maakte het hem uit dat Henry IX Stuart, kardinaal York, de laatste afstammeling in rechte lijn van Jacobus II, in 1807 was overleden? Zijn rechten waren overgegaan op de koningen van Sardinië, die op dat moment nog niet behekst waren door hun droom van Italiaanse eenheid.

En het monument kwam er, zij het pas na het overlijden van zijn bedenker. Het staat er vandaag nog, in Glenfinnan, naast een goed bezochte katholieke kerk. Zijn originele vorm heeft het niet behouden, want vijftien jaar na de oprichting van het monument meende MacDonalds zoon Agnus dat het een uitbreiding behoefde, onder meer met het beeld van de onbekende strijder dat nu op de top van het monument staat. Opmerkelijk: de zoon verweet de overleden vader kennelijk niet het familiefortuin besteed te hebben aan een hopeloze zaak, maar zette de traditie voort.

Het zou nog meer dan een halve eeuw duren eer omstreeks 1890 er weer beweging kwam in de jacobitische zaak, en Victoria in haar oude dag stapelgek werd van de invloedrijke edelen en schrijvers die luidop hun gehechtheid aan de oude dynastie betoonden. Gelukkig voor de Hannovers was er dan de Eerste Wereldoorlog, en kon de officiële propaganda aantonen dat het onaanvaardbaar was dat een Wittelsbach, een Duitser, op de troon zou zitten in Londen. Toch boffen dat Hannover in Patagonië ligt…

Wat leert ons het monument in Glenfinnan? Dat trouw blijft leven door excentriekelingen, die voortdoen als ieder redelijk mens heeft opgegeven. En dat excentriekelingen niet noodzakelijk wind zaaien, maar ook monumenten bouwen die de eeuwen trotseren.

Het monument in Glenfinnan

De boon die het van de trias won

Allicht is het u ontgaan, maar morgen dreigt de ene en ondeelbare Franse Republiek in gevaar te komen. Traditiegetrouw wordt immers op Driekoningendag een reuzegrote taart geserveerd op het presidentiële paleis van het Elyseé. Die taart is echter geen gewone taart, verre van! In het hart van de taart ontbreekt namelijk de traditionele boon, en daar is een goede reden voor.

Indien immers iemand bij het verorberen van de taart de boon vindt, wordt hij koning voor een dag. Dat is natuurlijk onaanvaardbaar in een republiek. Daarenboven zou op die manier de gelijkheid tussen de aanwezigen in het gedrang komen, wat strijdig is met de leuze van de republiek, Liberté, égalité et fraternité (ou la mort).

Opgelet, antirepublikeins gebak!

Dat de constitutionele orde van een permanent lid van de VN-veiligheidsraad bedreigd zou worden door een simpele boon, overstijgt het gecombineerde bevattingsvermogen van de equipe van de Geheime Nederlanden. Het klinkt eerlijk gezegd belachelijk. Sterker nog, het is het.

Dat is echter geen nieuw fenomeen. De republiek is ermee begonnen straatmadelieven tot de eer der altaren te verheffen, en ze dan nog te bedenken met de naam van de godin van de Rede. De Walletjes als het meest redelijke oord van Nederland, je moet het maar bedenken.

Kortom, met die boon is niets mis, wel met de trias die ze bedreigt – al was het maar omdat het “ou” in het tweede lid van de leuze volkomen misleidend is. Meestal was de dood geen alternatief voor de revolutie, maar een logisch gevolg ervan.

Het vinden van alternatieven voor de trias van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid is echter geen sinecure gebleken. Vele contrarevolutionaire denkers hebben zich aan die oefening gewaagd, maar zelden met groot succes. Een van de beste pogingen komt van de Spaanse carlistische denker Alvaro d’Ors, die koos voor verantwoordelijkheid, legitimiteit en vaderschap.

Het borstbeeld van Alvaro d’Ors voor de universiteitsbibliotheek in Pamplona

Mogen we ook een poging doen? Tegenover vrijheid stellen we heteronomie, het feit dat we de wet vinden, en niet maken. Tegenover gelijkheid stellen we distinctie, het zich onderscheiden. En tegenover broederschap niet vaderschap, maar erfgenaamschap. Twee passieve deugden, die een actieve omringen, en niet in de weg hoeven te staan aan werkelijke vrijheid, gelijkwaardigheid of broederlijkheid. Maar allicht kan u nog betere alternatieven bedenken?

Laat in afwachting de driekoningentaart u smaken!

Gelukkige Restauratiedag!

Steeds heb ik het eigenaardig gevonden om een vijftal weken na het begin van het (kerkelijk) jaar opnieuw het begin van een jaar te vieren. Ik ben dus al enige tijd op zoek naar zinvolle alternatieven.

Al mijn sympathie voor de Heilige Paus Sylvester volstond echter niet om met hem een verhaal vol geestdrift te schrijven. Dat ging net iets beter met de heiligverklaring van Sint-Aloysius Gonzaga, maar toch.

Iets beter geschikt is de verjaardag van Bonnie Prince Charlie, Charles Eduard Stuart, of The Young Pretender. Toch denk ik vaak net iets vroeger in het jaar aan hem, als we John Francis Wades mooie neolatijnse verzen ‘Adeste fideles’ zingen en stiekem beseffen dat de ‘Rex angelorum’ die erin bezongen wordt evengoed een legitieme ‘rex Anglorum’ kan zijn (https://www.dur.ac.uk/news/newsitem/?itemno=7328)

Dit jaar is het licht gaan schijnen, en sluit ik me aan bij de vrienden uit Genève. In die stad wordt namelijk nog jaarlijkse officieel het herstel van de goede orde na de revolutietijd gevierd, met drieëntwintig saluutschoten ter ere van het Fête de la Restauration. Net in de burcht van Calvijn viert men dus de Restauratie. Mooi zo.

Voor 2020 wens ik elk van u een dergelijk herstel toe, lichamelijk of geestelijk, persoonlijk of gemeenschappelijk. Met daarbij de hoop dat ook de Lage Landen als geheel een vorm van Restauratie zullen vieren – of minstens het grote feest van Waterloodag op 18 juni in ere zullen herstellen.

Saluutschoten ter ere van de Restauratie in Genève

Scharensliep en pakjesman

Wie de zestig nadert, heeft het voorrecht maar ook het nadeel historische vergelijkingen te kunnen maken op basis van eigen ervaring. Voorrecht, omdat het vergelijkingsmateriaal voor het grijpen ligt, maar ook nadeel, omdat het gekleurd is door de mechanismen die ons geheugen sturen. En die heten verdringing, verbloeming en selectie.

Onder dat voorbehoud kan ik het niet helpen een terugkeer te zien van patronen uit mijn kindertijd. Toen werden melk, brood, soep, ijs, groenten en wat nog meer aan huis geleverd door lieden die daar hun beroep van maakten, en meestal een titel droegen die op –man of –boer eindigde. Het kon ook niet anders, niet iedereen had een auto, en alle inkopen met de fiets doen was gewoon geen optie.

De opkomst van de auto bracht daar verandering in. Dat ding bood stukken meer stapelruimte dan een fietstas, en je moest het al erg bont maken aleer hij de inkopen niet meer kon tillen. Op de website www.geschiedenisbeleven.nl vind je onder het lemma ‘twintig verdwenen beroepen in beeld’ dan ook de bakker aan huis, de melkboer en de kolenboer.

Eerlijk waar, ik heb ze nog niet teruggezien, maar de levering aan huis is wel terug van weggeweest. Grootwarenhuizen hadden al enkele jaren een gat in de markt gezien en hielpen drukbezette tweeverdieners om toch iets van de zaterdag vrij te houden, door de inkopen thuis te leveren na een online bestelling. Sinds de pandemie begon, maken bestelwagentjes van alle slag onze straat onveilig met de meest uiteenlopende leveringen, van bloemen over boeken en elektronica tot – jawel, brood.

Eén ding is veranderd. Met het product dat ze leveren, hebben de bestellers geen bijzondere band. Ze praten vaak Nederlands met een accent dat doet denken aan het oosten van het Habsburgse Rijk, of zelfs aan het Tsarenrijk. Ze dragen een mondmasker, zoals iedereen, en vinden het belangrijk afstand te houden en snel weer verder te rijden. Een praatje is er niet meteen bij.

Hoe anders was dat in mijn jonge jaren. De melkboer droeg een stofjas en een pet, en kon mijn moeder eindeloos onderhouden, en soms zelfs vervelen met zijn toelichting bij de kwaliteiten van het product hij leverde. Hij was trots op wat hij deed. De melkboer was een mijnheer, minstens in de eigen ogen.

Muzikale kwaliteiten had hij niet, anders zou hij zeker een eigen versie hebben gemaakt van het aloude liedje van de scharensliep. Dat oud-Nederlandse lied is zowel in noordelijke als in zuidelijke varianten bewaard (lees daarover http://www.benhartman.nl/volksliederen/beroepen/scharenslijper/de-scheresliep/) , maar beide hebben één ding met elkaar gemeen: na een vergelijking met allerhande beroepen die hoger aangeschreven staan, eindigt de scharenslijper zijn zang als volgt

Sa vrienden voor ‘t leste
alle ambachten zijn goed
maar ‘t mijne is toch ‘t beste
schoon ik soms slapen moet
op hooi en strooi in ene stal
dan heb ik de kost voor niemendal.

Ironie, heel zeker, maar ook een vorm van beroepstrots, zelfs voor de meest nederige onder de ambachtslieden. 

Aan het taalgebruik te merken was het overigens niet de scharenslijper zelf die zijn lot bezong, maar een vertegenwoordiger van de hogere standen. Die omschrijving horen we vandaag niet meer zo graag. Hoog en laag zijn niet meer aan de orde, en respect van wie beter af is voor wie minder vermag wordt al gauw afgedaan als paternalisme. Het rauwste egoïsme heet dan eerlijk en authentiek te zijn.

Ik hoef die authenticiteit niet, en had ik wat meer dichterlijk talent, zou ik me aan het schrijven zetten voor een liedje van de pakjesboer. In afwachting zorg ik er maar voor dat er koffie klaarstaat als hij langskomt. Met melk, suiker en een scheutje paternalisme.