Gerrit Dous klaslokaal

Over de zwakten en merites van ons onderwijsstelsel is veel te doen en dat niet sinds gisteren. Sedert 2006 ijvert Beter Onderwijs Nederland voor meer kwaliteit in het onderwijs, wat volgens deze vereniging onder meer het volgende inhoudt (punt 4 van haar doelstellingen):

“Leerlingen van verschillende intelligentieniveaus, met verschillende vaardigheden en interesses, moeten na de basisschool in onderscheiden schooltypen lessen volgen met op hun capaciteiten toegesneden vormen van onderwijs.”

Voor een vereniging die zich beroept op het gezonde verstand klinkt dat niet slecht, wat nog niet wil zeggen dat dit standpunt geen vragen oproept. Waarom dient er sprake te zijn van onderscheiden schooltypen en volstaat onderscheid binnen eenzelfde school niet, of is het zelfs niet wenselijk? Waarom is het einde van de basisschool het goede moment om te gaan focussen op ieders capaciteiten? Is dat niet te laat, eerder dan te vroeg?

Opnieuw valt het op dat de verdedigers van het gezonde verstand er niet in slagen het paradigma van hun tegenstrevers te verlaten. Op geen enkele manier stellen de vrienden van BON immers vragen bij het klassikale onderwijsmodel. Dat is eigenaardig, want zelfs een onschuldige club als het Nut heeft dat destijds wel gedaan – nadat zij eerst uitgebreid voor de invoering van het klassikale model had gepleit. Dat ging zo.

Hoe eertijds het onderwijs georganiseerd was, weten we uit de schilderijen van Gerrit Dou en Jan Steen, waarover we zo graag lacherig doen. Kinderen die door elkaar lopen, een onderwijzer die zich boos maakt op een jongetje. Vooral: wanorde, en daar verdragen we niet goed.

Ook de vrienden van het Nut vonden dat maar niets en bepleitten in de Patriottentijd en daarna het vuur de invoering van het klassikale model. Weg met de onderwijzer die de leerlingen een na een bij zich riep en voorzag van een opdracht naar ieders talent en vorderingen. Het gemiddelde moest voortaan heersen en het tempo werd niet langer bepaald door elke leerling voor zich, maar door wie noch te dom, noch te verstandig was.

Niets dan voordelen zou deze leermethode hebben volgens de verlichte geesten. Ze bevorderde de gelijkheid, want niemand werd slimmer dan een ander. Sommigen bleven dommer, maar dat was hun eigen schuld. Daarenboven liet het toe iedereen dezelfde ideeën en gedachten mee te geven. De school zou niet kinderen niet langer geschikt maken voor het leven en de kennis, maar voor het burgerschap.

Dat ook de Franse revolutionairen de dingen zo zagen, zal wel niemand verbazen. Samen met het leger werd de school de grote gelijkmaker. Michel Foucault mag dan al een weinig appetijtelijk kereltje zijn geweest, hij had het niet fout voor wanneer hij scholen net als gevangenissen en kazernes omschreef als instellingen die gericht zijn op het ordenen en leiden van mensen.

Althans: dat is waar voor de school van zijn tijd, voor de school die zich beroept op de vrijheid en gelijkheid, bij gebrek aan broederlijkheid. Eens te meer blijkt het de moderniteit met haar pseudo-wetenschappelijke aanspraken te zijn die de basis heeft gelegd voor een samenleving die sterke gelijkenissen vertoont met een instelling voor gesloten jeugdzorg en dat voor de duur van het hele leven.

Het antwoord daarop is dus niet méér van die vrijheid maar wel een ander perspectief. Een perspectief dat natuurlijke distinctie in evenwicht weet te brengen met gelijkheid voor God. Of het klassikale systeem daartoe bijdraagt, is zeer de vraag.

De Prins en zijn volk

Bij een vorige gelegenheid brak ik een lans voor het aloude Wien Neêrlands bloed, dat door de publieke opinie toch wat mishandeld is. Het is echter goed dat het Wilhelmus een zelfde waardige toonzetting heeft en zelfs een oudere traditie vertegenwoordigt.

Onze vrienden in Vlaanderen worstelen wel eens met de toonzetting van hun volkslied. Hun officiële nationale hymne, de Vlaamse Leeuw, klinkt als een wat burgerlijker versie van de Marseillaise. Over onzuiver bloed gaat het enkel in die laatste, maar er wordt ook stevig geruzied in de eerste. Geef mijn portie maar aan Fikkie, ook al heb ik daar strikt genomen niets mee te maken.

In Vlaanderen hoor je dan ook geregeld dat het de Vlaamse Leeuw aan stijl ontbreekt. Vaak wordt dan het “Gebed voor het Vaderland” aangehaald als een mogelijk alternatief. Naar tekst en melodie valt daar aardig wat voor te zeggen:

Heer, laat het Prinsenvolk der oude Nederlanden
Niet ondergaan in haat, in broedertwist en schande;
Maak dat uit de oude bron nieuw leven nogmaals vloeit,
Schenk ons de taaie kracht om fier, vol vroom vertrouwen,
Met nooit gebroken moed ons land herop te bouwen;
Tot statig als een eik voor U ons volk herbloeit.   

Voor sommigen is het een probleem dat de auteur van deze tekst na de Tweede Wereldoorlog enige tijd in hechtenis zat, ook al werd hij niet veroordeeld. Dat laatste zou in een rechtstaat moeten volstaan en wie echt spijkers op laag water wil zoeken, weze eraan herinnerd dat de tekstdichter van het Wilhelmus een taliban van zijn tijd was.

Daar gaat het nu dus niet over, wel over het eigenaardige woord in de eerste versregel: een Prinsenvolk, wat mag dat nou zijn?

Vandaag wordt die term vaak als een soort collectieve adelbrief beschouwd. Onlangs schreef iemand dat met “Prinsenvolk” wordt gewezen op het “rijke financiële en culturele verleden van Vlaanderen.” Als dat zo is, zijn er nogal wat Prinsenvolkeren op deze aarde.

Voor anderen wijst de term op een collectieve adelsverheffing, de nationalistische dwanggedachte dat er binnen een cultuurgemeenschap geen verschillen mogen zijn van sociale, economische, politieke of religieuze aard. Allemaal Prins, allemaal gelijk. Misschien motiveerde dat wel de schrijver van de verzen, ons maakt het niet zo enthousiast.

Het Prinsenvolk in zijn historische betekenis

Zullen we dan maar even gaan snuisteren in de geschiedenis van de Nederlandse taal? Erg courant is de term Prinsenvolk  daar alvast niet. In de achttiende eeuw werd hij, meestal ironisch, gebruikt om mensen van Joodse religie, van het Uitverkoren Volk mee aan te duiden.

Positiever en ouder is dan weer de betekenis die het “volk” niet als een natie, maar als een militaire macht beschouwt, zoals in de termen voetvolk of paardenvolk. Het Prinsenvolk is daar het leger van de Prins van Oranje, of dat nu de Zwijger of Willem II was.

Misschien moet ook Vlaanderen wel teruggrijpen naar de meest oorspronkelijke betekenis? Een kwart van de Oranjesteden ligt in de Zuidelijke Nederlanden en vele dorpen en vlekken hebben meer te maken met de Koninklijke Familie dan de inwoners beseffen. Keert dat besef terug, zal ook het statige volkslied van het Zuiden zijn betekenis volop terugwinnen.

Waarom Prinses Alexia de Koning van Hispanje toch beter eert

Het fenomeen kreeg enige aandacht in Frankrijk maar behoudens vergissing hoegenaamd niet in ons land – hoewel dat toch direct betrokken is. Waar de vaderlandse pers een jaar geleden ruim aandacht besteedde aan een ongelukkige uitlating van een Argentijnse journaliste over prinses Amalia, is de interesse die in datzelfde land wordt getoond voor haar jongere zus prinses Alexia blijkbaar onder de radar gebleven.

Nochtans is de inzet niet gering: de Argentijnse monarchistische beweging wenst haar namelijk de troon van het land aan te bieden, in een poging om een onafhankelijk gezag in het land te herstellen.

Het is overigens niet de eerste keer dat aan de Rio de la Plata staatkundige inspiratie wordt gezocht in de Lage Landen. Toen de revolutiegolf die in de vroege negentiende eeuw over Zuid-Amerika spoelde de laatste vicekoning, Francisco Javier Elio, naar huis stuurde, verenigden de landen die onder zijn gezag stonden zich in de zogenaamde Verenigde Provinciën van de Rio de la Plata. Later werd die naam vervangen door de Argentijnse confederatie en uiteindelijk door Argentinië.

Francesco Javier Elio, de laatste Spaanse vicekoning van de Rio de la Plata

Maar ernstig? Een Oranje op de Argentijnse troon? Vleiend, maar geen goed idee. De Argentijnse monarchisten zijn best sympathiek, maar denken volkomen orleanistisch, waarbij een vorst een middel is om een institutionele chaos voor enige tijd te bezweren. Ze vergeten dat stabiliteit rust op legitimiteit, zodat het niet helpt overzee een vorstendochter te gaan zoeken om het probleem van de instellingen te regelen.

Daarenboven is Argentinië ontstaan uit een opstand tegen de legitimiteit, waarbij de nieuwe rijken van de steden en plantages zelf staatshoofd wouden spelen en daarom de Spaanse koning vervallen verklaarden. Zou het geen goed idee zijn om het euvel bij de wortel aan te pakken en na te denken hoe de dwaalweg van 1810 kan worden rechtgezet? Als er een koning van Argentinië is, is die ook koning van Spanje.

Dat maakt de zaken nog wat delicater, want de legitieme opvolger van de Spaanse koningen van toen is Alexia’s achterneef Carlos de Bourbon de Parme, zoon van prinses Irene en Don Carlos Hugo (behalve voor wie op basis van de Spaanse theorie van de “legitimiteit van het gedrag” aanvaardt dat de rechten van Carlos Hugo op de kroon waren vervallen en zijn overgegaan op zijn kinderloze broer Don Sixto Enrique). Hoe men het ook draait of keert, de koning van Argentinië woont in Den Haag.

Misschien moeten de Argentijnen de instellingsgeschiedenis van de Lage Landen nog wat grondiger bestuderen en ontdekken hoe ooit een Oranje de rechten van een Spaanse vorst is gaan uitoefenen met de titel van stadhouder. Hoe hij “in stede van” de koning het land bestuurde. Wat een mannelijke Oranje ooit kon, moet een vrouwelijke vertegenwoordigster van het hoge Huis zeker kunnen.    

Prinses Alexia, morgen stadhouder aan de Rio de la Plata?

  

In Nantes, in de witte zone

Naarmate de covidmaatregelen langer duren, neemt ook ons vermogen te dromen weer toe. Nu zelfs kleine reizen onbereikbare doelen zijn geworden, is de drempel ook lager om verder te kijken. Wie het grote niet geert, is het kleine niet weerd, zegt men naar verluidt in Vlaanderen.

Eerlijk gezegd ben ik ook wel eens toe aan een echte buitenlandse reis, eerder dan nog even langs vertrouwde oorden als Paramaribo, Kaapstad of Buitenzorg te trekken. Geef me deze keer maar Nantes.

Hoewel de stad aan de Loire politiek gezien stevig links verankerd is, wist ze een cultureel klimaat te behouden dat de blik blijft richten op wat niet meteen voorbijgaat. Dat blijkt onder meer uit het feit dat het standbeeld van de onfortuinlijke koning Lodewijk, Zestiende van die naam, dat in 1822 werd geplaatst ter uitvoering van een plan dat nog voor de revolutie was opgevat, nooit werd verwijderd. Orléans noch republiek hebben het ooit gedaan gekregen de koning te verdrijven, ook al waren er meer dan voldoende plannen in die zin.

Het standbeeld van Lodewijk XVI in Nantes

Minder bekend is dat er op een steenworp van het standbeeld ook levende mensen huizen die de gedachtenis van de koning eren. De plaatselijke sociëteit, opgericht in 1760, komt er rond voor uit de koningsgezinde en katholieke traditie uit te dragen. In het Montaudouin-herenhuis, dat uitkijkt op het standbeeld van de koning, worden de eeuwige waarden tot vandaag gekoesterd. Overigens is dat herenhuis het werk van architect Mathurin Crucy, die ook de leiding had over de oprichting van het standbeeld van de koning. Tijdens het terreurbewind van Carrier diende Crucy Nantes te ontvluchten. Zijn inzet voor het behoud van monumenten uit de prerevolutionaire periode had hem verdacht gemaakt…

Het ‘hôtel Montaudouin’, zetel van de Cercle Louis XVI

Toevallig konden we de hand leggen op een klein maar keurig gedenkboekje dat de sociëteit in 1907 uitgaf voor de eigen leden. Ons exemplaar behoorde toe aan een hoge officier, die de historische hoofdstukken ongelezen liet en zelfs niet opensneed, maar het boek gebruikte als een ledenlijst.

Weer een eeuw verder is het hartverwarmend te lezen hoe de kroniekschrijver met een mengsel van milde spot en diep respect terugkeek naar zijn voorgangers. Hoe vanzelfsprekend was hun trouw aan de hertog van Chambord, hoe diep hun verachting voor Marianne! Anderzijds kon hij een glimlach niet onderdrukken toen hij terugdacht aan de rijen persoonlijke porseleinen nachtpotten die enkele decennia voordien nog stonden te pronken in het sanitair.

Toen, net als nu was de Louis XVI een sociëteit “et non un cercle ouvert devant les cotisations ». Traditie koop je niet, je draagt ze mee. Hopelijk kunnen we deze zomer twee bloemen leggen bij Lodewijk in Nantes.

Land en zee, kruis en halve maan

Mijn Romeinse lievelingskerk? De San Carlino, zonder enige twijfel, al vind ik het diminutief onrechtvaardig voor de creativiteit van Borromini.

San Carlo alle Quattre Fontane, Borromini’s trinitarische meesterwerk

Wat weinig mensen weten is dat deze kerk geen parochiekerk, maar een kloosterkerk is en de Romeinse stek van de oorspronkelijk Frans-Spaanse kloosterorde van de Trinitatiërs. Die ijverde voor de bevrijding van christenslaven uit de handen van Noord-Afrikaanse zeerovers en hun klanten. Ze richtte talloze broederschappen op ter ere van de Heilige Drievuldigheid, waar geld werd ingezameld om de torenhoge afkoopsommen voor de gevangen christenen te kunnen voldoen.

Om vanzelfsprekende redenen was de orde met name populair waar het risico van een  piratenraid een dagelijkse realiteit was, met andere woorden in het bekken van de Middellandse Zee. De barbarijse zeerovers waagden zich echter ook geregeld in wildere wateren, zodat ook langs de kusten van de Atlantische Oceaan en de Noordzee kloosters en broederschappen ontstonden.

De Drie-eenheid waakt over de slaven. Antwerpen, Sint-Jacobsmarkt

In de Lage Landen betekende dit dat met name in het graafschap Vlaanderen instellingen van trinitarische spiritualiteit werden opgericht. Ook elders waren echter broederschappen, zoals in Brussel, Antwerpen, Mechelen en Diest en zelfs in de Hollandse Zending na de scheiding der Nederlanden. Kloosters waren er opvallend genoeg enkel in de romaanse Nederlanden, zoals in Orival bij Nijvel en in Bastenaken. Een omvattende studie over de Trinitariërs in de Lage Landen ontbreekt nog.

Het voormalige refugiehuis van Orival in Nijvel

Toen Jozef II zijn opleiding tot koster aanvatte, was een van zijn eerste maatregel de opheffing van de trinitarische broederschappen. Het gevaar voor ontvoering door islamitische piraten leek hem geweken en de broederschappen bezaten nogal wat financiële middelen, die misschien niet beter, maar wel anders konden worden gebruikt door de overheid.

In welke mate de tweede reden belangrijker was dan de eerste, zou blijken in augustus 1816, toen een gecombineerde Engels-Nederlandse vloot de stad Algiers bombardeerde als represaille voor het ontvoeren van een aantal Europese zeevarenden. De Nederlandse marine, onder bevel van vice-admiraal Van de Capellen, verloor er 22 zeelui. Al zijn er zeker gelijkenissen te vinden tussen Jozef II en Willem I, hun beleid ten aanzien van de Maghreb verschilde alvast fundamenteel.

Het bombardement van Algiers op 27 augustus 1816 door Martinus Schoeman

Amper veertien jaar later was het definitief gedaan met de barbarijse zeeroverij. Als een saluutschot  van de steeds weer ondermijnde Resturatiemonarchie in Frankrijk veroverden de troepen van koning Karel X begin juli 1830 onder leiding van maarschalk Louis de Bourmont het huidige Algerije. Drie weken later kwam het Parijse geteisem in opstand en kroop Louis-Philippe richting troon. De stijlvolle houding van het nieuwe regime werd aangegeven, toen Bourmont, die niet wenste te dienen onder een andere vorst dan de legitieme, werd verboden gebruik te maken van een Frans schip op huiswaarts te keren met het hart van zijn in Algerije gesneuvelde zoon als voornaamste bagage. Enkele maanden later zou hij in Den Haag verschijnen, waar hij de hertogin van Berry bijstond bij de voorbereiding van haar drieste poging om de Vendée nogmaals te mobiliseren tegen de revolutionaire hydra, die nu een nieuwe gestalte had aangenomen. Dat is echter een andere geschiedenis.

Maarschalk Louis de Bourmont

Waren het enkel de omstandigheden die Bourbon en Oranje enerzijds en Habsburg anderzijds zo uiteendreven bij de keuze van een beleid ten aanzien van de islamitische wereld? Deels was dat zeker het geval, maar misschien was er meer. Tussen eerstgenoemde landen en de Sublieme Porte en haar verzelfstandigde onderdelen lag de zee. Die liet toe harde confrontaties uit te vechten, maar ook bondgenootschappen te sluiten, zoals de Franse kroon meermaals illustreerde.

Die luxe hadden de Habsburgers niet. De Porte was hun buur op het land, waarmee men vaak een modus vivendi diende te vinden, maar die nooit een bondgenoot kon zijn.

Carl Schmitt beschreef in Land und Meer hoe het onderscheid tussen landratten en zeeschuimers de geschiedenis en het volkenrecht geboetseerd heeft. De Trinitariërs voegen een dimensie toe aan zijn verhaal.

Conservati fedele, Weilburg!

Velen kennen de charmante aria die Wolfgang Amadeus Mozart schreef op Pietro Metastasio’s tekst “Conservati fedele”. De melodie is zo trefzeker dat enkel het lage nummer in de Köchelcataloog ons eraan herinnert dat het Salzburgse wonderkind dit werk schreef toen hij amper negen jaar was.

Dat deed hij overigens in ’s Gravenhage waar hij op concertreis was. Het werk werd opgedragen aan prinses Carolina van Nassau-Weilburg, geborene Oranje-Nassau, de oudere zus van stafhouder Willem V. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat het heeft weerklonken op een van de gedenkwaardige feesten in het paleis Nassau-Weilburg, nu de Haagse Schouwburg.

De tekst is even soepel als helder, zoals je dat van Metatstasio kan verwachten.

Conservati fedele;

Pensa ch’io resto, e peno,

E qualche volta almeno

Ricordati di me.

Ch’io per virtù d’amore,

Parlando col mio core,

Ragionerò con te.

Het gaat hier over trouw, de amoureuze trouw die zo vaak een metafoor is geweest voor andere vormen van trouw. Alle hebben ze echter met elkaar gemeen dat ze betrekking hebben op het menselijke. Trouw aan God is slechts denkbaar omdat God mens is geworden. Trouw aan een idee omdat die onverbrekelijk verbonden is met haar bedenker.

Een mooie illustratie van menselijke trouw gaf overigens aanleiding tot de bouw van een slot dat Weilburg heette. Aartshertog Karl van Oostenrijk, de laatste Habsburgse landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, huwde in 1815 met prinses Henriette van Nassau-Weilburg, een kleindochter van prinses Caroline. Ze werd geboren in Bayreuth, toen haar ouders daar op de vlucht waren voor het revolutionaire geweld. Hoezeer de familie zich met de Lage Landen verbonden bleef voelen, blijkt uit de naamgeving van Henriettes oudste broer, die als derde doopnaam Belgicus, de Nederlander meekreeg.

Omdat hij vreesde dat zijn jonge echtgenote heimwee zou krijgen, schonk aartshertog Karl haar een slot dat niet enkel de naam droeg van haar thuisstad, maar er ook de sfeer van moest ademen. Ongewild – of niet – bouwde hij zo ook een monument voor de eenklank tussen de twee families die het meeste vorm hebben gegeven aan de Lage Lande, Habsburg en Nassau.

Een monument voor de eeuwigheid mocht de Weilburg niet worden. Bij het einde van de Tweede Wereldoorlog maakten Sovjettroepen een puinhoop van het kasteel, dat de vijandelijkheden nochtans goed doorstaan had. Indien ze het had gezien, zou Henriette ongetwijfeld gelijkenissen hebben vastgesteld met de beeldenstormers en sansculotten van haar tijd.

En toch: de zogenaamde wapensteen, waarin het alliantiewapen van aartshertog Karl en prinses Henriette was afgebeeld, overleefde als bij wonder de barbarij. Alsof het ons toezingt: conservati fedele!  

De wederkomst volgens Jan Andries Anneessens

De steen die de bouwlieden hadden verworpen is tot Hoeksteen geworden, sprak de Heer. Voor deze Paasdag is het een zinvol woord ter overweging, dat ons herinnert aan de vergankelijkheid van het menselijke oordeel, hier en hoeveel meer nog aan de Overkant. Een exempel daarvan mag het leven van Jan Andries Anneessens (1689-1767) zijn.  

Bij sommigen doet de naam Anneessens nog een belletje rinkelen, maar dan gaat het om de gildedeken Frans, die in 1719 werd onthoofd op bevel van de kortstondige landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden markies de Prié. Anneessens stond voor het behoud van de stedelijke en landelijke privileges waarmee Prié komaf wou maken in naam van grotere gelijkvormigheid en efficiëntie. De pogingen van zijn zoon Jan Andries om zijn vader op borgtocht vrij te laten, bleven vruchteloos.

Je zou verwachten dat de zoon van een wegens oproer terechtgestelde vader in de strenge dagen van voor de Revolutie het voorwerp zou zijn geweest van vervolging en ostracisme. Welneen, in 1733 benoemde Priés opvolgster, landvoogdes Maria-Elisabeth hem zelfs tot hofarchitect. Dat zij de zaken anders bekeek dan haar voorganger, leek trouwens meer regel dan uitzondering te zijn: zo libertijns Prié was, zo ultramontaans was Maria-Elisabeth en zo respectloos de ene omging met de wetten van het land, zozeer poogde de andere de noden van haar tijd tegemoet te komen binnen dat eeuwenoude kader. Misschien nog meer dan Maria-Theresia was haar tante Maria-Elisabeth (1680-1741)  de Landesmutter van de Zuidelijke Nederlanden. Reiziger, leg bij een volgend bezoek aan Wenen een bloem op haar kist in de Kapucijnercrypte.

Maria Elisabetha, Mater Belgorum

Terug naar Anneessens. Die bouwde voor de landvoogdes de stallingen voor haar paleis in Tervuren, waarin eerstdaags een hotel zou worden ingericht. Daarnaast voerde hij nog de meest uiteenlopende werken uit, onder meer voor de Leuvense universiteit. Aan het Heilige-Geestcollege in de Naamsestraat voegde hij een poortvleugel toe, die inmiddels is verdwenen.

De poortvleugel van het Heilige- Geestcollege

Toeval is het zeker, maar tot op zekere hoogte is alle duurzaamheid toeval. In het zelfde college woonde en werkte dertig jaar later de eximius Jan Frans van de Velde, die met woord en daad de wetten van stad, land en hogeschool verdedigde tegen een geestelijke nazaat van Prié, Jozef II. Zou iets van de geest van vader Anneessens in de muren van de poortvleugel hebben gezeten?   

De stallingen in Tervuren, Anneessens meest spectaculaire verwezenlijking

Louis Dimier, van de Savoie tot het hertogdom Kleef

Terwijl in de beginjaren van de Eerste Wereldoorlog een aantal Belgische staatsmannetjes in Parijs en Le Havre droomden van de aanhechting van Zeeuws-Vlaanderen en de hele provincie Limburg bij hun muitersrijk, suggereerde een iets meer gezaghebbende auteur de terugkeer van het aloude hertogdom Kleef onder de Nederlandse kroon. Voor Oost-Friesland bepleitte hij een sui-generisstatuut, onder de drievoudige garantie van de vorsten van het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Nederland. Zijn naam? Louis Dimier.

De oudere Dimier aan een boekenstallatje bij de Parijse Seinekaaien

Wie, hoor ik al vragen? Inderdaad, vandaag is Dimier ten onrechte vergeten maar toen hij zijn ideeën rond de opsplitsing van het Duitse Rijk, onder meer ten voordele van Nederland, aan het papier toevertrouwde, was hij niet enkel een van de meest vooraanstaande Franse kunsthistorici maar ook de secretaris-generaal van het Institut d’Action Française, het vormingsinstituut van de gelijknamige monarchistische beweging rond Charles Maurras.

Met Maurras brak hij kort na de oorlog, naar verluidt omdat hij diens lijn te radicaal vond. Aandachtige lectuur van Dimiers teksten relativeert die visie. Hun meningsverschil zat dieper dan de nuance tussen gematigdheid en radicaliteit. Integendeel, Dimier verweet Maurras net zijn aanschurken tegen de rechtervleugel van de nationalistische republikeinen. Want als hij iets niet was, was het nationalist. De titel van zijn studie Le nationalisme littéraire et ses méfaits chez les Français spreekt ter zake boekdelen.

Dimier was niet enkel geen nationalist, hij kon het gewoonweg niet zijn en wel om twee grote redenen. Vooreerst was hij katholiek, wat per definitie een bereidheid impliceert om over nationale grenzen uit te kijken. Je kan niet behoren tot een nationale kerk en katholiek zijn, hoezeer onze anglicaanse vrienden dat ook proberen. En ten tweede was hij afkomstig uit de Savoie, die haar eigenheid als natie nooit echt was kwijtgeraakt. Dimiers visie op decentralisatie was dus, meer nog dan die van Maurras, geworteld in de eigen ervaring en hij combineerde zijn loyaliteit aan het oude huis van Savoie met zijn inzet voor het herstel van de Bourbons.

In Dimiers denken nam Bossuet een belangrijke plaats in. Met Maurras weigerde hij de Grand Siècle en de barok op te offeren aan een schimmig neo-medievisme. “La pensée de Versailles”, zoals die tot uiting kwam in architectuur, muziek en letterkunde was voor hem de kwintessens van het herstel van Frankrijk. Kon het ook anders bij iemand die van huis uit kunsthistoricus was en promoveerde op het werk van Francesco Primaticcio, de Italiaanse hofschilder van Frans I?

Jammer, maar begrijpelijk dat lieden als Dimier vergeten zijn geraakt. Ze houden ons een spiegel voor die niet altijd aangename beelden biedt. Ook al klinkt zijn plan met Kleef verdraaid aantrekkelijk.

De Zwanenburcht in Kleef: ook aan die overkant is Nederland

Hoe Brabanders en Friezen met Deense hulp op hun paardje zijn

We hadden al de gelegenheid te spreken over de abdij van Heylissem, gelegen in het zuidoosten van het hertogdom Brabant, naar aanleiding van de bouwwerken die Laurent-Benoît Dewez er vanaf 1768 uitvoerde. Zijn opdrachtgever was abt Michel Gosin, die niet enkel belangstelling had voor architectuur – zo leren we uit een lezenswaardig stukje van de hand van Joseph Tordoir (https://www.chouettemag.be/chroniques/josephtordoir.html).

Gosin, een zoon uit een herenboerengeslacht groeide op in Huppaye, nabij Ramillies, waar een generatie eerder het leger van Lodewijk XIV een verdiend pak rammel had gekregen tijdens de Spaanse Successieoorlog. Uit zijn landelijke jeugd bewaarde kanunnik, en later abt Gosin een passie voor paarden.

Meteen na zijn verkiezing tot abt en nog voor hij de verbouwingen van de abdij ter hand nam, richtte Gosin een stoeterij op. Centraal daarin stond de Holsteiner hengst Le Brillant, die Gosin uit de nalatenschap van de Brusselse nuntius Giovanni Carlo Molinari had gekocht. De Holsteiners waren ontstaan in de zeventiende eeuw en waren vooral populair als trekpaarden voor koetsen.

Nuntius Molinari, door Rosalba Carriera

Abt Gosin kruiste de Holsteiners met de klassieke Brabanders, zodat ze iets groter werden en beter geschikt voor langdurige inspanningen. Hun populariteit groeide met de dag, zodat de persoonlijke hobby van Gosin ook zijn opvolgers wist te boeien – tot de Revolutie, alweer de Revolutie, een einde maakte aan het bestaan van de abdij, en dus ook van de stoeterij.

Tot omstreeks 1920 waren er in de streek van Tienen en Geldenaken nog afstammelingen van Le Brillant te herkennen, maar de Koninklijke Maatschappij het Belgisch Trekpaard vond het noch bij haar oprichting noch nadien nuttig om deze vorm van levend erfgoed te koesteren en te bevorderen. Door kruising ging de Hagelander weer op in de Brabander en verdwenen de sporen van Le Brillant opnieuw in de geschiedenis.        

Als het er echter om gaat historische paardenrassen te koesteren, hebben de Lage Landen andere verdiensten. Het Friese ras is een van de nog steeds bloeiende variëteiten van het zogenaamde barokpaard, samen met de Deense Frederiksborger. De Hagelander was echter geen barokpaard, maar een later ontstane variant. Wie zet zijn schouders onder een terugkeer van dit eigen schoon dat verloren ging?

Het barokke schoonheidsideaal voor paarden

De Roomse putti van een Friese Nassau

In de kunstgeschiedenis van de Verenigde Provinciën doet zich gedurende het tweede stadhouderloze tijdvak (1702-1747) een merkwaardig verschijnsel voor. Met name in het tweede kwart van de achttiende eeuw nemen een aantal kunstenaars uit de Zuidelijke Nederlanden het voortouw in de verspreiding van een specifieke laatbarokke stijl, die het midden houdt tussen de Frans geïnspireerde klassicerende barok van een Daniel Marot en de rococostijl van een latere periode. De meest bekende vertegenwoordiger van deze groep is Pieter van Baurscheit de jonge, die echter in Antwerpen gevestigd bleef en van daaruit de noordelijke markt bediende. Zijn stadsgenoot Jan Baptist Xavery zette wel de stap om zich metterwoon in ’s-Gravenhage te vestigen, al bleef ook hij goede contacten onderhouden in de Scheldestad.

Xavery werkte met name voor edelen uit de landgewesten. Met de Friese Nassaus onderhield hij goede contacten, wat onder meer blijkt uit zijn sierlijke portretbuste van Willem IV.

Willem IV door JB Xavery

Beide groepen stonden overigens niet los van elkaar. Waar de rechten van Willem IV vanzelfsprekend het snelst werden erkend in zijn thuisprovincie Friesland, volgden Groningen, Drenthe en Gelre dat voorbeeld vrij snel. Voor Holland, Zeeland, Utrecht en ook voor het recalcitrante Overijssel waren daarvoor de roeringen van 1747 nodig.

Daarenboven behield Xavery toegang tot het katholieke netwerk, dat hem geregeld deed samenwerken met de hier reeds voorgestelde Jacob de Wit.

Bestond er ook een band tussen die groepen? Zijn tegenstrevers verdachten Willem IV openlijk van roomsgezinde neigingen en hij deed weinig om die geruchten tegen te spreken – integendeel, hij liet nog een werkje met Italianiserende putti toevoegen aan zijn collectie. In een breder perspectief zouden dergelijke neigingen trouwens perfect begrijpelijk zijn geweest nu het republicanisme van de regenten nauwer aansloot bij het calvinisme dan bij de leer van de Moederkerk.

In de ziel van de jonggestorven stadhouder kunnen we niet kijken, maar zijn artistieke voorkeuren versterken onze vermoedens alleen maar. Daarbij is het niet onschuldig dat het werk van Xavery vooral decoratief van aard is. Zegt de decoratie die we uitkiezen niet veel meer over ons diepste zelf dan de steunpilaren van onze woningen en kerken?     

JB Xavery: Grafmonument voor Sicco van Goslinga