Herstel of reïncarnatie?

Als het inderdaad zo is dat de mens, de gehele mens een traditiewezen is, staat het meteen vast dat niet enkel in Europa traditionele instituties zorg en ondersteuning verdienen. Als ze worden bespot, waar ook ter wereld, is dat vaak uit een misplaatst superioriteitsdenken, of dat nu modernistisch of neokoloniaal is. Vaak is het trouwens een beetje van beide en is het progressieve vernis een mooi excuus om Eurocentrische toogpraat te brallen. Niet met ons dus: wie de Negus als oplossing ziet voor spanningen in Ethiopië of wie steun uitspreekt voor de Klibur Oan Timor Asu’wain, de monarchisten op Oost-Timor, kan van ons minstens een luisterend oor krijgen en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook sympathie.

S. Salvador de Congo, hoofdstad van het oude koninkrijk Kongo

Dat geldt niet voor elke herstelbeweging – noch in Europa, noch daarbuiten. Een voorbeeld van hoe het mis kan lopen is de Bundu dia Kongo-beweging aan de monding van de Kongostroom. Een aantal van hun uitgangspunten klinken aantrekkelijk, zoals het herstel van het aloude koninkrijk van dezelfde naam. Als je dan echter merkt dat dezelfde club inspiratie zoekt bij andere Afrikaanse bewegingen en autobanden in brand steekt om vermeende tovenaars onschadelijk te maken, vraag je je af wat er aan de hand is.     

Zo complex is het antwoord niet. In tegenstelling tot het koninkrijk Kongo, dat met Ethiopië het grootste christelijke rijk van prekoloniaal Afrika was, zijn de Bundu-aanhangers volgelingen van Simon Kimbangu, die protestants-evangelistische waanbeelden meende te moeten koppelen aan Afrikaanse tradities. Nsemi Muanda, de leider van Bundu dia Kongo, gaat nog een stapje verder en bepleit een volledige terugkeer naar de traditionele Afrikaanse religie – die hij dan wel in verband brengt met science fictionverhalen waarin de voorouders van de Kongolezen ooit een verre planeet bewoonden. Muanda is chemicus en moet dus enige wetenschappelijke saus over zijn opvattingen gieten, maar volgens ons verdient Afrika beter.

Muanda Nsemi

Muanda’s argument dat het christendom een Europees importproduct zou zijn, snijdt natuurlijk geen hout. In Europa is de boodschap van de Verlosser even wonderlijk als in Afrika en dat was niet anders in het Heilig Land. Waar politieke tradities bij voorkeur geworteld zijn in de landen die ze toepassen, is de Heilsboodschap universeel – wat wil zeggen dat ze overal even vreemd is.

Bundu dia Kongo heeft dus een punt als ze de neutraliteit van de staat onverenigbaar acht met het herstel van het traditionele koninkrijk, maar gaat de mist in als ze vergeet wanneer dat koninkrijk sterk en voorspoedig was: wanneer het namelijk de Gekruisigde erkende.   

Drievoudige crucifix uit het oude Kongorijk

Gezegend hij die komt

Niet zo heel lang geleden werd in een Brussels veilinghuis een merkwaardig stuk papier geveild. Hoewel het zeer redelijk geprijsd was, miste ik het – soms doet de tamtam er tussen Brussel en Amsterdam langer over dan transatlantische berichten. U zal het dus met informatie uit tweede hand moeten doen.

Uit wat ik op het net vind, valt alvast af te leiden dat een aantal leden van de hoge adel van het graafschap Henegouwen in de lente van 1815 vrij lyrisch waren over de komst van een nieuwe koning in de persoon van Willem der Nederlanden. De dag van de kroning omschreven ze al bij voorbaat als de mooiste dag van hun leven, ook al maakten ze geen geheim van de gevoelens van trouw die ze jarenlang hadden gekoesterd ten aanzien van het Hoge Huis Habsburg.

De mooiste dag uit het leven van graaf de Saint Genois

Dat was bijzonder het geval voor de ondertekenaar van de verklaring, graaf Joseph de Saint Genois de Grandbreucq (1749-1816). Ten tijde van de Brabantse Omwenteling was hij een van de weinige ambtsdragers in zijn graafschap die niet betrokken was bij het verzet tegen Jozef II en diens beleid. Sterker nog, toen de woelingen toenamen, trok Saint Genois doodleuk op een genealogische onderzoeksreis die hem naar Praag en Wenen bracht. Na zijn terugkeer werd hij zelfs even opgesloten als jozefist, niet geheel onbegrijpelijk.

Net uit de mond van een voormalig jozefist verbazen de Latijnse formules die centraal staan op het document. Enerzijds is er, in kapitalen, het aan de Romeinenbrief ontleende “Omnis potestas a Deo”, dat te dezen een dubbele betekenis kan hebben. Voor de meer gezagsgetrouwe naturen betekende het allicht dat ook Willems macht afkomstig was van de Heer en men er zich dus bij diende neer te leggen, ook al had men ooit gedroomd van een herstel van de Habsburgers. Voor de meer recalcitrante geesten kon het klinken als een waarschuwing aan de vorst, die nog een macht boven zich moest dulden.

Die twijfel bestond duidelijk niet bij Saint Genois, die nog een tekst toevoegde aan het Apostelwoord.

Benedictus qui venit in nomine Domini regnare super corda fidelium Belgarum

Of vrij vertaald: gezegend Hij die komt in de naam des Heren om te heersen over de harten van zijn trouwe (Zuid-)Nederlanders.

Het wapenschild van de familie de Saint Genois

Het geheel staat in een hartvormige cartouche, even aandoenlijk als duidelijk. Ook de verwijzing naar de liturgie hoeft geen toelichting: Willem wordt als een alter Christus, als een gezant van de Heer voorgesteld, tegen wiens wil elke tegenstand futiel en misplaatst is.

Graaf de Saint Genois zou even later worden aangesteld tot wapenkoning voor het zuidelijke deel van het Koninkrijk. Niet voor lang echter, want al in 1816 overleed hij. Dat hij een van de “fidelium Belgarum” was, staat boven elke twijfel verheven.

Toch geen Prinsenhond

Van keizer Karel wordt beweerd dat hij ooit zou hebben gezegd Spaans te praten met God, Italiaans met dames, Frans met diplomaten, Duits met zijn paard en Nederlands met zijn hond. Maar zijn er ook viervoeters die nauwer verbonden zijn met de Lage Landen dan andere?

Vanzelfsprekend, alleen al namen als de Mechelse, Laekense of Tervuerse herdershond verwijzen naar de Zuidelijke Nederlanden. Ook de bouvier of Vlaamse koehond komt uit die streken en is volgens sommigen de perfecte verbeelding van de zachtaardigheid die daar in de genen zou zitten.

Hondenrassen uit het Noorden lijken uit een ander hout gesneden te zijn. Ook daar zijn er de herders, maar ook een stel jachthonden, met name uit de landgewesten en Friesland. We denken dan aan de Drentse patrijshond, de stabijhoun  of de wetterhoun.

De meest Nederlandse aller honden is echter zonder enige twijfel het kooikerhondje. Eens gekweekt om met zijn staart de eenden terug in de kooi van zijn meester te jagen (het recht van eendenkooi was immers een prestigieus feodaal recht), leek hij tot uitsterven gedoemd te zijn eens die taak minder courant werd.

Dat was echter gerekend buiten de baronesse van Hardenbroek tot Ammerstol, die terdege besefte welke rol de kooiker in de vaderlandse geschiedenis had gespeeld. Was het geen kooikerhondje dat Willem de Zwijger wekte  en het leven redde toen zijn legerkamp bij Hermigny bij verrassing werd overvallen door de Spanjaarden? Op het beeld van de Zwijger dat de notoire Mechelse orangist Louis Royer maakte voor het Haagse Plein, kijkt een kooiker naar zijn meester op.

Royers beeld van de Zwijger op het Plein in ’s Gravenhage. Aan ’s Prinsen voeten een kooikerhond

De baronesse, die haar klassiekers kende, overwoog zelfs het terugkerende ras als Prinsenhond door het leven te laten gaan – maar misschien had dat net iets te veel van een oxymoron. Sinds 1971 is de kooikerhond echter definitief erkend als een volwaardig hondenras en wordt de geschiedenis van de Lage Landen ook blaffend voortgezet.

Wie ontstak de rode lantaarn?

Misschien wel de moeilijkste oefening die een denkend mens is gegeven, is het opbouwen van voldoende afstand van zijn leermeester, zonder de banden te verbreken. Dat laatste zou een futiele oefening zijn, alsof het verleden teniet kan worden gedaan. Want de echte zekerheid is niet dat het verleden niet terugkeert, maar dat het nooit meer weggaat.

Die paradox wordt haast volmaakt geïllustreerd door het leven van Pierre Boutang, de journalist, romancier en filosoof die het denken van Charles Maurras creatief en loyaal wist te vernieuwen in de jaren vijftig en zestig van vorige eeuw.

Boutangs Nation française, met het bekende logo van Georges Mathieu

Boutang (1916-1998) begon zijn loopbaan als medewerker van de studentenbladen van de Action Française en eindigde ze als hoogleraar metafysica aan de Sorbonne. Tussen de twee staat vooral het fascinerende avontuur van het blad La Nation française (1955-1967). Tien jaar daarvoor, tussen 1946 en 1948 had hij ook al een sleutelrol  gespeeld in een ander blad, La dernière lanterne geheten.

In tegenstelling tot de zelfbewuste Nation française verscheen de Dernière lanterne onregelmatig en zonder namen van medewerkers. Het was het half satirische, half ernstige orgaan van de aanhangers van de Action française die met of zonder reden getroffen waren door de naoorlogse epuratie. Boutang behoorde tot die laatste categorie – hij werd niet uit het staatsonderwijs verbannen omdat hij Duitsland had geholpen, maar omdat hij in de machtsstrijd binnen de Franse patriottische krachten niet voor de Gaulle, maar voor zijn rivaal Giraud had gekozen.

Wie de beperkte literatuur over de Dernière lanterne, die rode lantaarn van het Maurrassisme, doorneemt, krijgt steevast een verwijzing te lezen naar de polemische en satirische brandbrief La Lanterne, waarin Henri Rochefort het opnam tegen Napoleon III.  Een andere inspiratiebron bleef onder de radar, maar is minstens even interessant: het eenmansblad La nouvelle Lanterne, tussen 1927 en 1937 uitgegeven door René de Planhol (1889-1940).

Over de Planhol is amper iets geweten. Zijn zoon, de cultureel geograaf Xavier de Planhol, omschreef het denken van zijn vader als “monarchistisch, maar ver van elke katholieke praktijk, en pro-Dreyfus” en om die redenen kennelijk onverzoenbaar met dat van Maurras. Wie vader de Planhols essay Le monde à l’envers uit 1932 leest, krijgt toch een meer genuanceerd beeld. Maurras krijgt om de zoveel bladzijden een open doekje en diens trouwe slachtoffers Jaurès en Benda worden door de Planhol afgemaakt op een literair schitterende maar enigszins cynische wijze. Planhols hoofdthema is de toenemende heerschappij van het geld en het getal, waarin mensen worden gewaardeerd (évalués) in plaats van erkend (estimés) en geestelijke of culturele thema’ niet langer een rol spelen in het procedé van de machtsverwerving. Is het dan toeval dat beide heren samen Le bibliophile Barthou schreven, een pamflet tegen een links-liberale machtspoliticus die in zijn vrije uren oude boeken verzamelde?

Misschien nog meer dan Boutang, herinnert de Planhol ons eraan hoe belangrijk het is epigonen te lezen, die zich op enkele kleine maar relevante punten onderscheiden van hun leermeesters.

De heilige van de VOC

Er is enige controverse ontstaan over de nakende heiligverklaring van de zalige Lazarus Devasahayam Pillai. Voor sommigen gaan we al in de fout door de vermelding van het woord Pillai, dat alludeert op de kaste waarin de zalige werd geboren. Gelijkmakers van alle slag dringen erop aan dat zijn heiligverklaring zou gebeuren zonder die suffix, in tegenstelling tot zijn zaligverklaring in 2012. Dat is, zo schrijven zij in een register dat langzamerhand bekend is, een uitgelezen kans om duidelijk te maken dat de Kerk zich heeft vergist toen zij destijds het kastenstelsel niet uitdrukkelijk heeft veroordeeld. Tja.

Mogen wij de aandacht trekken op een ander element van de vita van de komende heilige, namelijk de Nederlandse wortels van zijn bekering? Die vereisen wat historische toelichting.

Devasahayam Pillai (nu mag het, we hebben het immers over de periode voor zijn bekering) werd in 1712 geboren uit een vooraanstaande familie van de Nair-kaste die een belangrijke rol speelde aan het hof van de maharadja van Travancore. Dat machtige rijk in zuidwest India zou later nog een reputatie verwerven als een reservaat van reactionaire denkbeelden, een beetje zoals Mecklenburg-Schwerin in het Duitse keizerrijk. In die tijd was het echter vooral een geducht vorstendom dat afwisselend vriendschappelijke en vijandelijke relaties onderhield met de Vereenigde Oostindische Compagnie.

Die Compagnie was immers niet alleen actief aan de Kaap en in het huidige Indonesië, maar ook in West-Afrika, Ceylon en het huidige India. Onder meer de stad Cochin (nu Kochi) was een belangrijk punt in het netwerk van factorijen dat de VOC daar onderhield, in hevige concurrentie met vooral Britse en Franse handelscompagnieën.

In 1741 oordeelde de gouverneur van Ceylon, baron van Imhoff, dat het onontbeerlijk was de havenstad Colachel toe te voegen aan de parel van havens die de Indische kunst toegankelijk maakte voor de Compagnie. Alleen was die stad in handen van het koninkrijk Tranvancore en de maharadja was niet bereid ze goedschiks af te staan. Imhoff stuurde dus een expeditie onder leiding van een van zijn meest bekwame officieren, Eustachius de Lannoy, geboren in Atrecht.

Zelfs de Lannoy slaagde er niet in de overmacht te weerstaan en het compagniesleger verloor eervol doch finaal de slag bij Colachel. De maharadja was echter onder de indruk van de strategische capaciteiten van de Lannoy en bood hem aan in zijn dienst te treden, wat deze aanvaardde. De volgende dertig jaar zou de Lannoy de voornaamste militaire adviseur van de opeenvolgende maharadja’s zijn en een gordel van forten bouwen op de kust van Travancore.

De Lannoy was echter niet alleen een militair, maar ook een trouwe zoon van de Moederkerk. Als niet-hindoe was hem de toegang tot het koninklijk paleis verboden, zodat hij zich vestigde in het fort van Udayagiri, dat hij zelf had gebouwd. In dat fort zou hij later ook worden begraven, bij de rooms-katholieke kapel die hij voor zichzelf en zijn familie had voorzien en waar ook andere gelovigen hun religieuze plichten konden vervullen.

De Lannoy’s graf voor de kapel van het fort van Udayagiri

De Lannoy’s standvastigheid maakte indruk op Devasahayam Pillai, die ook een gewaardeerd raadgever van de maharadja was. Van het ene kwam het andere en in 1745 trad hij toe tot de Kerk van Rome, en aanvaardde hij de doopnaam Lazarus, waardoor hij meteen ook de toegang tot het paleis voor zichzelf afsloot.

De zalige Lazarus Devasahayam Pillai

Sterker nog: op grond van valse beschuldigingen werd hij ter dood veroordeeld, maar de maharadja begenadigde hem. Hij vertrok in ballingschap en vestigde zich in een woud als kluizenaar. Toen hij daar echter steeds meer bezoek ontving van mensen die zijn geloof wilden leren kennen, was de maat vol. Allicht op bevel van dezelfde hofkringen die hem hadden laten veroordelen, doodden enkele soldaten hem op 14 januari 1752, de dag die nu zijn feestdag is. Zijn lichaam werd begraven in de Sint-Franciscus Xaveriuskerk in Kottar (de huidige kathedraal).

Reeds vanaf 1780 werd werk gemaakt van zijn heiligverklaring, die dus binnenkort een feit zal zijn.

De VOC heeft niet bepaald de reputatie een bron van heiligheid te zijn geweest. Ditmaal kan het niet ontkend worden: indirect dankt de Kerk de nieuwe heilige aan de Heeren Zeventien, en directer aan de trouwe kapitein de Lannoy.  

De gemiste kans van Alexander, baron van Hugenpoth tot Aerdt

Meermaals hebben Brusselse vrienden zich bij een bezoek aan hun stand in duizend bochten gewrongen om hun afschuw uit te drukken over wat in 1830 in hun stad is gebeurd. Bijna zouden ze excuses aanbieden voor elk incident. Op een dag was het werkelijk zo ver. Een fijne oude vriend toonde me de plek op de Kleine Zavel waar ooit de ambtswoning stond van Cornelis van Maanen, de schier onafzetbare minister van justitie van Willem I. In augustus 1830 werd dat huis met de grond gelijk gemaakt door het grauw, waarvan mijn vriend uitdrukkelijk afstand nam.

Hij schrok toen ik liet verstaan geen zweem van medelijden met Van Maanen te kunnen voelen. Het vergde heel wat uitleg vooraleer ik op enig begrip kon rekenen: zijn patriottische gezindheid als student, zijn langdurige foute houding onder Napoleon, inclusief vervolgingen van Oranjegezinden tot ver in 1813 en vooral zijn levenslange gehechtheid aan de nefaste beginselen waarin hij als jongeman geloofde, zelfs in die mate dat hij er zijn vorst mee wist te besmetten. Voor de Lage Landen was Van Maanen een drama, niet meer of niet minder.

Neen, geef mij dan maar zijn voorganger als minister van justitie en politie, de Gelderse katholieke edelman Alexander van Hugenpoth tot Aerdt. Onder Lodewijk Napoleon vervulde hij twee jaar lang het ministersambt, met even frisse tegenzin als groot plichtsbesef en zonder enige dankbaarheid van de Bonapartide. De daaropvolgende jaren speelde hij een discrete doch belangrijke rol in de rechterlijke macht, tot hij in 1838 Eerste Kamerlid werd. Tien jaar later liet hij een laatste keer van zich horen, toen hij vanuit een diepe overtuiging de afbouw van de grondwettelijke orde door Thorbecke en de zijnen afwees.

Alexander, baron van Hugenpoth tot Aerdt

Hij overleed in 1859, bijna tachtig jaar oud.  Zijn loyaliteit gold Nederland en de Kerk van Rome, zijn respect de Republiek, Lodewijk Napoleon en Willem I. Was Hugenpoth een Grote Nederlander? Niet als het verwerven van die eretitel grote daden vereist, wel op basis van een correcte geestesgesteldheid.

Wat zou er zijn gebeurd als Koning Willem in 1815 geen beroep had gedaan op Van Maanen, maar op Hugenpoth tot Aerdt? Je denkt er beter niet te veel over na.

Huis Aerdt, baron van Hugenpoths landwoning

Met een Witte Roos in het kraaiennest

Als we bij Geheime Nederlanden in het kraaiennest klimmen om te zoeken naar bevriende eskaders, hebben we een stevige kijker nodig. Paradoxaal genoeg zien we ver landinwaarts een vloot die ons te hulp koerst. Als we u zeggen dat ze haar thuishaven in Wenen heeft, verbaast dat allicht al minder.

Sinds 1988 houdt het tijdschrift Die Weisse Rose haar lezers ongeregeld een spiegel voor. Dat doet ze in de meest diverse vormen, van vlugschriften die door de actualiteit worden geïnspireerd, over een vaker verschijnende reeks losse bedenkingen tot heuse cahiers waarin een thema grondiger wordt uitgewerkt.

Zo verscheen eerder dit jaar een kort essay van Christopher Rausch “Zur Kritik der Technik”, waarin een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen het zinvolle gebruik van techniek in een samenleving die haar betekenis elders weet te vinden enerzijds en anderzijds de technificatie van een samenleving die hart en ziel verloor. Rausch legt pertinente verbanden tussen techniek en massificatie en identificeert de inherente drang naar perfectionisme in het technische denken. Terecht wijst hij erop dat het grootste slachtoffer van een fout begrepen gebruik van de techniek niet het milieu of de natuur, maar de mens is.

Eerder verschenen in dezelfde formule ook essays over de geschiedenis van Oostenrijk, marxisme en conservatisme, de heilige Klemens Maria Hofbauer en ecologie.

Hart en ziel van de Weisse Rose is de historicus Albert Pethö, die onder meer naam maakte met een grondige studie van de Oostenrijks-Hongaarse geheime diensten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Pethö combineert een snedige stem met stevige beginselen en grondige feitenkennis. Voeg daarbij nog een elegante pen, die de Duitse taal met Weense klasse hanteert en het genoegen wordt compleet.

Meer over Die Weisse Rose leest u op http://www.die-weisse-rose.at/index.php?id=12

Het abonnement op dit blad, dat wij warm aanbevelen, kost u 30 € (of- zoals de redactie malicieus opmerkt – een equivalent bedrag in daalders). Dat bedrag kan u storten op

Österreichische Volksbanken Aktiengesellschaft
Konto Nr.: 314 209 900 09; Bankleitzahl 43 000
IBAN: AT42 4300 0314 2099 0009
BIC/SWIFT-Code: VBWIATW1  

De droevige st(r)aat van Lazare Carnot

Van de wat rustiger zomerdagen maak ik graag gebruik om enkele oude vrienden op te zoeken, onder meer in Antwerpen. Bij aankomst in het imposante centraal station, vroeger bij wijze van purisme vaak Middenstatie genoemd, valt mijn blik keer op keer op een straat waarvan ik me afvraag of ze afstotelijker is dan haar naam, of omgekeerd.

De CarnoTstraat

Het gaat over de Carnotstraat, ter plaatse uitgesproken met een harde t, dus niet op zijn Frans. Toch is ze vernoemd naar Lazare Carnot, een voorman van de Franse revolutie die geen zinnig mens als aanvaardbaar gezelschap zou omschrijven. Carnot stemde voor de executie van Lodewijk XVI en bevorderde het genocidaire optreden van het republikeinse leger in de Vendée. Dat deed hij wel op een slinkse wijze, door de generaals op het terrein brieven te sturen die zij enkel konden interpreteren als een volmacht om hoeven en dorpen in brand te steken en ook vrouwen en kinderen te vermoorden. Alleen stond dat er niet met zoveel woorden in. De scherpzinnige historicus van de Vendée Reynald Secher combineerde echter Carnots brieven met de teksten waarop ze een antwoord waren en het resultaat was niet vatbaar voor discussie.

Reynald Secher komt tot een helder besluit

Als het erom gaat dorpen te verbranden, was Carnot trouwens recidivist. In 1814 voerde hij namens Napoleon het bevel over de stad Antwerpen, die omsingeld werd door geallieerde troepen. In Berchem en Kiel zullen ze het geweten hebben – die dorpen werden net als in de Vendée platgebrand. Carnot was blijkbaar goedgemutst, want de inwoners werden niet over de kling gejaagd.

Op 6 april 1814 deed Napoleon in Fontainebleau troonsafstand en vond de eerste restauratie van de legitieme koningen plaats. Voorlopig werd afgesproken voor de belegerde steden een status quo te behouden. Antwerpen bleef dus even (om precies te zijn tot 4 mei) in Franse handen – alleen niet in naam van een Corsicaanse korporaal, maar in naam van Zijne Meest Christelijke Majesteit Lodewijk XVIII, de broer van de man die onder meer door Carnot ter dood was veroordeeld.

Carnot, die niet aan zijn eerste verloochening toe was, liet lustig muntstukken slaan waarop het koninklijke L-monogram het keizerlijke N-monogram verving. Op 4 mei verliet hij Antwerpen en keerde terug naar Parijs – waar hij bij de terugkeer van Napoleon in maart 1815 prompt alweer van kamp wisselde en minister van binnenlandse zaken werd in de efemere regering die door Waterloo naar de scheurmand van de geschiedenis werd verwezen.

Een uiting van Carnots efemere royalisme

Dat er nadien geen plaats voor hem was in Frankrijk en hij in ballingschap werd gestuurd, zal geen zinnig mens verwonderd hebben.

Dat hij in 1889, onder het presidentschap van zijn kleinzoon Sadi Carnot, werd herbegraven in het Pantheon, mag ook niemand verbazen die de schaamteloosheid van de Franse derde republiek wat kent.

Dat hij in 1846, onder het burgemeesterschap van de katholieke unionist Gérard le Grelle een straatnaam kreeg, begrijpt echter geen zinnig mens. Zijn (intussen verdwenen) standbeeld in Borgerhout kan met veel goede wil als een platte bedanking worden beschouwd voor het feit dat die gemeente het lot van Berchem en Kiel niet hoefde te delen – maar een straatnaam voor een genocidair! Wil iemand daar toch nog even kritisch naar kijken. Het hoeft niet in orde te zijn voor mijn volgende bezoek aan de Scheldestad, maar even nadenken mag echt wel.

Maneamus quod sumus

Als iemand een vlottere vertaling van de Luxemburgse wapenspreuk kent, of liever nog een vertaling die enige officiële erkenning geniet – hij weze welkom. Wij hebben het niet verder gebracht dan deze titel als equivalent voor het Mir wëlle bleiwe wat mir sinn.  Dat de Luxemburgers een ingeboren zin voor loyaliteit en trouw hebben, staat echter buiten kijf. Ten goede en ten kwade.

Reeds onder Jozef II bleek de trouw aan de vorst voor Luxemburg sterker te wegen dan de verdediging van de aloude rechten. En is het toeval dat na 1830 vooral in Luxemburg baronnen, boeren en burgers naar de wapens grepen ter verdediging van Willem I? Het zou net iets te eenvoudig zijn om deze feiten alleen te verklaren door te verwijzen naar de aanwezigheid van stevige troepenmachten in de vesting Luxemburg. Die liet haar invloed immers niet voelen tot de grenzen van het Groothertogdom. Overigens was het minstens even afschrikwekkende Maastricht geen reden voor opmerkelijke antirevolutionaire woelingen in Limburg, misschien wel integendeel…

Ach, wat. Doet het militaire en het politieke er uiteindelijk wel toe? We overschatten het in alle geval.

Het culturele beeld is echter niet merkelijk anders. Ook religieus en artistiek is er in het Groothertogdom (in zijn historische grenzen, dus inclusief de huidige provincie Luxemburg in België) meer vasthoudendheid te vinden dan op vele andere plaatsen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de architectuur van de openbare gebouwen. Eerder toonden we al hoe de waterstaatstijl in de kerkenbouw in Luxemburg bleef voortleven. En tot ver in de Belgische periode werden in Luxemburg gerechtsgebouwen opgetrokken in een klassieke stijl die elders in het koninkrijkje was ingeruild voor een pompeuze neogotiek of neobyzantinisme, afhankelijk van de levensbeschouwelijke achtergrond van bouwheer en architect.

Genoeg gepraat, enkele voorbeelden.   

De Sint-Walburgiskerk van Chiny (1829)
De Sint-Michielskerk van Neufchateau (1842-44)
Het gerechtsgebouw van Marche en Famenne (1853)

In memoriam Ludwig Carl von Ottweiler (+ 16 augustus 1799)

In de jaren 1883-1893 was een van de hete hangijzers in de politiek van het Zwitserse kanton Uri de vraag of het al dan niet mogelijk was een monument op te richten voor de Russische generaal Alexander Vassilievitz Suworow (1730-1800). Tegenstanders oordeelden dat de Zwitserse neutraliteit belette dat er hulde werd gebracht aan buitenlandse veldheren, hoogstens konden de slachtoffers van een oorlog worden herdacht. Voorstanders wezen erop dat Suworow bij zijn hardnekkige weerstand tegen de troepen van de Franse republiek in het Gotthardgebied de steun kreeg van de plaatselijke bevolking. De voorstanders haalden het en het monument staat vandaag discreet maar welsprekend naast de zogenaamde Duivelsbrug.

Het Suworow-monument

Hoort dit verhaal dan thuis op Geheime Nederlanden? Heel zeker, want in de gevechten tussen de Fransen en de Oostenrijks-Russische verbondenen sneuvelde op 16 augustus 1799, vandaag dus exact 222 jaar geleden Ludwig-Carl rijksgraaf van Ottweiler.

Waarom de 23-jarige kapitein in het Oostenrijkse leger de naam Ottweiler droeg, was een lang verhaal. Eigenlijk was hij een Nassau-Saarbrücken, zijn vader was de in 1794 overleden laatste regerende vorst van dat wat vergeten Nassau-vorstendom.

Waarom droeg hij dan diens naam niet? Dat had alles te maken met zijn moeder, de bloedmooie boerendochter Katharina Kest, beter bekend als das Gänsegretel. Katharina begon haar loopbaan aan het hof als oppas voor de kinderen van de vorst en diens maîtresse barones von Dorsberg. Na verloop van tijd nam ze echter de taak van de barones over, met zeven kinderen als gevolg. Ludwig Carl was de tweede zoon, maar de eerste die in leven bleef.

Katharina Kest

Na het overlijden van de wettige echtgenote van Lodewijk van Nassau-Saarbrücken overtuigde die keizer Jozef II de feitelijke verhoudingen ook rechtens te laten gelden. De kinderen van de vorst en Katharina Kest werden gelegitimeerd en ontvingen de titel rijksgraaf van Ottweiler. Lodewijk en Katharina huwden en Katharina werd formeel voorgesteld als regerende vorstin van Nassau-Saarbrücken. Dat gebeurde onder protest van de andere ondertekenaars van het Nassause Erfakkoord van 1783. Met name de regerende vorsten van Nassau-Weilburg en vooral Nassau-Usingen meenden dat zij, en niet de kinderen van een ganzenhoedster de wettige erfgenamen dienden te zijn van het vorstendom Nassau-Saarbrücken. Vermits kroonprins Heinrich nog in leven was, bleef het protest beleefd en hypothetisch. Toen deze echter in 1797 in ballingschap overleed, werden de verhoudingen meer gespannen.

Uiteindelijk bleek de vraag zonder voorwerp. De revolutionaire pletwals deed Nassau-Saarbrücken voorgoed van de kaart verdwijnen. Na Napoleons nederlaag was er geen sprake van enig herstel, de enige vraag was welke gulzige mogendheid, Frankrijk of Pruisen, het grondgebied zou overnemen.

Ons komt het voor dat ook wie de legitimering door keizer Jozef II onvoldoende vond om de kinderen van Katharina Kest op de troon van Saarbrücken te zien komen, minstens overtuigd dient te worden door het offer van haar zoon Ludwig-Carl. Naast de legitimiteit van het bloed is er een legitimiteit van de daad, en die verdient respect. Vandaag is daar een goede gelegenheid voor.