Land en zee, kruis en halve maan

Mijn Romeinse lievelingskerk? De San Carlino, zonder enige twijfel, al vind ik het diminutief onrechtvaardig voor de creativiteit van Borromini.

San Carlo alle Quattre Fontane, Borromini’s trinitarische meesterwerk

Wat weinig mensen weten is dat deze kerk geen parochiekerk, maar een kloosterkerk is en de Romeinse stek van de oorspronkelijk Frans-Spaanse kloosterorde van de Trinitatiërs. Die ijverde voor de bevrijding van christenslaven uit de handen van Noord-Afrikaanse zeerovers en hun klanten. Ze richtte talloze broederschappen op ter ere van de Heilige Drievuldigheid, waar geld werd ingezameld om de torenhoge afkoopsommen voor de gevangen christenen te kunnen voldoen.

Om vanzelfsprekende redenen was de orde met name populair waar het risico van een  piratenraid een dagelijkse realiteit was, met andere woorden in het bekken van de Middellandse Zee. De barbarijse zeerovers waagden zich echter ook geregeld in wildere wateren, zodat ook langs de kusten van de Atlantische Oceaan en de Noordzee kloosters en broederschappen ontstonden.

De Drie-eenheid waakt over de slaven. Antwerpen, Sint-Jacobsmarkt

In de Lage Landen betekende dit dat met name in het graafschap Vlaanderen instellingen van trinitarische spiritualiteit werden opgericht. Ook elders waren echter broederschappen, zoals in Brussel, Antwerpen, Mechelen en Diest en zelfs in de Hollandse Zending na de scheiding der Nederlanden. Kloosters waren er opvallend genoeg enkel in de romaanse Nederlanden, zoals in Orival bij Nijvel en in Bastenaken. Een omvattende studie over de Trinitariërs in de Lage Landen ontbreekt nog.

Het voormalige refugiehuis van Orival in Nijvel

Toen Jozef II zijn opleiding tot koster aanvatte, was een van zijn eerste maatregel de opheffing van de trinitarische broederschappen. Het gevaar voor ontvoering door islamitische piraten leek hem geweken en de broederschappen bezaten nogal wat financiële middelen, die misschien niet beter, maar wel anders konden worden gebruikt door de overheid.

In welke mate de tweede reden belangrijker was dan de eerste, zou blijken in augustus 1816, toen een gecombineerde Engels-Nederlandse vloot de stad Algiers bombardeerde als represaille voor het ontvoeren van een aantal Europese zeevarenden. De Nederlandse marine, onder bevel van vice-admiraal Van de Capellen, verloor er 22 zeelui. Al zijn er zeker gelijkenissen te vinden tussen Jozef II en Willem I, hun beleid ten aanzien van de Maghreb verschilde alvast fundamenteel.

Het bombardement van Algiers op 27 augustus 1816 door Martinus Schoeman

Amper veertien jaar later was het definitief gedaan met de barbarijse zeeroverij. Als een saluutschot  van de steeds weer ondermijnde Resturatiemonarchie in Frankrijk veroverden de troepen van koning Karel X begin juli 1830 onder leiding van maarschalk Louis de Bourmont het huidige Algerije. Drie weken later kwam het Parijse geteisem in opstand en kroop Louis-Philippe richting troon. De stijlvolle houding van het nieuwe regime werd aangegeven, toen Bourmont, die niet wenste te dienen onder een andere vorst dan de legitieme, werd verboden gebruik te maken van een Frans schip op huiswaarts te keren met het hart van zijn in Algerije gesneuvelde zoon als voornaamste bagage. Enkele maanden later zou hij in Den Haag verschijnen, waar hij de hertogin van Berry bijstond bij de voorbereiding van haar drieste poging om de Vendée nogmaals te mobiliseren tegen de revolutionaire hydra, die nu een nieuwe gestalte had aangenomen. Dat is echter een andere geschiedenis.

Maarschalk Louis de Bourmont

Waren het enkel de omstandigheden die Bourbon en Oranje enerzijds en Habsburg anderzijds zo uiteendreven bij de keuze van een beleid ten aanzien van de islamitische wereld? Deels was dat zeker het geval, maar misschien was er meer. Tussen eerstgenoemde landen en de Sublieme Porte en haar verzelfstandigde onderdelen lag de zee. Die liet toe harde confrontaties uit te vechten, maar ook bondgenootschappen te sluiten, zoals de Franse kroon meermaals illustreerde.

Die luxe hadden de Habsburgers niet. De Porte was hun buur op het land, waarmee men vaak een modus vivendi diende te vinden, maar die nooit een bondgenoot kon zijn.

Carl Schmitt beschreef in Land und Meer hoe het onderscheid tussen landratten en zeeschuimers de geschiedenis en het volkenrecht geboetseerd heeft. De Trinitariërs voegen een dimensie toe aan zijn verhaal.

Conservati fedele, Weilburg!

Velen kennen de charmante aria die Wolfgang Amadeus Mozart schreef op Pietro Metastasio’s tekst “Conservati fedele”. De melodie is zo trefzeker dat enkel het lage nummer in de Köchelcataloog ons eraan herinnert dat het Salzburgse wonderkind dit werk schreef toen hij amper negen jaar was.

Dat deed hij overigens in ’s Gravenhage waar hij op concertreis was. Het werk werd opgedragen aan prinses Carolina van Nassau-Weilburg, geborene Oranje-Nassau, de oudere zus van stafhouder Willem V. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat het heeft weerklonken op een van de gedenkwaardige feesten in het paleis Nassau-Weilburg, nu de Haagse Schouwburg.

De tekst is even soepel als helder, zoals je dat van Metatstasio kan verwachten.

Conservati fedele;

Pensa ch’io resto, e peno,

E qualche volta almeno

Ricordati di me.

Ch’io per virtù d’amore,

Parlando col mio core,

Ragionerò con te.

Het gaat hier over trouw, de amoureuze trouw die zo vaak een metafoor is geweest voor andere vormen van trouw. Alle hebben ze echter met elkaar gemeen dat ze betrekking hebben op het menselijke. Trouw aan God is slechts denkbaar omdat God mens is geworden. Trouw aan een idee omdat die onverbrekelijk verbonden is met haar bedenker.

Een mooie illustratie van menselijke trouw gaf overigens aanleiding tot de bouw van een slot dat Weilburg heette. Aartshertog Karl van Oostenrijk, de laatste Habsburgse landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, huwde in 1815 met prinses Henriette van Nassau-Weilburg, een kleindochter van prinses Caroline. Ze werd geboren in Bayreuth, toen haar ouders daar op de vlucht waren voor het revolutionaire geweld. Hoezeer de familie zich met de Lage Landen verbonden bleef voelen, blijkt uit de naamgeving van Henriettes oudste broer, die als derde doopnaam Belgicus, de Nederlander meekreeg.

Omdat hij vreesde dat zijn jonge echtgenote heimwee zou krijgen, schonk aartshertog Karl haar een slot dat niet enkel de naam droeg van haar thuisstad, maar er ook de sfeer van moest ademen. Ongewild – of niet – bouwde hij zo ook een monument voor de eenklank tussen de twee families die het meeste vorm hebben gegeven aan de Lage Lande, Habsburg en Nassau.

Een monument voor de eeuwigheid mocht de Weilburg niet worden. Bij het einde van de Tweede Wereldoorlog maakten Sovjettroepen een puinhoop van het kasteel, dat de vijandelijkheden nochtans goed doorstaan had. Indien ze het had gezien, zou Henriette ongetwijfeld gelijkenissen hebben vastgesteld met de beeldenstormers en sansculotten van haar tijd.

En toch: de zogenaamde wapensteen, waarin het alliantiewapen van aartshertog Karl en prinses Henriette was afgebeeld, overleefde als bij wonder de barbarij. Alsof het ons toezingt: conservati fedele!  

De wederkomst volgens Jan Andries Anneessens

De steen die de bouwlieden hadden verworpen is tot Hoeksteen geworden, sprak de Heer. Voor deze Paasdag is het een zinvol woord ter overweging, dat ons herinnert aan de vergankelijkheid van het menselijke oordeel, hier en hoeveel meer nog aan de Overkant. Een exempel daarvan mag het leven van Jan Andries Anneessens (1689-1767) zijn.  

Bij sommigen doet de naam Anneessens nog een belletje rinkelen, maar dan gaat het om de gildedeken Frans, die in 1719 werd onthoofd op bevel van de kortstondige landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden markies de Prié. Anneessens stond voor het behoud van de stedelijke en landelijke privileges waarmee Prié komaf wou maken in naam van grotere gelijkvormigheid en efficiëntie. De pogingen van zijn zoon Jan Andries om zijn vader op borgtocht vrij te laten, bleven vruchteloos.

Je zou verwachten dat de zoon van een wegens oproer terechtgestelde vader in de strenge dagen van voor de Revolutie het voorwerp zou zijn geweest van vervolging en ostracisme. Welneen, in 1733 benoemde Priés opvolgster, landvoogdes Maria-Elisabeth hem zelfs tot hofarchitect. Dat zij de zaken anders bekeek dan haar voorganger, leek trouwens meer regel dan uitzondering te zijn: zo libertijns Prié was, zo ultramontaans was Maria-Elisabeth en zo respectloos de ene omging met de wetten van het land, zozeer poogde de andere de noden van haar tijd tegemoet te komen binnen dat eeuwenoude kader. Misschien nog meer dan Maria-Theresia was haar tante Maria-Elisabeth (1680-1741)  de Landesmutter van de Zuidelijke Nederlanden. Reiziger, leg bij een volgend bezoek aan Wenen een bloem op haar kist in de Kapucijnercrypte.

Maria Elisabetha, Mater Belgorum

Terug naar Anneessens. Die bouwde voor de landvoogdes de stallingen voor haar paleis in Tervuren, waarin eerstdaags een hotel zou worden ingericht. Daarnaast voerde hij nog de meest uiteenlopende werken uit, onder meer voor de Leuvense universiteit. Aan het Heilige-Geestcollege in de Naamsestraat voegde hij een poortvleugel toe, die inmiddels is verdwenen.

De poortvleugel van het Heilige- Geestcollege

Toeval is het zeker, maar tot op zekere hoogte is alle duurzaamheid toeval. In het zelfde college woonde en werkte dertig jaar later de eximius Jan Frans van de Velde, die met woord en daad de wetten van stad, land en hogeschool verdedigde tegen een geestelijke nazaat van Prié, Jozef II. Zou iets van de geest van vader Anneessens in de muren van de poortvleugel hebben gezeten?   

De stallingen in Tervuren, Anneessens meest spectaculaire verwezenlijking

Louis Dimier, van de Savoie tot het hertogdom Kleef

Terwijl in de beginjaren van de Eerste Wereldoorlog een aantal Belgische staatsmannetjes in Parijs en Le Havre droomden van de aanhechting van Zeeuws-Vlaanderen en de hele provincie Limburg bij hun muitersrijk, suggereerde een iets meer gezaghebbende auteur de terugkeer van het aloude hertogdom Kleef onder de Nederlandse kroon. Voor Oost-Friesland bepleitte hij een sui-generisstatuut, onder de drievoudige garantie van de vorsten van het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Nederland. Zijn naam? Louis Dimier.

De oudere Dimier aan een boekenstallatje bij de Parijse Seinekaaien

Wie, hoor ik al vragen? Inderdaad, vandaag is Dimier ten onrechte vergeten maar toen hij zijn ideeën rond de opsplitsing van het Duitse Rijk, onder meer ten voordele van Nederland, aan het papier toevertrouwde, was hij niet enkel een van de meest vooraanstaande Franse kunsthistorici maar ook de secretaris-generaal van het Institut d’Action Française, het vormingsinstituut van de gelijknamige monarchistische beweging rond Charles Maurras.

Met Maurras brak hij kort na de oorlog, naar verluidt omdat hij diens lijn te radicaal vond. Aandachtige lectuur van Dimiers teksten relativeert die visie. Hun meningsverschil zat dieper dan de nuance tussen gematigdheid en radicaliteit. Integendeel, Dimier verweet Maurras net zijn aanschurken tegen de rechtervleugel van de nationalistische republikeinen. Want als hij iets niet was, was het nationalist. De titel van zijn studie Le nationalisme littéraire et ses méfaits chez les Français spreekt ter zake boekdelen.

Dimier was niet enkel geen nationalist, hij kon het gewoonweg niet zijn en wel om twee grote redenen. Vooreerst was hij katholiek, wat per definitie een bereidheid impliceert om over nationale grenzen uit te kijken. Je kan niet behoren tot een nationale kerk en katholiek zijn, hoezeer onze anglicaanse vrienden dat ook proberen. En ten tweede was hij afkomstig uit de Savoie, die haar eigenheid als natie nooit echt was kwijtgeraakt. Dimiers visie op decentralisatie was dus, meer nog dan die van Maurras, geworteld in de eigen ervaring en hij combineerde zijn loyaliteit aan het oude huis van Savoie met zijn inzet voor het herstel van de Bourbons.

In Dimiers denken nam Bossuet een belangrijke plaats in. Met Maurras weigerde hij de Grand Siècle en de barok op te offeren aan een schimmig neo-medievisme. “La pensée de Versailles”, zoals die tot uiting kwam in architectuur, muziek en letterkunde was voor hem de kwintessens van het herstel van Frankrijk. Kon het ook anders bij iemand die van huis uit kunsthistoricus was en promoveerde op het werk van Francesco Primaticcio, de Italiaanse hofschilder van Frans I?

Jammer, maar begrijpelijk dat lieden als Dimier vergeten zijn geraakt. Ze houden ons een spiegel voor die niet altijd aangename beelden biedt. Ook al klinkt zijn plan met Kleef verdraaid aantrekkelijk.

De Zwanenburcht in Kleef: ook aan die overkant is Nederland

Hoe Brabanders en Friezen met Deense hulp op hun paardje zijn

We hadden al de gelegenheid te spreken over de abdij van Heylissem, gelegen in het zuidoosten van het hertogdom Brabant, naar aanleiding van de bouwwerken die Laurent-Benoît Dewez er vanaf 1768 uitvoerde. Zijn opdrachtgever was abt Michel Gosin, die niet enkel belangstelling had voor architectuur – zo leren we uit een lezenswaardig stukje van de hand van Joseph Tordoir (https://www.chouettemag.be/chroniques/josephtordoir.html).

Gosin, een zoon uit een herenboerengeslacht groeide op in Huppaye, nabij Ramillies, waar een generatie eerder het leger van Lodewijk XIV een verdiend pak rammel had gekregen tijdens de Spaanse Successieoorlog. Uit zijn landelijke jeugd bewaarde kanunnik, en later abt Gosin een passie voor paarden.

Meteen na zijn verkiezing tot abt en nog voor hij de verbouwingen van de abdij ter hand nam, richtte Gosin een stoeterij op. Centraal daarin stond de Holsteiner hengst Le Brillant, die Gosin uit de nalatenschap van de Brusselse nuntius Giovanni Carlo Molinari had gekocht. De Holsteiners waren ontstaan in de zeventiende eeuw en waren vooral populair als trekpaarden voor koetsen.

Nuntius Molinari, door Rosalba Carriera

Abt Gosin kruiste de Holsteiners met de klassieke Brabanders, zodat ze iets groter werden en beter geschikt voor langdurige inspanningen. Hun populariteit groeide met de dag, zodat de persoonlijke hobby van Gosin ook zijn opvolgers wist te boeien – tot de Revolutie, alweer de Revolutie, een einde maakte aan het bestaan van de abdij, en dus ook van de stoeterij.

Tot omstreeks 1920 waren er in de streek van Tienen en Geldenaken nog afstammelingen van Le Brillant te herkennen, maar de Koninklijke Maatschappij het Belgisch Trekpaard vond het noch bij haar oprichting noch nadien nuttig om deze vorm van levend erfgoed te koesteren en te bevorderen. Door kruising ging de Hagelander weer op in de Brabander en verdwenen de sporen van Le Brillant opnieuw in de geschiedenis.        

Als het er echter om gaat historische paardenrassen te koesteren, hebben de Lage Landen andere verdiensten. Het Friese ras is een van de nog steeds bloeiende variëteiten van het zogenaamde barokpaard, samen met de Deense Frederiksborger. De Hagelander was echter geen barokpaard, maar een later ontstane variant. Wie zet zijn schouders onder een terugkeer van dit eigen schoon dat verloren ging?

Het barokke schoonheidsideaal voor paarden

De Roomse putti van een Friese Nassau

In de kunstgeschiedenis van de Verenigde Provinciën doet zich gedurende het tweede stadhouderloze tijdvak (1702-1747) een merkwaardig verschijnsel voor. Met name in het tweede kwart van de achttiende eeuw nemen een aantal kunstenaars uit de Zuidelijke Nederlanden het voortouw in de verspreiding van een specifieke laatbarokke stijl, die het midden houdt tussen de Frans geïnspireerde klassicerende barok van een Daniel Marot en de rococostijl van een latere periode. De meest bekende vertegenwoordiger van deze groep is Pieter van Baurscheit de jonge, die echter in Antwerpen gevestigd bleef en van daaruit de noordelijke markt bediende. Zijn stadsgenoot Jan Baptist Xavery zette wel de stap om zich metterwoon in ’s-Gravenhage te vestigen, al bleef ook hij goede contacten onderhouden in de Scheldestad.

Xavery werkte met name voor edelen uit de landgewesten. Met de Friese Nassaus onderhield hij goede contacten, wat onder meer blijkt uit zijn sierlijke portretbuste van Willem IV.

Willem IV door JB Xavery

Beide groepen stonden overigens niet los van elkaar. Waar de rechten van Willem IV vanzelfsprekend het snelst werden erkend in zijn thuisprovincie Friesland, volgden Groningen, Drenthe en Gelre dat voorbeeld vrij snel. Voor Holland, Zeeland, Utrecht en ook voor het recalcitrante Overijssel waren daarvoor de roeringen van 1747 nodig.

Daarenboven behield Xavery toegang tot het katholieke netwerk, dat hem geregeld deed samenwerken met de hier reeds voorgestelde Jacob de Wit.

Bestond er ook een band tussen die groepen? Zijn tegenstrevers verdachten Willem IV openlijk van roomsgezinde neigingen en hij deed weinig om die geruchten tegen te spreken – integendeel, hij liet nog een werkje met Italianiserende putti toevoegen aan zijn collectie. In een breder perspectief zouden dergelijke neigingen trouwens perfect begrijpelijk zijn geweest nu het republicanisme van de regenten nauwer aansloot bij het calvinisme dan bij de leer van de Moederkerk.

In de ziel van de jonggestorven stadhouder kunnen we niet kijken, maar zijn artistieke voorkeuren versterken onze vermoedens alleen maar. Daarbij is het niet onschuldig dat het werk van Xavery vooral decoratief van aard is. Zegt de decoratie die we uitkiezen niet veel meer over ons diepste zelf dan de steunpilaren van onze woningen en kerken?     

JB Xavery: Grafmonument voor Sicco van Goslinga

Viva Francisco Nono!

Vorige week was het weer zover. Een vage kennis die nodig wat frustratie moest ventileren over de eigen opvoeding en begon over de fascinatie van de Kerk met de menselijke seksualiteit. Op zulke momenten weet je dat er je maar één ding te doen staat: zwijgen en bidden, want tegen frustratie is geen argument gewassen.

Blijkbaar werd ons gebed verhoord. Niet door het stilzwijgen van de kennis in kwestie, die bericht na bericht luidruchtiger werd, maar wel door een inzicht dat we niet zouden hebben gehad zonder hem. Gelijk had hij, althans voor een deel. Een klein deel.

Natuurlijk is de Kerk niet gefascineerd door wat in bed pleegt te gebeuren. Als ze een fascinatie heeft, is het er een voor het leven – bij zijn begin en einde en al wat ertussen ligt. Dat de seksualiteit daaraan raakt, is geen groot nieuws. Dat ze ervoor moet wijken in de prioritisering van de Kerk, staat haaks op wat dezer dagen gebruikelijk is.

Anderzijds is het zonder enige twijfel zo dat een Kerk die ervoor terugschrikt om een globale visie te verkondigen op mens en wereld de indruk wekt slechts met één ding bezig te zijn. Terwijl liberalen van alle slag het riedeltje herhalen dat het geloof iets voor de private sfeer is, geven vertegenwoordigers van dat geloof hun tegenstrevers gelijk in de feiten, door hun verhaal toe te spitsen op het private.

Je kan Zijne Heiligheid veel verwijten, maar niet dat hij zich uit het publieke domein laat verjagen. Franciscus lijkt in dat opzicht wel een beetje op Pius IX, die de indruk gaf aan te sluiten bij de tijdsgeest, maar er ten gronde mee op ramkoers lag. Als hij de moed van zijn voorganger heeft,  laat hij een nieuwe Syllabus errorum samenstellen: een exhaustieve lijst van misvattingen die wortel hebben geschoten in onze samenleving, los van de vraag of het over de private of de publieke sfeer ervan gaat. De gelijkenissen én de verschillen met de Syllabus zouden betekenisvol zijn.

De jonge Pius IX vertoonde misschien wel meer gelijkenis met Paus Franciscus dan elk van hen lief zou zijn

Vrede en vriendschap in het spoor van Guy Augé

Binnen de brede legitimistische familie zijn er onmiskenbaar een aantal stijlverschillen. Grof geschetst valt het legitimistische denken in landen als Oostenrijk en Italië samen met de historiografie van de pre-revolutionaire situatie. Politieke filosofie komt er slechts indirect aan bod. Dat is anders in landen als Spanje en Frankrijk – en in dat laatste land komt een belangrijk deel van de verdienste daarvoor toe aan de ‘Association des Amis de Guy Augé’, die onlangs haar negentiende cahier het licht deed zien.

Guy Augé (1938-1994) was een specialist in de rechtsfilosofie, die werkte in het spoor van de onvolprezen Michel Villey. Daarnaast publiceerde hij intens over rechtsgeschiedenis, met name in het licht van de vragen die bepalend zijn voor het legitimistische standpunt in Frankrijk.  Tussen 1974 en 1984 gaf hij de eerste reeks uit van het tijdschrift ‘La Légitimité’, dat nog steeds kan gelden als een vraagbaak voor wie iets wil weten over de finesses van het legitimistische gedachtegoed.  Na zijn heengaan in 1994 werd een tweede reeks opgestart, ditmaal onder de vorm van cahiers. Het eerste nummer bevatte Augés magnum opus over Les Blancs d’Espagne, dat hij kort voor zijn overlijden had gefinaliseerd.

Guy Augé (1938-1994)

Sindsdien verschijnen met enige regelmaat nieuwe cahiers, steeds thematisch opgebouwd rond onderwerpen als de familie, de oorlog, religie in de polis, de tirannie van de vooruitgang en dergelijke meer. Het vriendschappelijke aspect van de groep rond de cahiers blijkt nog steeds uit de dominante aanwezigheid in de auteursgroep van Augés collega’s uit de sfeer van de rechtsgeschiedenis, maar ook uit de mooie traditie in elk cahier een tekst van Augé opnieuw uit te geven. Tot zijn overlijden in 2019 was professor Jean-Pierre Brancourt voorzitter van de vriendenkring, waarna hij werd opgevolgd door zijn collega Franck Bouscau. Lange tijd werden de cahiers voorgesteld op een colloquium in Parijs, maar dat behoort in de gegeven omstandigheden niet meer tot de mogelijkheden.

Lezen en schrijven blijft echter perfect mogelijk, zodat net voor de jaarwissel een nieuw volume kon verschijnen, gewijd aan de vrede. Gewoontegetrouw zijn meerdere bijdragen historisch geïnspireerd. Guillaume Bernard schrijft over de pacificatie van de Vendée door Bonaparte en Franck Bouscau over de houding van de Action Française tegenover het verdrag van Versailles. Thierry Buron geeft een zoals steeds scherpzinnige analyse van het vredesconcept van de communisten voor en tijdens de Koude Oorlog. 

De meest recente uitgaven van de Amis de Guy Augé

Het gaat hier stuk voor stuk om lezenswaardige bijdragen, maar naar onze smaak zijn de twee andere hoofdartikelen dat nog meer. Isabelle Brancourt vergelijkt de huidige sanitaire situatie met de nasleep van de pestepidemie in Marseille in 1720. Dat gebeurt met wetenschappelijke ernst en staatkundige precisie, waarbij de auteur terecht opmerkt dat selectief wordt omgegaan met oorlogsjargon als het om corona gaat. Het grote verschil tussen 1720 en 2020 ligt echter in de centralistische aanpak die de Franse Republiek evenzeer als haar buurlanden kenmerkt. Of dat een verbetering is, mag worden betwijfeld.

In de kern van het thema van dit cahier staat de bijdrage van Philippe Pichot-Bravard, die het concept van de Ware Vrede analyseert in het spoor van de Heilige Augustinus. Hij herinnert eraan dat geen zinvolle visie op vrede mogelijk is, zonder een concept van rechtvaardigheid aan te houden. Dat concept kon traditioneel omschreven worden als de combinatie van de “conception ministérielle du pouvoir, la mission justicière du roi et le souci de l’amitié politique”. Tot de Revolutie bleef die trias – weliswaar niet ongeschonden – overeind, vandaag lijkt hij tot de staatkundige antiekverzamelingen te behoren. Ook dat is geen verbetering, en het siert Pichot-Bravard om een en ander zonder franje duidelijk te maken.

Het zou goed zijn dat deze cahiers ook meer bekend werden in de Lage Landen. Ze zijn voedsel voor de geest van een kwaliteit die zeldzaam is.

Meer inlichtingen: Association des Amis de Guy Augé, La Croix d’Epine, F-91170 Saint-Agnan-sur-Sarthe, asso.aaga@gmail.com

1830 op Britse wijze

Je komt ze nog geregeld tegen: de wijsneuzen die beweren de revolutie te verafschuwen, maar enkel als ze uit Frankrijk komt. Revoluties van Angelsaksische makelij vinden ze dan weer wel leuk, en dan doet het er weinig toe of het de Amerikaanse van 1776 of de Roemrijke (sic) van 1688 betreft.

Zelf erger ik graag mijn vrienden door de editie van 1688 aan te duiden als de Inglorious, in het besef dat het vaderschap van die term anderen toekomt. Als ik niet op ergernis stuit, is het toch minstens op verbazing. Vandaar een kleine toelichting.

Wie denkt dat je relativisten nodig hebt om tolerantie te doen gedijen, moet de geschiedenis van de putsch tegen koning Jacobus II maar even herlezen. Het waren precies de koninklijke initiatieven tot versterking van de tolerantie ten aanzien van Rooms-katholieken en protestantse dissenters die de weerstand van de Anglicaanse hiërarchie aanwakkerden, met de steun van vileine ideologen als John Locke. Zeven Anglicaanse bisschoppen verzetten zich openlijk tegen deze maatregelen en juichten toen een ‘protestantse wind’ Jacobus’ schoonzoon stadhouder Willem III naar de Britse eilanden bracht om zijn schoonvader te verdrijven – een dieptepunt in de morele geschiedenis van het Oranjehuis.

Nog geen jaar later waren vijf van de zeven bisschoppen al uit hun ambt verwijderd, omdat ze weigerden een eed van trouw af te leggen aan Willem en zijn echtgenote Mary. De verbreking van de legitieme troonopvolging was ook voor deze bisschoppen een stap te ver en node zagen ze in het spoor van Willem lieden terugkeren waarvan ze hadden gehoopt dat hun rijk in 1660 voorgoed voorbij was.

De zeven bisschoppen, die spoedig hadden begrepen dat de revolutie van 1688 niet bepaald glorierijk was

Inderdaad kan je de gebeurtenissen van 1688 maar helemaal begrijpen als je ze in een ruimere context plaatst. De staatsgreep van centralisten en relativisten was vooral een revanche van degenen die zich in de periode tussen 1649 en 1660 gecompromitteerd hadden met het onzalige Gemenebest en het daarop volgende en niet minder onzalige Protectoraat, de  republiek van vader en zoon Cromwell. Jacobus’ oudere broer koning Karel II was erin geslaagd een glorierijke Restauratie door te voeren, en terug te keren uit zijn Haagse ballingschap waar, o ironie, Willems vader stadhouder Willem II de Engelse de iure koning gastvrijheid had betoond.

De beste vergelijking die ik kan bedenken, is dat 1688 staat tot de dagen van Cromwell als 1830 tot die van Robespierre. Willem III en zijn trawanten waren, net als Louis-Philippe en zijn zootje, minder bloeddorstig dan hun voorgangers en konden hun revolutionaire agenda beter verbergen voor mensen die vooral hoopten met rust gelaten te worden. Net als in 1830 waren er in 1688 welgedane lieden die met een zucht van opluchting meenden dat het allemaal nog was meegevallen. Van daar naar een omschrijving als Glorious is maar een kleine stap, voor wie vertikt te kijken naar de lange termijn. Dat die revolutie vroeger ook werd omschreven als The Bloodless Revolution, is niet zonder betekenis, al is die naam wel helemaal misleidend voor wie beseft dat ze de aanleiding was voor slachtpartijen vals de veldslag bij de Boyne van 11 juli 1690.

De slag bij de Boyne, het tegendeel van bloedloos

Bespaar me dus het onderscheid tussen goede en slechte revoluties. Er zijn voldoende andere tradities om inspiratie uit te putten, zodat 1688 minstens overbodig en eigenlijk zelfs nefast is als referentie.

Elvira speelt Maistre op het klavier

Aan mijn verblijf in Brussel houd ik een aantal eigenaardigheden over. Een ervan is mijn heldere voorkeur voor de Vlaamse radio Klara boven de eigen NPO4. Er moet al iets heel ergs zijn gebeurd aleer de vrienden uit Hilversum hun luisteraars een hele compositie gunnen. Meestal moet je het stellen met een van de drie of vier bewegingen van een onbekend concerto of geliefde sonate. Neen, geef mij dan maar Klara, ook al valt het luisteren hier in Amsterdam vaak niet mee.

Soms doe je dan ontdekkingen die de radiomakers allicht ook niet hadden bedoeld. Zoals vorige week, toen Paul van Nevels Huelgas ensemble in de bloemen werd gezet omdat het vijftig jaar bestaat. Een luisteraar vertelde hoe hij tijdens een vakantie in Portugal een bejaarde pianiste had laten kennis maken met de opnames van Huelgas, en hoezeer zij onder de indruk was.

Ik kan me vergissen, maar alles weer erop dat de luisteraar kennis had gemaakt met Elvira de Freitas, geboren in 1928 en overleden in 2015. De Freitas was niet alleen pianiste, maar ook dirigente en componiste. Ze leerde het metier van haar vader, de dirigent en componist Frederico de Freitas, maar ook van Olivier Messiaen. Haar bekendste werk is de Marcha de Bairro Alto.

Elvira de Freitas (1928-2015)

Zonder al te veel toelichting vertelde de omroeper hoe de luisteraar in kwestie aan de praat raakte met de pianiste, die hem vertelde hoe na de revolutie het conservatorium van Lissabon kort en klein werd geslagen. Dat was allicht een retorische overdrijving, maar dat de Anjerrevolutie, die velen in onze streken zo hoog op hadden, een culturele ramp was, is dat niet. Er wordt wat lacherig over gedaan, maar wie herinnert zich nog dat de koningin van de fado, Amalia Rodrigues na  de gebeurtenissen van april 1974 bijzonder scheef werd bekeken door de nieuwe machthebbers en ei zo na een verbod opgelegd kreeg om nog langer op te treden?

Amalia Rodrigues (1920-1999)

We maken er ons best niet al te veel illusies over, revoluties zijn nefast voor elke vorm van beschaving. En het was niet toevallig dat Joseph de Maistre eraan herinnerde dat de contrarevolutie geen revolutie in de tegengestelde richting is, maar het tegengestelde van een revolutie. Goed dat Elvira de Freitas ons daaraan mocht herinneren. Ik blijf alvast luisteren naar Klara.