Belladonna en bierbuiken

Het is in deze tijden van zachte lockdown ongemerkt voorbijgegaan, maar de Belgische regering in zakformaat, die zichzelf Vlaamse Regering noemt, heeft weer een gelegenheid gemist om te handelen naar haar eigen beginselen.

Bij het aantreden van de huidige bewindsploeg was het een populair thema aan de borreltafel, het Belgische – neem me niet kwalijk: ik bedoelde natuurlijk Vlaamse compromis over de ambtskleding van de burgemeesters. Voor de enen moest de burgemeesterssjerp driekleurig zijn, zoals hij dat nu is, voor de anderen diende hij dringend tweekleurig te worden. Uiteindelijk werd het compromis in volmaakt ambtenarees onder woorden gebracht in het regeerakkoord: “We geven autonomie aan de lokale besturen om op het vlak van de burgemeesterssjerp te kiezen tussen de huidige burgemeesterssjerp of de huidige schepensjerp.” In leesbaar Nederlands betekent dit dat gemeentebesturen mogen kiezen of de burgemeester een driekleurige sjerp draagt in zwart, geel en rood, of net als de schepenen een tweekleurige in zwart en geel. Dit omschrijven als “autonomie” klinkt dan enigszins als een retorische overdrijving.

Diezelfde Vlaamse Regering proclameert echter te pas en te onpas dat zij naar het noorden kijkt, en Vlaanderen wil doen aansluiten bij de dynamische landen aldaar, om het los te weken uit het dolce far niente en het malgoverno van de Mediterrane wereld – die in de Vlaamse mythologie reikt tot de boorden van de Ourthe en de Dender.

Als het over de herkenningstekens van de lokale ambtsdragers gaat, loopt de grens van de Mediterrane wereld echter gelijk met de Vlaamse noordgrens – landen als Frankrijk, Italië, Spanje en Roemenië kennen ook sjerpen, terwijl dit fenomeen in Noord-Europa onbekend is – en dat bevestigt de regering nu met graagte.

Dat de grens net daar loopt, is geen toeval. De sjerp is een erfenis van Napoleon, die hem vanuit zijn militaire achtergrond transponeerde naar de context van het gemeentelijk bestuur. Sinds de dagen van de Franse revolutie droegen officieren in het Franse leger immers sjerpen in de nationale kleuren als herkenningsteken. Napoleon meende dat de burgemeesters een rol vervulden die vergelijkbaar was met die van officieren, en dus ook sjerpen moesten dragen. Er was zelfs sprake van een uniform voor de burgemeesters!

Van die gewoonten is al enige tijd afscheid genomen, maar de militaristische en centralistische erfenis van de sjerp is overeind gebleven. Lokale bestuurders worden verondersteld herkenbaar te zijn aan de kleuren van de hogere overheid – of die nu Frans, Belgisch of Vlaams is. Net alsof ze er vestimentair aan herinnerd moeten worden dat ze onderworpen zijn aan het gezag in Parijs of Brussel. Daarom klinkt het zinnetje in het regeerakkoord zo ironisch.

Er was een alternatief. In Nederland dragen  burgemeesters sinds 1852 een ambtsketen, een mooi versierd metalen halssieraad, dat eigendom is van de gemeente, en vaak verwijst naar de lokale geschiedenis. Het wordt doorgegeven van burgemeester naar burgemeester en symboliseert zo de continuïteit van het lokale bestuur. Inspiratie voor dit symbool vonden de bedenkers bij de oude gildesymbolen. Welnu, ook in Vlaanderen, Brabant en Limburg dragen de keizers en koningen van de schuttersgilden al eeuwenlang “breuken” die nauw verwant zijn met deze ambtsketens. Het is dus een symbool van de lokale verworteling, niet van de macht van hogere instanties.

Niet, dus. Zo ver noordelijk vermag de Vlaamse Regering klaarblijkelijk niet te kijken.

In zijn roman Belladonna (1994) had Hugo Claus het over een burgemeester die zijn driekleurige sjerp nauwelijks om de lenden kreeg – maar er zich geen zorgen over maakte, want ook de gouverneur had een bierbuik. Die traditie is nog maar eens verankerd, met dank aan de Vlaamse autonomie.

Resurrectionem expextant

Meestal associëren we het ontstaan van “buitenbegraafplaatsen” met de Franse tijd, en vergeten we de generale repetitie van de jaren tachtig van de achttiende eeuw. In het Zuiden van onze landen herinnert de oudere generatie zich nog op school geleerd te hebben dat keizer-koster Jozef II het begraven in de kerken verbood. Ook in het Noorden namen verlichte regenten het initiatief om de doden niet langer in de kerk, maar buiten de stad te begraven. Zo werd in Arnhem in 1782-83 het initiatief genomen om aan de Velperpoort een buitenbegraafplaats op te richten.

Helemaal goed is dat niet afgelopen. Toen de echtgenote van een militair overleed aan dysenterie, werd zij op bevel van het stadsbestuur op het nieuwe kerkhof begraven. Weduwnaar en stadsbevolking vonden die handelwijze onbetamelijk, en gingen over tot herbegrafenis van de vrouw in een van de stedelijke kerken. Bij die gelegenheid sneuvelde ook de omheining van het nieuwe kerkhof.

Bij de aftocht van de Fransen in 1813 konden soortgelijke taferelen gezien worden. Zo werden in Hoorn meerdere overledenen herbegraven in de kerk. Dat neemt niet weg dat de praktijk van de buitenbegraafplaats de standaard werd gedurende de negentiende eeuw.

Niet zo ver van mijn woonplaats lijkt die trend omgekeerd te zijn. In het dorpje Ulbeek in Belgisch Limburg, begraaft men voortaan weer in de kerk.

Of om precies te zijn: in de oude kerk. Net voor de Tweede Wereldoorlog kreeg het dorp een foeilelijke nieuwe kerk, en werd de oude aan de eredienst onttrokken. Ze werd een tijdlang gebruikt als parochiezaal, toneelzaal, opslagplaats en fabriekshal. Sinds 2011 heeft ze echter een nieuwe bestemming, als overdekte begraafplaats. Neen, niet als columbarium, maar als begraafplaats, met plaats voor veertig individuele graven naast het columbarium en een afscheidsruimte.

Kijk, dat is nog een idee als er moet worden overgegaan tot het achterlaten van een aantal (vooral negentiende- en twintigste-eeuwse) kerken. Maak ze van kerk tot kerkhof, zodat hun waardig gebruik gewaarborgd is. En is er een betere plaats om de Verrijzenis af te wachten dan de kerk, in het midden van het dorp?

Trouw en onrust in het leven van Willem van Heemsstra

Hoewel Willem Hendrik, baron van Heemstra, gedurende de dertien laatste jaren van zijn leven de verwezenlijking van al zijn oude dromen leek mee te maken, was hij geen gerust man. Hij, die na het Kollumer oproer van 1797 zijn geboortestreek moest ontvluchten, was inmiddels grietman geworden van  Kollumerland en Nieuwkruisland. Spoedig zou hij lid van de Tweede Kamer worden, en daar het beleid van koning Willem I ondersteunen. Dat Nederland een koninkrijk was geworden onder Oranje, had hij als jongeman nooit durven hopen. Maar tevreden was hij niet.

Waarom hij niet tevreden was? We lezen het tussen de lijnen in zijn herinneringen. Wanneer hij vertelt hoe hij in 1797 met zijn bejaarde vader eerst onderdook bij bevriende Oranjegezinde families, en dan naar Duitsland emigreerde, laat hij ook iets merken van zijn grote angst van toen. Om de grens over te steken, moest hij voorbij een schans, die onder het bevel stond van ene kapitein Cort Heyligers “dien het een bijzonder genoegen zoude strekken, zoo hij iemand, die Oranjegezind was, op het schavot kon brengen”. Onder Koning Willem was Cort Heyligers generaal geworden, en voerde hij het bevel over een reservekorps. Voorwaar geen geruststellende gedachte voor baron van Heemstra.

Gedenknaald voor generaal Cort Heyligers op landgoed Brinkgreven bij Deventer

En toch had hij beter moeten weten. Restauraties worden niet uitgevoerd met de getrouwen van altijd, maar met de bekeerlingen van de vooravond. Dat was zo in de Noordelijke Nederlanden, in de Zuidelijke was het niet anders – zelfs niet toen de restauratie mislukte.

Als u van Antwerpen naar Gent rijdt, moet u even de snelweg verlaten om een kleine zoektocht te ondernemen. In het gehucht Haasdonk bij het stadje Beveren staat, verscholen in de bossen, het kruisbeeld dat de nagedachtenis van Jan Baptist Tassijns eert. Tassijns werd door de Fransen voor de kop geschoten bij het mislukken van de zogenaamde Boerenkrijg, de anti-revolutionaire opstand van het jaar 1798. Tassijns was de aanvoerder van de opstandelingen in zijn streek en zijn executie bezorgde hem het statuut van held.

Het Tassijnskruis in Haasdonk

Terecht, maar Tassijns had ook een verleden. Net zoals zijn evenknie Quarteer in het Scheldestadje Boom, was hij kort voor de opstand nog een van de steunpilaren van het Franse regime geweest. Quarteer was vrederechter, Tassijns municipaal agent – en ze waren niet de enigen. Het was niet de rustige vastheid van hun geloof in eeuwige waarden, maar hun ongeduld en hun teleurstelling in de niet gerealiseerde beloften van de Fransen, die Tassijns en Quarteer aan het hoofd brachten van een groep strijders “voor outer en heerd”. Was het zo anders met Cort Heyligers?

Wie zichzelf de teleurstelling van baron van Heemstra wil besparen, doet er goed aan nuchter te blijven. De beloning voor de trouw, is de trouw zelf.

Pierre Bruno Bourla’s tragische theater

Ondanks haar naam heb ik de Nassaustraat op het Antwerpse Eilandje nooit heel aantrekkelijk kunnen vinden. Enkele oude panden, die de tand des tijds slecht hebben doorstaan, hebben er eigentijdse en (bijna schreef ik: dus) inspiratieloze architectuur als buur. Toen ik ontdekte hoe de straat eruit zag toen ze nog een plein was, of anders gezegd: vooraleer de Antwerpse vestingen ontmanteld werden, stond het huilen me nader dan het lachen. Het Nassauplein was een stadsrandplein in de beste klassieke traditie. Het Mechelse Kardinaal Mercierplein kan er misschien nog het best mee vergeleken worden.

De onzorgvuldigheid waarmee in de loop der jaren werd omgesprongen met het Nassauplein is exemplarisch voor de ondergang van het zowat volledige werk van Pierre-Bruno Bourla. Paradoxaal genoeg is zijn naam misschien wel bekender dan zijn werk, met dank aan het theater dat zijn naam draagt. Van de vierentwintig werken die hij in Antwerpen uitvoerde, zijn er zegge en schrijve vier in hun oorspronkelijke toestand bewaard. Recent werd de pastorie van de Sint-Laurentiusparochie vervreemd,  zodat ook daarover enige ongerustheid bestaat. Bourla’s kerk in dezelfde parochie is straks een eeuw geleden afgebroken.

Zo blijft de tragiek die Bourla in leven kenmerkte hem achtervolgen na zijn dood. De in Frankrijk geboren stadsbouwmeester was de beschermeling van burgemeester Florent van Ertborn, later gouverneur van Utrecht en een trouwe dienaar van Willem I. Het wekte dan ook geen verwondering dat Bourla werd aangesteld om de architectuurcursus te doceren aan de Antwerpse academie, maar lang duurde die aanstelling niet. Bourla beheerste het Nederlands niet, wat haaks stond op de pogingen van Willem I en zijn omgeving om het onderwijs van hoog tot laag te vernederlandsen. Bourla hield de eer aan zichzelf, en nam ontslag. In tegenstelling tot vele anderen, die na 1830 paradeerden als zelfverklaarde slachtoffers van een hardvochtige monarch, bleef Bourla bescheiden en plichtsgetrouw zijn werk uitvoeren. Hij besefte dat de glorietijd van zijn esthetische opvattingen samenviel met het Koninkrijk van Willem I, en dat het romantische België nooit zijn land zou worden. Dat zijn Nassauplein het best wordt weergegeven op een afbeelding van een revolutiescene uit het rampjaar, is een van de meer bittere vormen die de ironie van de (kunst-)geschiedenis ooit heeft aangenomen.    

Georges de Manteyer – semper idem

Vorig jaar mijmerden we bij de herinnering aan Antoine Lestra, de jurist uit Lyon die de pen voerde voor prins Xavier van Bourbon-Parma. Bij die gelegenheid hadden we er al op kunnen wijzen dat de prinsen van dat huis een gedegen traditie hebben in de keuze van hun raadgevers. Zo was de Madrileense hoogleraar en voortzetter van de carlistische traditie in haar beste betekenis, Miguel Ayuso Torres, zes jaar lang politiek secretaris van prins Xaviers zoon, prins Sixtus-Hendrik.

Als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis, ontmoeten we een merkwaardige voorganger van Lestra. In 1920 verscheen het dossier van het bekende vredesinitiatief dat de prinsen Xavier en Sixtus van Bourbon-Parme samen met hun schoonbroer, de Zalige Keizer Karl van Oostenrijk, gedurende de Eerste Wereldoorlog ondernomen hadden. Prins Xavier liet zich bij dat initiatief bijstaan door een trotse provinciaal, Georges Pinet de Manteyer (1867-1948), een gentleman-scientist die vanop zijn kasteel in de Dauphiné rustig wedijverde met het onderzoek van de officiële paleografen.

Het kasteel van Manteyer, de uitvalsbasis van een kasteelheer-paleograaf

Prins Sixtus waardeerde de Manteyer zeer, en zei over hem: “il eût été un grand Ministre sous un régime stable”. Wat hij met dat laatste bedoelde, hoef ik de lezer niet Diets te maken. Of misschien toch, voor wie het graag in Manteyers woorden leest:

“La mort cruelle et odieuse de Louis XVII est un crime qui pèse lourdement sur la conscience de la France, aussi bien que celle de Louis XVI. En tuant le roi, la France a tranché sa propre tête, et, cependant, il en faut une. Aucune autre, précaire et de rechange, n’a pu la remplacer. »

De Manteyers onderzoek behandelde de meest uiteenlopende onderwerpen  – van het ontstaan van de Pairs de France over de herkomst van de benaming Dauphin tot de Apollocultus in zijn geboortestreek in de derde eeuw. Hij bleef dicht bij de bronnen, maar liet zich het plezier niet ontnemen zijn eigen denken te illustreren met citaten uit oude teksten.

Dat was zeker het geval in zijn studie uit 1938, over Le Pays et la Patrie, waarbij het niet mag verbazen dat hij de eerste term ver verkoos boven de tweede. De genese van de dubbele terminologie in het Frans illustreerde hij met korte teksten van de eerste eeuw voor Christus tot zijn eigen tijd. De enige die recht had op wat langere citaten was niemand minder dan Lodewijk XIV. Diens beschrijving van de hertog van Lotharingen klinkt vandaag als een beschrijving van de Christenheid na de koningsmoorden van de late achttiende eeuw:

“[quelqu’un] à qui son inquiétude naturelle rendait toutes les nouveautés agréables”.

Niet Manteyers type dus. Die herkende zich allicht beter in dat andere citaat van de Zonnekoning :

“Je n’ai pas cru devoir rien demander de nouveau […] j’ai cru encore moins […] rien souffrir de nouveau ». 

Georges de Manteyer: “il eût été un grand Ministre sous un régime stable

Désormais je bois Arbois!

Wie ooit in een amateurkoor heeft gezongen, herinnert zich allicht de woorden van het vrolijke deuntje dat in de zestiende eeuw werd genoteerd door kanunnik Jehan Tabourot, beter bekend als Thoinot Arbeau:

Quand je bois du vin clairet,
Ami tout tourne, tourne, tourne, tourne…
Aussi désormais je bois
Anjou ou Arbois.

De anglofielen onder ons weten dat de clairet van Bordeaux komt, en bij Anjou kunnen we ons ook nog iets voorstellen – maar Arbois?

Dat is jammer, want net de Arboiswijn legt een verband met het land waarin kanunnik Tabourot leefde, namelijk het aloude Bourgondië – ook al bewoonde hij het recent door Frankrijk geannexeerde hertogdom, en werd de wijn verbouwd in het vrije graafschap Bourgondië, beter bekend als de Franche-Comté.

Niet zo heel lang geleden is de Arbois met glans in het nieuws gekomen, toen enkele flessen uit de achttiende eeuw voor spectaculaire bedragen een nieuwe eigenaar vonden. De Franse wijnhistoricus Pierre Chevrier wijdde er zelfs een boekje aan: L’Arbois Jaune 1774. Vin des Lumières.

Een typische Arbois-fles

Werkelijk? Wat de “vin jaune” van de Jurastreek zou bijzonder maakt, is vanzelfsprekend zijn haast eindeloze bewaarcapaciteit. Die heeft hij gemeen met de wijn van Jerez, beter bekend als de sherry.

Volgens sommige wijnhistorici zou dat geen toeval zijn, en zou tijdens het bewind van de Spaanse Habsburgers over de Franche-Comté oenologische kennis uit Andalusië zijn overgewaaid naar de Jurastreek. Anders gezegd: dat de Jurawijn de tand des tijds weerstaat, zou een late groet zijn van Filips II en zijn opvolgers, niet bepaald de geliefkoosde historische figuren van de verlichte historici.

Als dat zo is, is de duurzaamheid van de gele wijn toch een elegantere manier om de Franse veroveraars een neus te zetten dan die meer bekende vorm van populair protest. Er wordt immers gezegd dat vele decennia na de Franse verovering van de Franche Comté, in 1678, de Habsburgtrouwe inwoners zich lieten begraven met het gezicht naar de aarde gericht – en het achterste naar de zon, symbool van Lodewijk XIV. Eerlijk? Dan hef ik liever een glas gele Arbois met een stevig “Hoog Habsburg!”    

Het wijnmuseum in het stadje Arbois

Santa Laduina

Tiepolo heb ik leren kennen langs een omtrekkende beweging, zoals dat past. Als scholier ontdekte ik de Venetiaanse muziek van het Settecento door de opnames van Claudio Scimone en diens onvolprezen Solisti Veneti. Een van de voordelen van de aloude vinylplaat was dat de hoes groot genoeg was om er iets te tonen van een bijpassend kunstwerk. Bij de clavecimbelconcerti van Baldassare Galuppi was dat een werk van Tiepolo – weze het Tiepolo junior, Giandomenico. Van de zoon kwam de vader voort, en een fascinatie was geboren.

Zoals veel van zijn tijdgenoten, wordt Tiepolo niet altijd helemaal ernstig genomen. Zijn kunst wordt decoratief en overontwikkeld genoemd. Misschien weerspiegelt ze zo wel zijn vaderstand Venetië, die stabiliteit wist te creëren door een ongelooflijk complexe staatsinrichting. De finale veroordeling werd uitgesproken door de avantgardist Giorgio Manganelli, die Tiepolo verweet “geen zoon van de Verlichting” te zijn. Dat treft, ik ook niet.

Het contrast tussen het werk van Tiepolo en de meesters van de Lage Landen kan amper groter zijn. Geen rustende runderen, geen zeeslagen, geen boerenbruiloften – of het zou een bruiloft in Arcadië moeten zijn. Geen heldere lijn, maar keer op keer meerduidigheid. Tiepolo is het sterkst als hij wezens uit de tussenwereld afbeeldt, die noch mens, noch geest zijn, maar wie zal zeggen wat.

En toch is er één uitdrukkelijke band tussen de Venetiaanse Meester en de Hollandse steden – zijn Santa Laduina, een portret van de heilige Lidwina van Schiedam, afgebeeld als een bescheiden en vriendelijk meisje. Waarom is ’s hemels naam Liedewij? Gaf een Roomse koopman uit Schiedam Tiepolo de opdracht zijn stadsgenote op het doek te brengen?

Wie zal het zeggen. Er is van het schilderij geen toonbare afbeelding op het net te vinden. In 1900 deed Adolfo Venturi het af met een enkele alinea in zijn beschrijving van de Galleria Crespi in Milaan, die gelukkig genoeg wel een illustratie bevat. In 1914 werd de galerij verspreid na een veiling. In 1938 werd het werk verkocht in een veiling in New York en in dezelfde stad dook het niet zo heel lang geleden op in galerij Stanley Moss. Waar het doek nu is, is een goed bewaard geheim.

Hoe jammer dat Joris-Karl Huysmans Tiepolo’s werk blijkbaar niet kende, toen hij zijn Sainte Lydwine de Schiedam schreef – al kan je het boek wel kopen in een print on demand versie, met het doek op het voorblad. Minstens zo jammer is het dat het doek de kleine maar fijne Tiepolo-collectie van het Rijksmuseum nog niet heeft vervoegd.

bol.com | Sainte Lydwine de Schiedam, M Joris Karl Huysmans | 9781505420609  | Boeken

Slapende cellen van een oudere legitimiteit

Als ik nog eens in Brussel ben, laat ik nooit na mijn oude buurvrouw in Elsene gedag te zeggen. Ze is de negentig voorbij, werd in een patricische familie in Zwitserland geboren en leeft sinds haar korte huwelijk met een Belgische baron in de Lage Landen. We drinken een kopje thee, waar zij altijd iets in doet. De verpleging raadt het haar af, grapt ze dan, maar ze gelooft niet in cardiologen. Als het waar is dat wie op zijn twintigste niet links was, geen hart heeft, hoeft ze zich daarover geen zorgen te maken…

U ziet het genre. De Belgische politiek volgt ze met veel interesse, maar ook na driekwart eeuw verblijf ter plaatse begrijpt ze er niet veel van. Als je het haar vraagt, is een minderheidsregering die met volmachten regeert en de grondrechten in toom houdt zowat het beste dat een land kan overkomen. Als het daarover gaat, verberg ik me achter mijn onkunde, die even groot is als de hare.

Met haar naam had ze niet aan een loopbaan in de politiek moeten denken – te veel kleine d’s, zelfs naar de normen van het chique Elsene. Haar neven, op wie ze erg trots is, houden zich wijselijk ver van oorden waar te veel mensen bij elkaar komen, zoals popfestivals, sociale media of verkiezingscampagnes. Als ik haar – toegegeven, soms wat lange – verhalen over de neefjes hoor, zie ik een bekend beeld.

Of we dat nu leuk vinden of niet, in de loop van de geschiedenis hebben sommige families zich meer ingezet voor het algemeen welzijn dan andere. Dat is zo in de Lage Landen, dat is zo in Zwitserland en dat is elders niet anders. Langzaam maar zeker zijn de vertegenwoordigers van deze families echter verdrongen uit de sfeer van de politiek. De biografie van de vroegere burgemeester van Amsterdam, Gijs van Hall, is daaromtrent nuttige lectuur. De titel alleen spreekt boekdelen: “Alleen omdat ik een Van Hall ben” – en wees gerust, zijn naam gaf hem geen voorsprong en leidde evenmin tot toegeeflijkheid, ook niet al was hij bereid toe te treden tot de Partij van de Arbeid.

Is binnenlandse ballingschap dan het enige alternatief voor vertegenwoordigers van oude families? Hoegenaamd niet. In broederschappen, kerkbesturen, polders en wateringen nemen de leden van deze families verantwoordelijkheid. Vlaanderen kent zelfs een mooie, zij het beschadigde relikwie van dit soort engagement, de pachtprijzencommissie, waarin landbouwers en grondeigenaren overleggen over de prijzen die voor landbouwgrond gevraagd kunnen worden. De namen van de vertegenwoordigers van de eigenaren lezen als een blauwe of rode boekje, zelfs nu de jacobijnse regering in Vlaanderen de commissie centraal, en niet langer provinciaal heeft georganiseerd.

We moeten deze vormen van bestuursengagement koesteren. Ze tonen aan dat het mogelijk is verantwoordelijkheid te nemen ver van het geschreeuw. Ze zijn slapende cellen van een oudere legitimiteit, die ons herinnert aan wat ooit een alternatief is geweest.

Ritus cameracensis

Naar de oude kathedraal van Kamerijk hoeft u niet te zoeken. Die is verdwenen in naam van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid, en tot meerder profijt van een aankoper van zwart goed, die de stenen met een mooie winst op de markt heeft kunnen gooien. Rond dezelfde tijd is ook de eigen Kamerijkse ritus verdwenen in de nevelen der geschiedenis, al ging het deze specifieke vorm van de Latijnse liturgie al een tijd niet voor de wind.

Cathedrale_de_Cambrai

De pre-revolutionaire Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Kamerijk

Inderdaad kende Kamerijk, net als Luik, tot de tijden van de revolutie een eigen brevier, dat afweek van het Breviarium Romanum. In Rome kon men daarmee leven, maar dat lag anders voor een aantal burgerlijke gezagsdragers. In 1767 was in Brussel de gedachte gerijpt dat alle bisdommen in de Zuidelijke Nederlanden identieke liturgische boeken dienden te gebruiken, waarin geen plaats meer zou zijn voor uittreksels uit de levens van de heiligen. Een suggestie in die zin leverde landvoogd Karel van Lotharingen een helder non possumus op vanwege de bisschop van Kamerijk, Mgr Louis de Choiseul. Zijn medewerker deken Mutte maakte bij die gelegenheid een pertinente opmerking, die 250 jaar later niets aan actualiteitswaarde heeft ingeboet, zeker niet voor haar tweede helft: “En ce pays-là (de Zuidelijke Nederlanden), quoyque l’on y conserve bien des points de l’ancien droit, quand on touche à certaines matières, on va plus loin qu’ailleurs, parce qu’on s’est moins appliqué à connoitre les bornes des deux puissances (de geestelijke en de burgerlijke).”

Nochtans was Mgr de Choiseul, in tegenstelling tot zijn voorganger de Saint-Albin, niet bepaald een promotor van de Kamerijkse ritus. Hij probeerde het kathedrale kapittel ertoe aan te zetten het Parijse brevier over te nemen, zij het zonder succes. Maar goed ging het niet met de overgeleverde ritus van het bisdom van Sint-Vaast. De liturgische boeken waren amper herdrukt sinds de vroege zeventiende eeuw, op een uitzondering na onder het bewind van Mgr de Saint-Albin. De meeste parochiekerken te lande hanteerden het Romeinse Missaal, niet uit principe, maar omdat ze er niet in slaagden een lokale editie te verwerven, of omdat ze de gotische letters van de oude edities niet bepaald gebruiksvriendelijk vonden. Tot het begin van de achttiende eeuw bood de Bergense kerk van Saint-Nicolas-en-Havré nog dapper weerstand, maar toen moest ook zij er het loodje bij neerleggen. In 1789 nam zelfs het Kamerijkse kapittel van Saint-Géry de Romeinse teksten over.

0_Mons_-_Église_Saint-Nicolas-en-Havré_(chœur)

Het interieur van de Saint-Nicolas-en-Havré in Bergen

Heeft dit allemaal nog enig belang vandaag? Zeker. De herinnering aan de Kamerijkse ritus behoedt ons voor een vorm van Tridentijnse monomanie, die aan ritus en liturgie een grotere centralisatie wil opleggen dan de Kerk zelf ooit heeft beoogd. Daarenboven is de Kamerijkse ritus bij uitstek Nederlands. Wie deze ritus omschrijft als een variante van de Gallicaanse ritus, begrijpt hem volstrekt anders dan de kanunniken van het Kamerijkse kapittel destijds. Zij betreurden dat de eigen ritus verloren was gegaan in het zusterbisdom van Kamerijk – en daarmee bedoelden ze Mechelen

Tempo di Raguzzini

Net zoals Lyon was Luik lange tijd een toevluchtsoord voor een behoudend-katholieke kring, waarvan de vertegenwoordigers beseften dat hun stad dichter bij Aken lag dan bij Parijs, en meer had gekregen van kanunniken en edellieden dan van volkstribunen en redenaars. Misschien wel de laatste vertegenwoordiger van die school was Alexis Curvers, die tot zijn overlijden in 1992 geregeld meewerkte aan het tijdschrift Itinéraires van Jean Madiran.

Curvers is vooral bekend gebleven als de auteur van een enkele roman, Tempo di Roma, waarin hij zijn liefde voor de Eeuwige Stad bezingt. Daar vertelt hij hoe hij geregeld groepen op sleeptouw nam naar Rome, en steevast de kennismaking inzetten met een avondlijk bezoek aan de Piazza Sant’ Ignazio, het meesterwerk van Filippo Raguzzini. Dat leek hem de beste kennismaking te zijn met het wonder van de stad.

Piazza S Ignazio

Piazza Sant’Ignazio

Is het plein dan zo origineel? Integendeel. Raguzzini gaf het vorm door te kijken naar de gelijknamige kerk, die een eeuw voordien was gebouwd. Hij projecteerde de vormen van de kerk naar voren, en bewerkte zo de verrassende dynamiek van het plein.

Voor sommigen is het plein vooral een theater, en het is waar dat de Piazza meermaals met succes gebruikt werd als decor voor toneelvertoningen. Toch is dat niet de essentie van Raguzzini’s kunst.

Scherpslijpende tijdgenoten verweten Raguzzini, en met hem al zijn Napolitaanse landgenoten, dat zijn kunst “slechts” decoratief was. Ze hadden gelijk, maar begrepen de draagwijdte van hun eerbetoon niet. Raguzzini voegde dingen toe aan een bestaande werkelijkheid, zonder het primaat van die werkelijkheid te ontkennen. Creatief was hij niet – de schepping ex nihilo komt slechts God toe, al denken de romantici van alle tijden daar anders over.

 

Raguzzini_by_Ghezzi

Een karikatuur van Raguzzini door zijn tijdgenoot Pier Leone Ghezzi