Vergeet de Ou Presidensie niet

Langs de zeven zeeën hebben de Lage Landen sporen nagelaten – van Spitsbergen tot de Zuidpool en van Ceylon tot de Goudkust. De Grote Drie zijn echter zonder enige twijfel de Oost, de Kaap en de West. Van die drie verdienen beide laatste een bijzondere vermelding omdat ze, elk op hun wijze, de band met de Nederlanden verankerd hebben in de taal, iets wat jammer genoeg niet of nauwelijks het geval is in het huidige Indonesië.

Taal ordent het denken en is dus een kwetsbare, maar reële garant voor onderling begrip. Er is echter meer dan taal. Soms denk ik dat het onderlinge begrip groter is tussen Zuid-Afrika en de Lage Landen dan het geval is met Suriname, ondanks het uiteengroeien van de talen waardoor er naast (Europees) Nederlands ook Afrikaans (Nederlands) bestaat. Ongetwijfeld is dat een subjectieve waardering – waarvoor echter ook objectieve aanduidingen bestaan.

Beluister dit bijvoorbeeld even: https://www.youtube.com/watch?v=16X1CzRudks

Kaapse Maleiers die degenen die menen dat er geen Prins in het land is, de wacht aanzeggen! Wie zou het hier nog durven? En dat met een tongval die vreugde verraadt.

Ook verder noordwaarts blijft het Hoge Huis een welwillende blik richten op het Afrikaanse landschap. De Oranjerivier meandert ongestoord van de Drakensbergen naar Oranjemond in Namibië, waar ze zich in de Atlantische Oceaan stort, ongestoord door de dwaasheid van degenen die haar willen ontdoen van haar eeuwenoude naam. Het land waaraan ze haar naam gaf, de Oranje Vrijstaat, heeft dat lot wel al moeten ondergaan en gaat nu door het leven als de provincie Vrystaat. Die is overigens noch een staat, noch vrij, in tegenstelling tot wat het geval was tussen 1854 en 1902.

De traditie van de Vrijstaat is in Europa al te weinig bekend. Onder de wapenspreuk “Vrijheid, Immigratie” werd gestalte gegeven aan de herinnering van de Trekboeren aan de tijd toen de Kaap nog Hollands was. De banden met het oude moederland werden gekoesterd, zelfs in die mate dat het landswapen werd opgemaakt door de Hoge Raad van Adel in ‘s-Gravenhage.

Ook hierdoor verschilde de Vrijstaat van de noordelijker gelegen Zuid-Afrikaanse Republiek, beter bekend als Transvaal. Daar domineerde een gereformeerd levensbeeld, dat herinneringen opriep aan het oude Sparta.

En geloof het of niet, in de Europese Nederlanden werd bleek de sympathie voor de goede wilde dominant en werd “Transvaal” een synoniem voor het Zuid-Afrika dat de banden met het oude moederland had bewaard. Hardnekkig religieus republicanisme kreeg de voorkeur boven het maximaal continueren van de vaderlandse tradities.

In Bloemfontein staat nog steeds de voormalige residentie van de staatshoofden van de Vrijstaat, de Ou Presidensie. Het wacht op betere tijden en op dieper inzicht, daar en hier.

Dikke hertog, Zwarte hertog, trouwe burgers

Onze Lage Landen hebben altijd iets gehad met het hertogdom Brunswijk. In het Noorden is vooral de Dikke Hertog bekend, wiens bijdrage aan het instandhouden van het  stadhouderschap tussen het overlijden van Willem IV en de meerderjarigheid van Willem V hem tot slachtoffer van een heuse zwarte legende maakte. In het Zuiden is vooral de Zwarte Hertog, Frederik Willem, bekend, die op 16 juni 1815 sneuvelde in de slag bij Quatre-Bras, nadat hij sinds 1809 met niet aflatende energie de Napoleontische heerschappij te vuur en te zwaard had bestreden. Zijn monument waakt tot op heden over het kruispunt waar hij het leven liet.

Het monument voor de Zwarte hertog bij Quatre-Bras

Wat men in onze streken minder weet, is dat het hertogdom rond de vorige eeuwwisseling een voortrekkersrol speelde in de verdediging van de traditionele monarchie tegen het model van nationale monarchie, dat door Pruisen werd uitgedragen. Dat zat zo.

Tijdens de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog van 1866 had de Pruisische overmacht een einde gemaakt aan de legitieme monarchieën in Hessen, Nassau en Hannover en aan het bestaan van de vrije stad Frankfurt. Al deze landen werden onder luid protest in binnen- en buitenland (onder meer van onze Groen van Prinsterer) aangehecht bij Pruisen. De Hannoverse koningen weigerden formeel in te stemmen met dit onrecht en handhaafden vanuit Oostenrijk hun rechten op troon en kroon.

In 1884 overleed de Brunswijkse hertog Wilhelm zonder directe nakomelingen. Volgens de familieregels was zijn opvolger Ernst August, hertog van Cumberland en de jure koning van Hannover. Het enthousiasme in het Pruisische en pro-Pruisische kamp was uitermate beperkt. Onder zware druk vanuit Berlijn stemde het plaatselijke parlement een regentschapswet, die een effectieve troonbestijging van de hertog van Cumberland belette, zolang die niet instemde met de aanhechting van zijn stamland door de Pruisische bezetters.

De reactie was indrukwekkend. De zinspreuk “Recht moet recht blijven” verzamelde aanvankelijk slechts een klein aantal kampvechters, maar ze waren van een opmerkelijke kwaliteit. De landjonker Werner von der Schulenburg en de juristen Adolf en Hermann Dedekind grepen elke gelegenheid aan om de legitimiteit te verdedigen. Hun deelname aan de verkiezingen was aanvankelijk louter symbolisch, maar op een gegeven moment waren de drie kieskringen voor de Rijksdag in het hertogdom Brunswijk bezet door vertegenwoordigers die ijverden voor een snelle afschaffing van de regentschapswet. Ook buiten het parlement voerden de legitimisten hun strijd, bijvoorbeeld door het bepleiten van een herformulering van het gebed voor de burgerlijke overheden in de Lutherse landskerk, die de gelovigen elke zondag zou herinneren aan de abnormaliteit van de bestaande situatie.

Adolf Dedekind, een trouw strijder voor de legitimiteit

Uiteindelijk werd de legitimiteit hersteld op een onverwachte wijze, namelijk door het huwelijk van de zoon van de hertog van Cumberland, ook Ernst August geheten, en Viktoria Luise, de enige dochter van Duits keizer en Pruisisch koning Wilhelm II. Net zoals Parijs een Mis waard was, verdiende Brunswijk een huwelijk dat de laatste bezwaren tegen de terugkeer van de legitieme dynastie uit de weg kon ruimen. Ernst August werd vanaf 1913 de (vooralsnog) laatste regerende hertog van Brunswijk, tot hij in 1918 door de Novemberrevolutie opnieuw in ballingschap werd gedreven.

Wie denkt dat de strijd voor de legitimiteit Frans en onsuccesvol moet zijn, doet er dus goed aan de blik naar Brunswijk te richten. Er is meer tussen hemel en aarde dan wat ooit gedroomd werd in de geschiedenis die de Whigs en hun continentale vrienden ons vertellen.      

De Niagara van het geluid

Het is inmiddels meer dan vier jaar geleden dat we op deze pagina aandacht hebben besteed aan abbé Le Blanc en zijn gedachten over de gamba (https://geheimenederlanden.com/2018/05/05/het-clavecin-speelt-door-net-als-de-gamba/). Wat we toen schreven, blijft actueel, maar verdient misschien wat verdere uitwerking.

Le Blanc zong de lof van de discrete instrumenten boven de lawaaimakers en gelijk had hij. Misschien zijn er echter nog andere manieren om nobele en wilde instrumenten van elkaar te onderscheiden.

Met de sociale status van hun gebruikers heeft dat onderscheid weinig te maken. De doedelzak (of biniou of moeselken) is zonder de minste twijfel een volksinstrument, dat niet of nauwelijks zijn weg heeft gevonden naar de geleerde muziek. Toch is hij authentiek en kan een regimentskapel van Hooglanders aansporen tot respect op een wijze die zelden gegeven is aan de continentale blaaskapellen.

Een oud-Nederlands doedelzakboek

Zet daar tegenover de accordeon, die er allicht nooit in zal slagen die stap te zetten. Het is niet zonder betekenis dat de Nederlandse nationaalsocialisten, die van niemand lessen in plebejisch gedrag te krijgen hadden, hun marsmuziek lieten begeleiden op dit instrument. Was het een poging om zich volkser voor te doen dan ze waren? Misschien, maar het zegt vooral iets over de immature en onsamenhangende esthetiek die de hunne was.

Dat soort instrumentale misgrepen was overigens geen monopolie van de twintigste eeuw. In de negentiende, die Léon Daudet niet zonder redenen als stupide omschreef, leidde de industrialisering ertoe dat een invasie plaatsvond van het land der houtblazers door een metalen instrument. Niet toevallig werd het voor het eerst vertoond op een industrietentoonstelling, namelijk die van Brussel in 1841. De uitvinder, Adolphe Sax, was weliswaar een zoon van een hofleverancier van het Huis van Oranje en een oud-student van de koningstrouwe stedelijke muziekschool van Brussel, maar dat belette hem niet om ijverig mee te stappen in de veranderende tijdsgeest. Zijn uitvinding klinkt er ook naar en het feit dat Berlioz de saxofoon “de Niagara van het geluid” noemde, hoeft niet noodzakelijk als een compliment begrepen te worden.

Vandaag lijkt er een renaissance van de saxofoon aan de gang te zijn. Of dat een goed teken is, is een andere vraag. Geef ons maar de bassethoorn. Zonder enige twijfel zou Hubert Le Blanc het met ons eens zijn geweest.

De bassethoorn staat tot de saxofoon zoals Abel tot Kaïn

Bijna legitiem

Met een Franse vriend van legitimistischen huizen had ik enige tijd geleden een vriendschappelijk twistgesprek. Zijns inziens was elk legitimiteitsdenken per definitie monarchaal van instelling. Ik probeerde hem van het tegendeel te overtuigen, onder meer aan de hand van het fenomeen van het Ierse republikeinse legitimisme, ook legitimatisme genoemd. Hij klonk niet overtuigd, ook al was hij niet thuis in het fenomeen. Ik ook niet, maar nu ik me wat beter heb geïnformeerd, moet ik erkennen dat hij meer gelijk had dan ik.

Wat context om te beginnen: sinds de Paasopstand van 1916 streeft de Ierse nationale beweging naar een eengemaakt en onafhankelijk Ierland, los van de Britse kroon. In de praktijk zijn de 32 graafschappen echter verdeeld in een deel dat onder Ierse soevereiniteit staat (26 graafschappen) en eentje dat deel is blijven uitmaken van het Verenigd Koninkrijk, namelijk de zes graafschappen van Noord-Ierland of Ulster. In feite heeft die scheiding bestaan sinds er sprake is van Ierse onafhankelijkheid, in rechte is ze bevestigd door het Iers-Britse verdrag van 6 december 1921. Waar de Dàil, het Ierse parlement, tot die datum de soevereiniteit opeiste over alle 32 graafschappen, erkent het sindsdien, zij het niet noodzakelijk van harte, het Britse gezag over de zes noordelijke graafschappen.

Dat gebeurde niet eenstemmig, verre van. De meest rechtlijnige nationalisten oordeelden toen en oordelen nu dat een parlement dat de Ierse deling had aanvaard, niet langer het recht had om namens Ierland te spreken en erkenden enkel het laatste parlement dat voorafging aan het verdrag, de zogenaamde tweede Dàil. De leden van dat parlement bleven ook op gezette tijdstippen vergaderen en stemden moties en wetgeving die weliswaar niet kon worden afgedwongen, maar minstens enig moreel gezag genoten.

Sterker nog: wie de legitimiteit van de nieuwe volksvertegenwoordiging afwees, onthield zich niet van deelname aan verkiezingen, maar kondigde vooraf glashelder aan een eventueel mandaat niet te zullen opnemen, maar zich te beschouwen als een lid van de tweede Dàil, die zo op gezette tijden werd aangevuld met even verkozen als machteloze leden.

Een vergadering van de tweede Dàil

Een en ander belette echter niet dat in 1938 de draagkracht van het schaduwparlement dermate beperkt was geworden dat de overgebleven leden besloten hun macht over te dragen aan het commando van het Iers Republikeins Leger. Deze beslissing was duidelijk geïnspireerd door de tijdsgeest: haar geestelijke vader, graaf George Plunkett, verantwoordde ze met een uitdrukkelijke verwijzing naar de opkomende militaire dictaturen in het Europa van die dagen.

Zowel terminologisch als stijlgewijs kan men enige gelijkenis met het legitimisme niet ontkennen. Waar de Ierse jacobieten hun hoop stelden in de “ri dilis” (de wettige koning) , hoopten de republikeinse legitimatisten op een “Dàil dilis” (een wettig parlement). De manier waarop werd omgegaan met onthouding bij verkiezingen kan enig panache niet worden ontzegd. Hoe legitimisme kan verzoend worden met het overdragen van macht op basis van een loutere wilsdaad, blijft me echter een raadsel. Allicht had Plunkett het bij het rechte eind als hij naar de tijdsgeest verwees en die is zelden een goede raadgever.

George Plunkett

Het legitieme schoteltje

Al te gemakkelijk identificeren we het denken in termen van legitimiteit met het Avondland, vergetende dat er haast geen continent of zelfs land is zonder verhalen over heersers die door list of geweld van hun rechtmatige plaats verdrongen werden. Die verhalen vonden hun weg naar de literatuur en de mythologie, maar hebben vaak ook een strikt feitelijke achtergrond, in het verdere of minder verre verleden. Zo kent de Iraanse diaspora vandaag een boeiend denken over de monarchie als antwoord op de karikatuur van de theocratie die nu in Teheran heerst.

Langer geleden gaf de opvolging van de Mingdynastie door de noordelijke Quings in 1644 en daarna aanleiding tot de meest uiteenlopende uitingen van loyalisme. Tot 1662 heersten Ming-keizers over een deel van zuidelijk China en tot 1683 waren er kleine verzetshaarden. Piraten maakten de zeeën onveilig in naam van de afgezette keizers, maar vooral kozen vele aanhangers van de legitieme dynastie voor een binnen- of buitenlands exil, waarbij in het eerste geval de beoefening van de meest verfijnde traditionele kunstvormen gold als een impliciete verwerping van de grover besnaarde nieuwe heersers.

Batavia in 1681

Wie voor het buitenland koos, kon vele richtingen uit. Vietnam was een populaire bestemming, maar ook in Batavia verzeilden nogal wat Ming-loyalisten, die er meer uit nood dan uit talent kozen voor een bezigheid in de handel. De nieuw aangekomenen betekenden ook een welkome versterking van de al met al nog zwakke aanwezigheid van de Compagnie op Java. Daarenboven gaven de contacten met de Zheng-familie perspectieven op een hernieuwde bezetting van Taiwan in het belang van de VOC. De relaties met de Zhengs waren echter onvoorspelbaar en liepen niet noodzakelijk samen met de agenda van de Compagnie.

Later werd de Chinese bevolking in Indië aangevuld met andere groepen, die vooral op de plantages actief werden. De aanzet voor de grote toename van de Chinese bevolking op Java was echter gegeven door wie ervan overtuigd was dat het vaderland niet daar kon zijn, waar het onrecht heerste.

Misschien moeten we daar wat meer aan denken als onze blik valt op het Ming-schoteltje dat onze grootouders zo koesterden.

Een voorbeeld van Ming-porselein

Domine, salvum fac regem!

In de wetenschappelijke literatuur zijn er soms opmerkelijke lacunes, en dat geldt voor zowat elke discipline. Op zich zouden die al het voorwerp kunnen zijn van grondig onderzoek. Waarom, bijvoorbeeld, is er nooit grondig aandacht besteed aan een tekst die in de geschiedenis van zowel de liturgie als de muziek zoveel invloed had als het aan Psalm 19 ontleende gebed “Domine, salvum fac Regem nostrum NN, et exaudi nos in die qua invocaverimus Te!” 

De tijden toen rellen uitbraken wanneer een priester ervan werd beschuldigd dat hij het gebed niet had gezongen na de Hoogmis, omdat hij twijfels had bij de legitimiteit van een of andere door de straat gekroonde vorst, liggen ver achter ons. Het wordt amper nog gezongen, en Hoogmissen zijn ook al een zeldzaamheid. En toch.

Het Domine als gebed op de zijkant van een muntstuk uit de tijd van Lodewijk XVIII

Het is mooi om zien dat althans een deel van de wetenschappelijke lacune over het Domine nu opgevuld is. Peter Bennet heeft een verleden als uitvoerend musicus in de authentieke praktijk en maakte niet zo heel lang geleden de overstap naar de wetenschappelijke studie van die praktijk. Eind vorig jaar verscheen zijn Music and Power at the Court of Louis XIII. Sounding the Liturgy in Early Modern France (Cambridge UP).  Zoals de titel duidelijk maakt, is dit geen finale studie over het functioneren van het Domine, maar wel een bundel artikelen over de interactie tussen muziek en macht in het Frankrijk van de vroege zeventiende eeuw. Waarom Dietrich Buxtehude ooit een Domine componeerde, leert u er dus niet, en evenmin hoe in de omgeving van de Zonnekoning en zijn opvolgers werd omgegaan met het gebed. Maar misschien is het Domine wel de rode draad door het boek van Bennet.

Als we iets leren uit zijn studie, is het dat het Domine, salvum fac regem is wat het zegt te zijn: geen triomfalisme van de burgerlijke overheid, geen inbraak van de vorst in het Huis van God, maar een smeekgebed van het vrome volk om degene te bewaren, die de vrede kan waarborgen. Dat verklaart ook (althans naar mijn aanvoelen) dat zoveel toonzettingen van het Domine in kleine terts zijn geschreven: geen jubelzang, maar een uiting van angst en bezorgdheid om een medegelovige met bijzondere verantwoordelijkheden. Dat verklaart ook dat het gebed zijn vaste plaats in de liturgie wist te verwerven aan het einde van de godsdienstoorlogen, toen twee opeenvolgende koningen van Frankrijk door sluipmoord waren omgekomen en hun jonge opvolger de speelbal dreigde te worden van tegengestelde krachten.

Als je de zaken zo bekijkt, is het nu wel bij uitstek het moment om het Domine in ere te herstellen. Als gebed voor vrede. Als gebed voor een burgerlijke overheid die wijsheid en bekering behoeft. Als gebed voor een mens. En als we het zingen, mag dat gerust in de versie van Nicolas Formé (https://www.youtube.com/watch?v=hex11xa28yc).

Domine, salvum fac Regem nostrum Gulielmum Alexandrum, et exaudi nos in die qua invocaverimus Te!

Koninklijke kapel in Versailles

Orde klaar?

Noem het gerust een jeugdtrauma. Toen het woord Nederbelg nog niet bestond, zat dit “Hollandertje” al in de basisschool van Brasschaat. Keer op keer slaagde een meisje erin te vragen of we “ritme klaar” zouden spelen. Natuurlijk weiger je dan niet – niet omdat hoffelijkheid al vroeg wordt aangeleerd, maar omdat weigeren een erkenning zou zijn van je eigen onkunde. En die was groot.

Niet alleen hadden de meisjes in de klas wel eens namen die je niet zou verwachten, zoals Lut, Helga of Trees, maar het spel bleek ook enkel te lukken als je zo’n voornaam had. Kortom, als jongentje uit het Noorden zat er maar één ding op: je verlies te nemen en de spot met min of meer gelijkmoedigheid doorstaan. Sindsdien heeft het woord “ritme” voor mij een wat onaangename bijklank. Ook dat onderscheidt me van nogal wat tijdgenoten.

Ritme, dat is immers vrijheid en blijheid, dat is bewegen op de maat van de muziek, of toch niet helemaal. Iets heel anders dan de dwang van elke dag, die men orde probeert te noemen?

Werkelijk? Als dat zo was, zou het me niet zijn gelukt in de fout te gaan tijdens het ritmespelletje. Alleen al het gegeven dat er goede en foute manieren zijn om met het ritme om te gaan, toont aan dat het wel meevalt met die vrijheid. Je volg het ritme of je volgt het niet. Hoe meewarig in dat laatste geval de blik van je omgeving is, hangt af van de omstandigheden.

Zou het niet kunnen dat het ritme een van de gestalten is waarin de orde zich toont? In een eenvoudige, maar toch subtiele vorm, zoals in Michael Haydns Coburger Marsch (een van de weinige goede dingen die de wereld aan het huis Coburg dankt). Of ook visueel, in de opvolging van lijnen en curven in de pleinen van Bath.

Misschien moeten we maar leren dat het ritme de toegankelijke vorm van de orde is. En moet ik van mijn kant wat meer oefenen op dat spelletje van vijftig jaar geleden.

Autocephalie en neojozefisme

Zoals dat gebruikelijk is geworden bij elk maatschappelijk probleem, krijgt religie ook een deel van de verantwoordelijkheid toegeschoven voor het Russisch-Oekraïense conflict. Ik was geneigd die beschuldigingen weg te wuiven als een zoveelste uiting van antireligieus affect, tot ik tot mijn eigen verbazing onaangenaam werd getroffen door een beeld van de lijdende Christus dat werd omhuld in nationale kleuren en symbolen van de aangevallen natie.

“God met ons” is een gezegde dat al veel kwaad heeft gedaan, ook al is het volkomen correct: God is immers met ons én met onze vijanden, Hij verlost de gehele mensheid.  Er is dus geen Christus van de Russen en geen Christus van de Oekraïners, net zomin als er een Moeder-Maagd van een van beide is. In de mate beide landen echter een traditie van nationale kerken kennen, dreigt die theologische waarheid te vervagen. Dat is de cruciale zwakte van de orthodoxe traditie van de autocephalie, de neiging om autonomie toe te kennen aan nationale kerken, die zo al te gemakkelijk onder de knoet van het politieke gezag verzeilen. Daartegenover staat de traditie van katholiciteit, wat gewoon een ander woord voor universaliteit is, die sinds eeuwen in Rome gestalte heeft gekregen.

Roomse trots? Discussies die niet in deze tijd horen? Was het maar zo. Uit mijn tijd in Brussel herinner ik me debatterende links-liberale professoren die pleidooien hielden voor een “Belgische islam”, een islambeleving die zou zijn afgestemd op de waarden van de smaakmakende groepen in dat land en die eigenlijk niet meer of niet minder was dan het kerkbeeld van de verlichte despoten, toegepast op een andere religie. Ook daar streefde men naar een dominantie van de politiek over de religie. De bedoeling was allicht niet vergelijkbaar met de instrumentalisering van religie in oorlogvoerende landen, de methode wel.

Gelukkig genoeg is dat riedeltje in Nederland amper doorgedrongen, maar ik mag hopen dat de eerste die het aanheft tot de orde wordt geroepen met een herinnering aan het bovenstaande. 

Martelaren van Pratulin, bid voor ons!

Vandaag ligt Pratulin in Polen, maar historisch hoort het thuis in de Galicisch-Rutheense ruimte, die mee de ruggengraat vormde van de historisch-conservatieve traditie in de Oostenrijkse dubbelmonarchie. In 1874 hadden de toevalligheden van de Poolse delingen het dorp echter in Rusland doen belanden.

Daar heerste toen een beleid van vervolging tegen al wie meende dat boven de wereldlijke vorst ook een Eeuwige Vorst stond, zeker wanneer men beleed dat die Vorst een vicaris op aarde had die in in Romeinse gevangenschap woonde. Aan die definitie voldeed de zogenaamde geünieerde Kerk van Ruthenië volkomen: het betrof en betreft een Kerk sui iuris, van Byzantijnse ritus en in eenheid met Rome.

In 1874 maakte de Russische regering handig gebruik van het ontslag van de bisschop van Chelm om een stroman op de bisschopszetel te installeren, ondanks protest uit Rome. Het protest kwam overigens niet alleen van daar: naarmate de nieuwe bisschop de banden met de Moederkerk losser maakte, lieten steeds meer gelovigen hem links liggen. De breuk was volledig toen de nieuwe bisschop raakte aan de liturgie en alle Latijns geïnspireerde elementen daarin verbood om dichter aan te sluiten bij het orthodoxe ritueel.

Zowel qua aanleiding als qua heftigheid deden de gebeurtenissen rond Chelm denken aan het schisma van de Oudgelovigen in de zeventiende eeuw. Rometrouwe gelovigen gingen nog wel ter kerke, maar bleven bidden bij de poort. Zo ook op 24 januari 1874, toen tientallen boeren naar de kerk van Pratulin trokken. Ze ontmoetten er Russische troepen, die na enkele lauwe waarschuwingen het vuur openden. Even later lagen dertien lijken in de sneeuw. Hun martelaarschap werd definitief erkend in 1996, toen de H. Paus Johannes Paulus ze zalig verklaarde.

Het monument voor de martelaren in de kerk van Pratulin

Ook wanneer niet geheel Oekraïne aansluiting wist te vinden bij de organische traditie die de Martelaren van Pratulin uit zichzelf aanvoelden, toch past zeker het westen van het land naadloos in de kern van Europa. Aansluiten bij Europa? Wat zou het, Lemberg is Europa. En voor wie dat niet beseft, volstaat een enkele blik op dit werk van Johann Georg Pinsel, die in de vroege achttiende eeuw actief was in Butschatsch.

Onder de bescherming van de Martelaren van Pratulin kan die traditie behouden blijven.

Liechtenstein aan de Maas

Hoe het vorstendom Orange tussen 1672 en 1713 eerst tersluiks en later openlijk in de Franse invloedssfeer werd gebracht, om uiteindelijk door Lodewijk XIV geheeld te worden aan de familie Bourbon-Conti, weten we uit onze vaderlandse geschiedenis. Dat dichter bij ons, aan de zuidgrens van de Nederlanden, een soortgelijk verhaal plaatsvond, is minder gekend.

Sinds mensenheugenis bevond zich in een bocht van de Maas een soeverein gebied, Arches geheten, op de grens van het Franse en het Duitse rijk. Door vererving van moederskant was het aan het begin van de zeventiende eeuw in handen gekomen van het huis Gonzaga, dat ook over Mantua heerste.

In 1608 beslist Carlo Gonzaga dan het wat vergeten gebied op te waarderen en aan de oevers van de Maas een nieuwe stad te bouwen, die naar haar stichter Charleville moet heten. De hertog heeft grootse plannen met zijn stad. Zo zou ze de zetel moeten worden van de Orde van de Christelijke Militie, ook bekend als de Orde van de Onbevlekte Ontvangenis. Deze ridderorde had tot doel de door de Turken verdrukte christelijke bevolkingen te bevrijden en de verstandhouding onder de christelijke vorsten in Europa te versterken – een onmiskenbare vingerwijzing naar de geregelde allianties van de Franse koningen met de Grote Turk.

Charleville werd al gauw een knooppunt tussen het noorden en het zuiden van Europa, een noordelijke stad naar Italiaans model met een stevige inbreng uit de Lage Landen. Niet alleen waren de voornaamste verkeerswegen vanuit de stad gericht op het noorden, ze beschikte ook over een eigen beiaard. Ze had het Liechtenstein van de Maasvallei kunnen worden – ware het niet…

Ware het niet dat de grote mogendheden het niet zo voorzien hebben op kleine vorstendommen. Het vorstendom Arches was immers na de dood van Carlo in het huis Gonzaga gebleven en volgde dus het lot van hun Mantovaanse bezittingen – inclusief de afzetting van de laatste hertog van Mantua, Ferdinand Carl, door de Rijksdag wegens zijn keuze voor het huis Bourbon in de Spaanse Successieoorlog. Lodewijk XIV, die van de nood een deugd wist te maken, annexeerde het vorstendom Arches dan maar bij Frankrijk en stelde het huis Bourbon-Condé aan als heren over het gebied – zij het onder de Franse kroon.

Minder dan een eeuw nadien maakte de Revolutie ook in Charleville een einde aan de oude orde. De laatste heer van Charleville, Louis V Joseph, achtste prins van Bourbon-Condé koos net zoals velen van zijn standgenoten voor de emigratie. Hij deed echter meer en zette de militaire traditie van zijn familie voort als bevelhebber van een emigrantenleger, dat bekend werd als het “armée de Condé.” Blijkbaar namen zijn onderdanen het hem niet kwalijk, want bij de Restauratie in 1814 gaf de bevolking van Charleville duidelijk te kennen uit te zijn op de terugkeer van de Condés als lokale heren. Haar zin kreeg ze niet: het herstel bleek maar een herstel ten halve te zijn.   

Twee wereldoorlogen maakten een eind aan nogal wat prinselijk patrimonium in Charleville. Op het hertogenplein blijft echter nog iets van de oude luister zichtbaar, al was het maar door de kenmerkende koepelarchitectuur, die teruggaat op de plannen van Carlo Gonzaga. Naar men zegt, loeit de wind soms over het plein “het had kunnen zijn”.     

De Place Ducale in Charleville