Met een Witte Roos in het kraaiennest

Als we bij Geheime Nederlanden in het kraaiennest klimmen om te zoeken naar bevriende eskaders, hebben we een stevige kijker nodig. Paradoxaal genoeg zien we ver landinwaarts een vloot die ons te hulp koerst. Als we u zeggen dat ze haar thuishaven in Wenen heeft, verbaast dat allicht al minder.

Sinds 1988 houdt het tijdschrift Die Weisse Rose haar lezers ongeregeld een spiegel voor. Dat doet ze in de meest diverse vormen, van vlugschriften die door de actualiteit worden geïnspireerd, over een vaker verschijnende reeks losse bedenkingen tot heuse cahiers waarin een thema grondiger wordt uitgewerkt.

Zo verscheen eerder dit jaar een kort essay van Christopher Rausch “Zur Kritik der Technik”, waarin een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen het zinvolle gebruik van techniek in een samenleving die haar betekenis elders weet te vinden enerzijds en anderzijds de technificatie van een samenleving die hart en ziel verloor. Rausch legt pertinente verbanden tussen techniek en massificatie en identificeert de inherente drang naar perfectionisme in het technische denken. Terecht wijst hij erop dat het grootste slachtoffer van een fout begrepen gebruik van de techniek niet het milieu of de natuur, maar de mens is.

Eerder verschenen in dezelfde formule ook essays over de geschiedenis van Oostenrijk, marxisme en conservatisme, de heilige Klemens Maria Hofbauer en ecologie.

Hart en ziel van de Weisse Rose is de historicus Albert Pethö, die onder meer naam maakte met een grondige studie van de Oostenrijks-Hongaarse geheime diensten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Pethö combineert een snedige stem met stevige beginselen en grondige feitenkennis. Voeg daarbij nog een elegante pen, die de Duitse taal met Weense klasse hanteert en het genoegen wordt compleet.

Meer over Die Weisse Rose leest u op http://www.die-weisse-rose.at/index.php?id=12

Het abonnement op dit blad, dat wij warm aanbevelen, kost u 30 € (of- zoals de redactie malicieus opmerkt – een equivalent bedrag in daalders). Dat bedrag kan u storten op

Österreichische Volksbanken Aktiengesellschaft
Konto Nr.: 314 209 900 09; Bankleitzahl 43 000
IBAN: AT42 4300 0314 2099 0009
BIC/SWIFT-Code: VBWIATW1  

De droevige st(r)aat van Lazare Carnot

Van de wat rustiger zomerdagen maak ik graag gebruik om enkele oude vrienden op te zoeken, onder meer in Antwerpen. Bij aankomst in het imposante centraal station, vroeger bij wijze van purisme vaak Middenstatie genoemd, valt mijn blik keer op keer op een straat waarvan ik me afvraag of ze afstotelijker is dan haar naam, of omgekeerd.

De CarnoTstraat

Het gaat over de Carnotstraat, ter plaatse uitgesproken met een harde t, dus niet op zijn Frans. Toch is ze vernoemd naar Lazare Carnot, een voorman van de Franse revolutie die geen zinnig mens als aanvaardbaar gezelschap zou omschrijven. Carnot stemde voor de executie van Lodewijk XVI en bevorderde het genocidaire optreden van het republikeinse leger in de Vendée. Dat deed hij wel op een slinkse wijze, door de generaals op het terrein brieven te sturen die zij enkel konden interpreteren als een volmacht om hoeven en dorpen in brand te steken en ook vrouwen en kinderen te vermoorden. Alleen stond dat er niet met zoveel woorden in. De scherpzinnige historicus van de Vendée Reynald Secher combineerde echter Carnots brieven met de teksten waarop ze een antwoord waren en het resultaat was niet vatbaar voor discussie.

Reynald Secher komt tot een helder besluit

Als het erom gaat dorpen te verbranden, was Carnot trouwens recidivist. In 1814 voerde hij namens Napoleon het bevel over de stad Antwerpen, die omsingeld werd door geallieerde troepen. In Berchem en Kiel zullen ze het geweten hebben – die dorpen werden net als in de Vendée platgebrand. Carnot was blijkbaar goedgemutst, want de inwoners werden niet over de kling gejaagd.

Op 6 april 1814 deed Napoleon in Fontainebleau troonsafstand en vond de eerste restauratie van de legitieme koningen plaats. Voorlopig werd afgesproken voor de belegerde steden een status quo te behouden. Antwerpen bleef dus even (om precies te zijn tot 4 mei) in Franse handen – alleen niet in naam van een Corsicaanse korporaal, maar in naam van Zijne Meest Christelijke Majesteit Lodewijk XVIII, de broer van de man die onder meer door Carnot ter dood was veroordeeld.

Carnot, die niet aan zijn eerste verloochening toe was, liet lustig muntstukken slaan waarop het koninklijke L-monogram het keizerlijke N-monogram verving. Op 4 mei verliet hij Antwerpen en keerde terug naar Parijs – waar hij bij de terugkeer van Napoleon in maart 1815 prompt alweer van kamp wisselde en minister van binnenlandse zaken werd in de efemere regering die door Waterloo naar de scheurmand van de geschiedenis werd verwezen.

Een uiting van Carnots efemere royalisme

Dat er nadien geen plaats voor hem was in Frankrijk en hij in ballingschap werd gestuurd, zal geen zinnig mens verwonderd hebben.

Dat hij in 1889, onder het presidentschap van zijn kleinzoon Sadi Carnot, werd herbegraven in het Pantheon, mag ook niemand verbazen die de schaamteloosheid van de Franse derde republiek wat kent.

Dat hij in 1846, onder het burgemeesterschap van de katholieke unionist Gérard le Grelle een straatnaam kreeg, begrijpt echter geen zinnig mens. Zijn (intussen verdwenen) standbeeld in Borgerhout kan met veel goede wil als een platte bedanking worden beschouwd voor het feit dat die gemeente het lot van Berchem en Kiel niet hoefde te delen – maar een straatnaam voor een genocidair! Wil iemand daar toch nog even kritisch naar kijken. Het hoeft niet in orde te zijn voor mijn volgende bezoek aan de Scheldestad, maar even nadenken mag echt wel.

Maneamus quod sumus

Als iemand een vlottere vertaling van de Luxemburgse wapenspreuk kent, of liever nog een vertaling die enige officiële erkenning geniet – hij weze welkom. Wij hebben het niet verder gebracht dan deze titel als equivalent voor het Mir wëlle bleiwe wat mir sinn.  Dat de Luxemburgers een ingeboren zin voor loyaliteit en trouw hebben, staat echter buiten kijf. Ten goede en ten kwade.

Reeds onder Jozef II bleek de trouw aan de vorst voor Luxemburg sterker te wegen dan de verdediging van de aloude rechten. En is het toeval dat na 1830 vooral in Luxemburg baronnen, boeren en burgers naar de wapens grepen ter verdediging van Willem I? Het zou net iets te eenvoudig zijn om deze feiten alleen te verklaren door te verwijzen naar de aanwezigheid van stevige troepenmachten in de vesting Luxemburg. Die liet haar invloed immers niet voelen tot de grenzen van het Groothertogdom. Overigens was het minstens even afschrikwekkende Maastricht geen reden voor opmerkelijke antirevolutionaire woelingen in Limburg, misschien wel integendeel…

Ach, wat. Doet het militaire en het politieke er uiteindelijk wel toe? We overschatten het in alle geval.

Het culturele beeld is echter niet merkelijk anders. Ook religieus en artistiek is er in het Groothertogdom (in zijn historische grenzen, dus inclusief de huidige provincie Luxemburg in België) meer vasthoudendheid te vinden dan op vele andere plaatsen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de architectuur van de openbare gebouwen. Eerder toonden we al hoe de waterstaatstijl in de kerkenbouw in Luxemburg bleef voortleven. En tot ver in de Belgische periode werden in Luxemburg gerechtsgebouwen opgetrokken in een klassieke stijl die elders in het koninkrijkje was ingeruild voor een pompeuze neogotiek of neobyzantinisme, afhankelijk van de levensbeschouwelijke achtergrond van bouwheer en architect.

Genoeg gepraat, enkele voorbeelden.   

De Sint-Walburgiskerk van Chiny (1829)
De Sint-Michielskerk van Neufchateau (1842-44)
Het gerechtsgebouw van Marche en Famenne (1853)

In memoriam Ludwig Carl von Ottweiler (+ 16 augustus 1799)

In de jaren 1883-1893 was een van de hete hangijzers in de politiek van het Zwitserse kanton Uri de vraag of het al dan niet mogelijk was een monument op te richten voor de Russische generaal Alexander Vassilievitz Suworow (1730-1800). Tegenstanders oordeelden dat de Zwitserse neutraliteit belette dat er hulde werd gebracht aan buitenlandse veldheren, hoogstens konden de slachtoffers van een oorlog worden herdacht. Voorstanders wezen erop dat Suworow bij zijn hardnekkige weerstand tegen de troepen van de Franse republiek in het Gotthardgebied de steun kreeg van de plaatselijke bevolking. De voorstanders haalden het en het monument staat vandaag discreet maar welsprekend naast de zogenaamde Duivelsbrug.

Het Suworow-monument

Hoort dit verhaal dan thuis op Geheime Nederlanden? Heel zeker, want in de gevechten tussen de Fransen en de Oostenrijks-Russische verbondenen sneuvelde op 16 augustus 1799, vandaag dus exact 222 jaar geleden Ludwig-Carl rijksgraaf van Ottweiler.

Waarom de 23-jarige kapitein in het Oostenrijkse leger de naam Ottweiler droeg, was een lang verhaal. Eigenlijk was hij een Nassau-Saarbrücken, zijn vader was de in 1794 overleden laatste regerende vorst van dat wat vergeten Nassau-vorstendom.

Waarom droeg hij dan diens naam niet? Dat had alles te maken met zijn moeder, de bloedmooie boerendochter Katharina Kest, beter bekend als das Gänsegretel. Katharina begon haar loopbaan aan het hof als oppas voor de kinderen van de vorst en diens maîtresse barones von Dorsberg. Na verloop van tijd nam ze echter de taak van de barones over, met zeven kinderen als gevolg. Ludwig Carl was de tweede zoon, maar de eerste die in leven bleef.

Katharina Kest

Na het overlijden van de wettige echtgenote van Lodewijk van Nassau-Saarbrücken overtuigde die keizer Jozef II de feitelijke verhoudingen ook rechtens te laten gelden. De kinderen van de vorst en Katharina Kest werden gelegitimeerd en ontvingen de titel rijksgraaf van Ottweiler. Lodewijk en Katharina huwden en Katharina werd formeel voorgesteld als regerende vorstin van Nassau-Saarbrücken. Dat gebeurde onder protest van de andere ondertekenaars van het Nassause Erfakkoord van 1783. Met name de regerende vorsten van Nassau-Weilburg en vooral Nassau-Usingen meenden dat zij, en niet de kinderen van een ganzenhoedster de wettige erfgenamen dienden te zijn van het vorstendom Nassau-Saarbrücken. Vermits kroonprins Heinrich nog in leven was, bleef het protest beleefd en hypothetisch. Toen deze echter in 1797 in ballingschap overleed, werden de verhoudingen meer gespannen.

Uiteindelijk bleek de vraag zonder voorwerp. De revolutionaire pletwals deed Nassau-Saarbrücken voorgoed van de kaart verdwijnen. Na Napoleons nederlaag was er geen sprake van enig herstel, de enige vraag was welke gulzige mogendheid, Frankrijk of Pruisen, het grondgebied zou overnemen.

Ons komt het voor dat ook wie de legitimering door keizer Jozef II onvoldoende vond om de kinderen van Katharina Kest op de troon van Saarbrücken te zien komen, minstens overtuigd dient te worden door het offer van haar zoon Ludwig-Carl. Naast de legitimiteit van het bloed is er een legitimiteit van de daad, en die verdient respect. Vandaag is daar een goede gelegenheid voor.

Black Loyalists Matter!

Nooit hebben de loyalisten, zeg maar de koningsgezinde bewoners  ten tijde van de opstand van de dertien Britse kolonies in Amerika zich kunnen verheugen in grote belangstelling, om van sympathie nog te zwijgen. Dat is zo mogelijk nog sterker het geval voor de loyalisten van Afrikaanse origine die zich militair hadden geëngageerd tegen de opstandige kolonisten. Nochtans moet hun aantal belangrijk zijn geweest, als blijkt dat een tienduizendtal van hen na de oorlog collectief werd geëvacueerd naar Canada, de Bahama’s of Sierra Leone.

Aan de oorsprong van het Afrikaanse engagement aan Britse zijde lag een proclamatie uit 1775 van Lord Dunmore, gouverneur van Virginia, waarin hij iedereen opriep de rechten van de kroon te verdedigen. Aan wie door opstandelingen tot slaaf waren gemaakt, beloofde hij de vrijheid indien zij de wapens zouden opnemen voor Koning en Vaderland. Andere gouverneurs volgden Dunmores voorbeeld en weldra werden er heuse Afrikaanse regimenten opgericht.

Het meest gekende ervan het Royal Ethiopian Regiment, dat weinig met dat land te maken had, maar wel de herinnering opriep aan een koninkrijk met oude adelbrieven. Daarnaast waren er nog de Black Pioneers, de Black Brigade en de Negro Volunteers.

Het erfgoed van de zwarte loyalisten werd gedurende tweehonderd jaar niet bepaald gekoesterd. In Amerikaanse ogen waren het verraders, die niet beseften hoe goed zij het wel hadden bij hun meesters die de werken van Thomas Paine en Rousseau van buiten kenden. Abolitionisten werden niet graag herinnerd aan massale bevrijdingen van slaven, een eeuw vooraleer iemand van Abraham Lincoln had gehoord. En radicale Afro-Amerikaanse militanten konden zich niet voorstellen dat bevrijding te maken zou kunnen hebben met loyaliteit aan een verre koning. In het beste geval werden de loyalisten voorgesteld als naïevelingen, die niet in staat waren het belang van hun klasse en ras te duiden in de enige ware zin, namelijk die van de revolutie.

Als het de loyalisten een troost kan zijn, ze delen dat lot met vele anderen. Overal ter wereld is het de apologeten van de revolutie een raadsel hoe men arm of zelfs verdrukt kan zijn en toch afwijzend kan staan tegenover de revolutie. In Rotterdam ervoer Kaat Mossel aan den lijve wat dat kan betekenen. De boeren in de Vendée gingen de lokale edellieden weghalen op hun kastelen om op te trekken tegen de jakobijnen – en worden tot op heden geminacht door politici en academici, die de alliantie tussen elites en de gewone man tegennatuurlijk vinden. En is onze eigen houding tegenover de Republik Maluku Selatan wel zo fundamenteel anders?

De recente toename van de belangstelling voor het erfgoed van de Black Loyalists kunnen we dus enkel toejuichen. Onze leuze is: Black Loyalists Matter! Gisteren en vandaag.

In vino veritas

Wat zullen we drinken, zeven dagen lang, zong Rapalje in de jaren negentig – en wie oud genoeg is, herinnert zich zelfs nog de versie van Bots uit 1976. Eigenlijk is het lied zelfs ouder, het ontstond als het ciderlied in Bretagne in het interbellum.

De kans dat we ons op de fles cider werpen, is bijzonder klein, maar in de zomer doen we ook op dit vlak wel eens iets geks.

De eerste zomerzotheid heet Caves, met het accent op de laatste lettergreep. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat  de zotheid in kwestie deze zomer niet heel actief is beoefend, omdat de aanvoer van dit typische bier uit het Brabantse stadje Lier enigszins achterbleef.

Het bier is amberkleurig, maar lijkt verder in niets op de traditionele amberbieren. Het is de herschepping van een Liers bier uit de zeventiende eeuw, dat echter lichtblond was en een hoger alcoholpercentage had. Zo toont het ervaringsgewijs aan dat een restauratie soms minder lijkt op het verleden dan we zouden denken.

Maar wat een complexiteit! Frisse, zure en zoete toetsen botsen met elkaar, zonder de harmonie te verstoren. Ik behoor tot de snellere drinkers, maar als het over Caves gaat, ga ik op de rem staan. Voor mij is het bij uitstek een zomerbier, dat ik op het terras een welgekozen lectuur laat begeleiden. Die seizoenkeuze is overigens niet origineel, want ook over de oude Caves werd geschreven dat het in de zomer veel gedronken werd. Waarom zouden we onze voorouders ook tegenspreken?   

Mijn andere lafenis voor de zomer is het gevolg van stomme verbazing. Op een dag las ik immers dat Charles Maurras een liefhebber was van rosé wijnen – niet bepaald het drankje dat men associeert met deze denker die dermate consequent was, dat hij soms stug werd. Bij nader toezien bleek de omschrijving echter niet correct te zijn: Maurras hield van de Tavel, een karaktervolle Rhônewijn die enkel als rosé wordt geproduceerd.

In tegenstelling tot de Caves, kan de Tavel niet bogen op een aloude geschiedenis: pas in 1936, toen Maurras de zeventig naderde, kreeg de wijn zijn eigen oorsprongsbescherming. En toch past hij in het plaatje. Balzac, die ook een liefhebber was, liet optekenen dat de Tavel zowat de enige roséwijn was die voor langere bewaring in aanmerking kwam. Als dat geen reactionair statement is!

Overigens schreef Maurras zelf een werkje Le Pain et le Vin, waarin de bereiding van de brood en wijn als aanleiding wordt genomen voor een reflectie over wie de mens is. Het doet soms denken aan de meer ironische Vergulde druiventros van Werumeus Buning. Beide teksten verschenen met een jaar verschil, respectievelijk in 1944 en 1943. Zou dat toeval zijn geweest?

Waar denkt een mens al aan, als hij met enkele vrienden de bodem van de fles Tavel ziet naderen?   

Traditionis Custodes – of hoe Napoleons Oude Garde het Rule Brittania zingt

Een van de voordelen van aangeboren traagheid is dat je zelden als eerste op gebeurtenissen reageert. Anderen zijn je voorgegaan en dat laat je de mogelijkheid hun standpunten te wikken en te wegen, en op te nemen in je eigen reflectie. Voor die traagheid heb ik mijn Schepper nog eens bedankt naar aanleiding van de publicatie van Traditionis Custodes.

Met die tekst heeft ZH Paus Franciscus de liturgie en zichzelf een slechte dienst bewezen – en dus ook de Kerk als geheel. Lezers van deze blog weten dat wij even weinig zin hebben in een adoratie voor de Paus die haast beledigend is door haar gebrek aan kritische zin, als in een op de spits gedreven wantrouwen dat neigt naar een vorm van moreel en intellectueel onverantwoord sedevacantisme. We noemden Paus Franciscus bij een vorige gelegenheid een restaurator en soms was hij dat ook. Recent heeft hij zich echter kennelijk meer toegelegd op afbraakwerken.     

Traditionis Custodes is een merkwaardig mengsel van enkele druppels gezond verstand en een paar stevige geuten onzin. Dat een halt wordt toegeroepen aan de organisatie van personele parochies die zich van andere parochies onderscheiden door hun gehechtheid aan de buitengewone vorm van de Romeinse ritus (men zal het ons niet kwalijk nemen dat we die benaming blijven hanteren), is begrijpelijk. Deze evolutie droeg niet bij tot de ontmoeting tussen beide vormen van de liturgie en kan in die mate contraproductief heten. Tegelijkertijd bant het motu proprio de buitengewone vorm uit de parochiekerken – en organiseert het dus langs een andere weg wat het probeert te vermijden.

Ik wil het voor nu bij dit voorbeeld houden, omdat ik ervan overtuigd ben dat dit kerkelijk document niet veel meer aandacht verdient. Het zal gauw vergeten zijn en in de tussentijd amper toegepast worden. Het is een document van een oude man die net een zware operatie heeft ondergaan en het signaal wil geven dat hij nog krachtig is. Het is een illustratie van de oude Bergogliopraktijk, die de Argentijnse jezuïeten zich zullen herinneren uit de tijd van zijn provincialaat en de gelovigen van het aartsbisdom Buenos Aires uit de tijd van zijn archiepiscopaat: een mep met de kromstaf, die niet gevolgd wordt door constructieve maatregelen.

Alleen werken dergelijke uitingen van autoritarisme enkel als het gezag wordt gevolgd en gerespecteerd. Dat is nu overduidelijk niet het geval. Zeker, een paar bisschoppen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om af te rekenen met de buitengewone vorm in hun bisdom. Veel meer bisschoppen hebben echter de omgekeerde weg gevolgd en aangekondigd dat niets zo veel gelijkenis zal vertonen met de tijd voor Traditionis Custodes als de tijd erna. Dat is bijvoorbeeld het geval in de Lage Landen. Van de Nederlandse bisschoppen verbaast dat niet echt, maar dat de Belgische bisschoppen in een opmerkelijk persbericht hebben aangekondigd dat zij zich van deze tekst niets zullen aantrekken en van de gelegenheid gebruik maken om te bevestigen dat zij het volste vertrouwen hebben in de gemeenschappen die de liturgie in de buitengewone vorm vieren, ligt hoegenaamd niet in de lijn der verwachtingen. Misschien veranderen ze nog van mening, maar voor nu laten de Belgische bisschoppen weten dat Franciscus’ woedeaanval hen koud laat. Het is een beetje alsof de Oude Garde van Napoleon in Waterloo het Rule Brittania zou hebben ingezet.

Ook daarom is het wat sneu dat een aantal traditievriendelijke stemmen bijzonder scherp hebben gereageerd op Traditionis Custodes. Het document is dat niet waard. Het is een uiting van een fin de règne, dat nog het best vergeleken kan worden met allerlei heroïsche bevelen die vertrokken uit de hoofdkwartieren van autoritaire leiders aan de vooravond van hun ondergang. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel verwijst straks een nieuwe paus het stuk naar de scheurmand (wat voor iedereen de beste oplossing zou zijn), ofwel wordt het vergeten wegens al te irrelevant.

Dramatische uitroepen hebben nu niet veel zin. Een schisma is niet dichterbij of verder af sinds 16 juli 2021. De conflicten in de Kerk zijn niet wezenlijk heviger geworden, al zijn vele gelovigen geschrokken door dit Bergoglisme (helaas niet het eerste – waaraan onderstaande Romeinse affiche uit 2017ons mag herinneren). En tot slot: met autoritaire uitspraken is niets mis, als ze doordacht zijn en effectief gehoorzaamheid kunnen afdwingen. Dat is nu duidelijk niet het geval.     

Als Jacques de weg naar Hendrik toont

Niet iedereen was even laconiek als Jacques Du Phly, de Normandische clavecinist die al vele jaren in Parijs leefde en binnen het etmaal na de val van de Bastille het tijdelijke voor het eeuwige inwisselde. Het was 15 juli 1789. Een halve eeuw later zou zijn sterfdag overal in Frankrijk herdacht worden als een antidotum tegen de dollemansstoet die de dag voordien was begonnen – al waren Du Phly en zijn werk toen geheel en al, en onterecht, vergeten.

Oorzaak van de blijdschap op 15 juli was de kleine Hendrik, l’enfant du Miracle, de postume zoon van de hertog van Berry, die de oude monarchie van het huis Bourbon nieuwe levenslust gaf. Later zou hij bekend staan als graaf van Chambord en een symbool worden van de onkreukbaarheid van het Franse koningshuis. Vanaf 1830 vierden de getrouwen van de legitieme dynastie overal te lande het naamfeest van hun vorst, tot nijd van degenen die beseften dat er geen Louis-Philippe in de heiligenkalender voorkwam. De kans dat de peervormige burgerkoning tot de eer der altaren zou worden verheven, gold ook als beperkt, zeker na zijn weinig subtiele gedrag tijdens en na de Julirevolutie van 1830. Elk devoot gebed tot de heilige Henricus was dus een steek in het hart van orleanistisch Frankrijk.  

Gardesoldaten vieren Sint-Hendriksdag tijdens de Restauratie

En toch was de devotie tot de heilige Hendrik ouder, zeker in de Zuidelijke Nederlanden. Tijdens de efemere Verenigde Nederlandse Staten groeide immers de devotie tot de patroonheilige van de inspirator van het verzet tegen het Jozefisme, Hendrik van der Noot. Dat zijn naamfeest de allures van een nationale feestdag kreeg, was ook een uiting van subtiele kritiek aan het adres van een politieke tegenstrever.

De heilige Henricus uit het huis van de Ottonen was immers Rooms keizer (1014-1024) en dus een verre voorganger van Jozef II. Hendrik toonde aan dat het wel mogelijk was keizer te zijn en God te dienen, in die mate zelfs dat hij in 1146 tot de eer der altaren werd verheven. Zijn feestdag wordt dezer dagen op zijn sterfdag, 13 juli, gevierd, maar noch Du Phly, noch de graaf van Chambord, noch Hendrik van der Noot, noch de heilige keizer zelf hebben er enig bezwaar tegen indien u morgen het aloude feest in ere houdt met dit gebed: 

Deus, qui hodierna die beatum Henricum Confessorem tuum e terreni culmine imperii ad regnum æternum transtulisti: te supplices exoramus; ut, sicut illum gratiæ tuæ ubertate præventum, illecebras sæculi superare fecisti, ita nos facias, ejus imitatione, mundi hujus blandimenta vitare, et ad te puris mentibus pervenire. Per Dominum nostrum Jesum Christum, Filium tuum: Qui tecum vivit et regnat in unitate Spiritus Sancti Deus: per omnia sæcula sæculorum. R Amen.   

Sint-Hendrik omringd door figuren die we couranter associëren met 14 juli

Een graf in Westmalle

Nu het weer iets makkelijker is om de Lage Landen te doorkruisen, heb ik me voorgenomen bij een volgende tocht naar het zuiden halt te houden bij de abdij van Westmalle. Ik was er nog niet vaak en associeer het aloude hertogdom Brabant meer met de abdijen van de Witheren dan met die van de cisterciënzers van de strikte observantie – in het volle besef dat de meeste mensen daar precies het omgekeerde over denken. Nu is er echter een bijzondere reden: als het nog kan, zou ik graag een groet gaan brengen aan het graf van koning Willems opperaalmoezenier, de Mechelaar Jan-Antoon Buydens.

De notariszoon Buydens werd geboren op 28 oktober 1760 en studeerde in het vermaarde college van de paters Oratoren van zijn geboortestad. In Leuven bestudeerde hij de wijsbegeerte en de godgeleerdheid en in 1786 werd hij priester gewijd. Tijdens zijn Leuvense periode behoorde hij tot de omgeving van Jan Frans van de Velde, de Beverse eximius die een van de meest scherpzinnige observatoren van zijn tijd was. Na een kort verblijf bij de ongeschoeide karmelieten in Charenton, trad Buydens toe tot de seculiere clerus van het bisdom Brugge, waar bisschop Brenart hem te hulp riep om zijn programma van katholieke verlichting in anti-jozefistische geest gestalte te geven. Buydens ging doceren aan het Brugse Grootseminarie en werd in 1791 kanunnik in het kapittel van de bisschopsstad.

Het Mechelse Oratorencollege

Niet onverwacht weigerde Buydens alle door de Franse republiek geëiste eden af te leggen, zodat enkel zijn onderduiken hem behoedde voor de deportatie naar Cayenne. Bij het herstel van de eredienst werd Buydens eerst pastoor van Onze-Lieve-Vrouw in Brugge en later deken van Gistel, dat voortaan tot het bisdom Gent behoorde.

Ook de Gentse bisschop de Broglie erkende Buydens’ kwaliteiten en stelde hem aan als vicaris-generaal tijdens zijn afwezigheid. Daar eindigde echter de verstandhouding tussen beide mannen – wat Buydens enkel kan sieren (zelfs de Broglies vader moest erkennen dat zijn zoon beter was in het intrigeren dan in het aanhouden van heldere principes). Buydens weigerde zijn bisschop te volgen in zijn nationaal-politiek geïnspireerd verzet tegen het Koninkrijk der Nederlanden en meende, net als de latere Mechelse aartsbisschop de Méan, dat de eed op de Grondwet van 1815 voor katholieken geen gewetensprobleem hoefde te veroorzaken. Rome zou hem gelijk geven, de Broglie vergaf het hem nooit.

Van zijn kant ging Buydens de weg die hij had gekozen consequent verder en aanvaardde hij een benoeming als hoofdaalmoezenier van het leger van Zijne Majesteit. De opdracht was eervol, maar niet eenvoudig. Het militaire wereldje stond niet bekend als erg devoot en Buydens diende met beperkte middelen een haast onmogelijke opdracht te vervullen. Gelukkig genoeg kon hij rekenen op de steun van een paar gelovige officieren en op de bijkomende aalmoezeniers die waren meegekomen met de Zwitserse regimenten.

De Nederlandse kazernes van Dendermonde

Buydens loyaliteit aan de Koning was oprecht, maar niet grenzeloos en als er een echt loyaliteitsconflict optrad tussen Koning en Paus, was de keuze snel gemaakt. In  1826 meenden een paar ambtenaren van het departement van eredienst dat een pauselijke bulle enkel kon worden bekendgemaakt na statelijk placet. Het placet werd verleend, maar de bisschoppen meenden unisono dat daartoe geen reden was en weigerden de bulle bekend te maken. Ook Buydens hield het been stijf, hoewel hij minder onafhankelijk stond tegenover de regering dan de bisschoppen. Zijn ontslag als hoofdaalmoezenier was dan ook het logische gevolg.

Wie had gehoopt in hem een luidruchtig bondgenoot de vinden voor het opkomende monsterverbond van de oppositie, was eraan voor de moeite. Buydens trok zich terug op de Katsberg, de schepping van Nicolaas Ruyssen (zie Geheime Nederlanden van 22 mei 2020). Na enige tijd noopte zijn gezondheid hem terug te keren naar zijn geboortestad, waar hij een leven van gebed leidde, slechts onderbroken door bezoeken aan bevriende religieuze huizen, zoals die van de paters redemptoristen, jezuïeten of trappisten. Tijdens een van die bezoeken aan het Gentse jezuïetenhuis overleed hij op de symbolische datum van 21 januari 1838.

Hans-Joachim Schoeps: een alternatief voor de ‘abendländische Abfallgeschichte’

In de schier eindeloze rij van ten onrechte vergeten denkers hoort zonder enige twijfel de enigmatische Hans-Joachim Schoeps (1909-1980) thuis. Hoewel hij te jong was om tot de eigenlijke George-groep gerekend te worden, roept zijn denken meermaals herinneringen op aan dat van de meester van Bingen en diens volgelingen. Als het erom gaat feitelijke invloed op Schoeps te onderscheiden, heeft de zogenaamde “bündische” jeugdbeweging ongetwijfeld grotere impact op hem gehad.

Schoeps was als religiewetenschapper vroegrijp en uiterst productief. In 1932 promoveerde hij in Leipzig op de geschiedenis van het Joodse denken over religie in de vroegmoderne tijd en voor het uitbreken van de wereldoorlog volgden nog vier andere titels. Het meest ophefmakende was een tweespraak met de gloeiende antisemiet Hans Blüher, onder de titel Streit um Israel.

Schoeps was immers zelf Joods, bewust en trots, net zoals hij bewust en trots Duits, of preciezer Pruisisch was. In zijn ouderlijk huis werd ook na 1918 op feestelijke dagen met de oude Pruisische kleuren gevlagd, en dat heus niet alleen om de keuze tussen de Rijksvlag en de kleuren van de Republiek te kunnen vermijden. Voor Schoeps was de Pruisische traditie niet gekenmerkt door militarisme en kadaverdiscipline, wel door ascese en rechtsstatelijkheid. Voor dat erfgoed, dat tot op grote hoogte ook dat van zijn geloofsgenoot Friedrich Julius Stahl was, bleef hij zich levenslang inzetten, ook nadat Pruisen officieel was opgeheven. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw was hij de motor achter groepen die voor of achter de schermen ijverden voor de herinrichting van de Pruisische monarchie onder het huis Hohenzollern.

Zijn dubbele Duits-Joodse loyaliteit zette hem ertoe aan na 1945 uit zijn Zweedse ballingschap terug te keren naar Duitsland en daar te gaan doceren aan de universiteit van Erlangen. Comfortabel was het niet: zionistische geloofsgenoten verweten hem niet naar Israël te komen, voor voormalige nationaalsocialisten was Schoeps, wiens beide ouders in de kampen werden omgebracht, een levend verwijt en progressieven van alle slag vonden in hem dan weer een hardnekkige tegenstrever.

Hans-Joachim Schoeps houdt een feestrede voor het Coburger Convent (1971)

Keer op keer verbaasde Schoeps vriend en vijand door zijn vermogen schijnbaar onverzoenlijke tradities met elkaar te verbinden. Net voor zijn vertrek uit Duitsland had hij de leiding genomen over de Deutscher Vortrupp. Gefolgschaft Deutscher Juden, die de vormen van de Duitse jeugdbeweging in een Joodse omgeving ingang wou geven. De jeugd beschouwde hij als een van de standen in een op Othmar Spann geïnspireerd beeld van een Pruisische standenstaat, net zoals hij de Joden beschouwde als een van de volkeren die het verenigde Duitsland samenstelden.

Na de oorlog lag hij aan de basis van het nog steeds verschijnende Zeitschrift für Religions- und Zeitgeschichte, waarin hij zijn visie op de moderniteit als een verhaal van abendländische Abfallgeschichte onderbouwde. Het was Schoeps’ tragiek dat zijn laatste levensjaren precies een versnelling van die geschiedenis van verval leken te vertonen. Ook de Wiedervereinigung, waarin Schoeps en de zijnen een momentum leken te zien voor een mogelijke meer omvattende restauratie, zou hem niet gebracht hebben wat hij verlangde. Schoeps was echter nuchter genoeg om te weten dat de namen die op de monumenten vermeld worden net die zijn van degenen die de overwinning niet mochten meemaken.