Kluis en kasteel

Bij een eerdere gelegenheid wezen we al op het mystieke gravinnentitel die de Moeder Gods in Holland draagt. Haar aanwezigheid in al de Nederlanden is echter veel omvattender. Dat is natuurlijk zo in het Zuiden, maar in het Noorden is dat niet anders. Of het nu in Delft, Bolsward, Kapellebrug, IJsselstein, Emmer-Compascuum, Frieswijk, Renkum, Empel of Schilberg is – op Flevoland na heeft elke Nederlandse provincie wel een bedevaartsoord naar de Heilige Maagd. En ook de kleinste provincie van het land zal ooit nog wel de rei van gouwen vervoegen in de verering van Maria.

Vraag ons niet naar een voorkeur. Empel heeft een bijzondere geschiedenis, maar als het erop aankomt is de eerste plek die we weer willen bezoeken Warfhuizen. Dat is zeker niet het oudste bedevaartsoord, maar Warfhuizen staat wel met twee voeten in de geestelijke tegengeschiedenis van de Republiek – de historiografie die de sporen van de contrareformatie verkiest boven die van hervorming en verburgerlijking.

Een bedevaartvaantje uit Warfhuizen

Dat geldt zeker nu in Warfhuizen ook de traditie van het kluizenaarschap nieuw leven werd ingeblazen. Toen Broeder Ludgerus in 1930 de kluis op de Schaesberg bij Valkenburg had moeten verlaten, en zo een einde was gekomen aan de traditie die de graven Hoen hadden ingezet en die zo bijzonder werd voortgedragen door oud-zouaaf Hendrik Weerts, leek de Nederlandse kluizenaarstraditie beëindigd te zijn. Wat een dwaasheid echter te denken dat tradities eindigen als ze onderbroken worden – alleen worden ze dan voortgedragen op een wijze die minder zichtbaar is.

Net als bij de Schaesberg kluis en kasteel  ten nauwste verbonden waren, zou ook de kluis van Warfhuizen niet denkbaar zijn geweest zonder een adellijk huis. Gedurende generaties bewaarde de familie Van Ewsum daar immers op de Lulemaborg de trouw aan de Moederkerk. Ze steunde de uiteengejaagde gelovigen met raad en daad en bouwde schuilkerken waar nodig.

De oude Lulemaborg

Toen na de Franse tijd vele borgen werden afgebroken, deelde ook de Lulemaborg in dat lot. Werd de traditie dan ook verbroken? Opnieuw: neen, ze werd slechts onderbroken. Kan het toeval zijn dat net in Warfhuizen de lokale waterstaatskerk, die verlaten was door de hervormden, in 2001 door katholieken werd weergekocht en teruggeschonken aan de eredienst?

Warfhuizen toont ons de futiliteit van alle menselijke streven, maar nog meer van alle menselijke wanhoop. Natuurlijk zijn wij niet in staat geloof en orde te herstellen. Dat doen anderen voor ons – alleen mogen we die anderen niet in de steek laten. En dat geldt zeker voor de Bedroefde Moeder van Warfhuizen.

Een Koblenz tussen Lek en Demer

We beseffen het onvoldoende, maar er was een tijd toen de Lage Landen een toevlucht boden aan het wrakhout van het Oude Europa. Zo lang ligt die tijd niet eens achter ons: het is de tijd van onze groot- en overgrootouders. Het is de tijd die zelfs door wie de Oude Bedeling een lange nawerking toedicht tot de moderniteit wordt gerekend. Het is de tijd na de grote Europese suïcideoorlog die uitbrak in 1914. De Lage Landen waren toen wat Koblenz was ten tijde van de Franse Revolutie: een symbolische wachtplaats voor de terugkeer van betere tijden.

Vandaag is Huis Doorn een rariteitenmuseum, de plek waar keizer Wilhelm II hout hakte. Er is amper nog iemand te vinden die weet dat de keizer, voor hij het huis kocht, anderhalf jaar op kasteel Amerongen te gast was bij Godard, graaf van Altenburg Bentinck, die maar al te graag inging op een discrete vingerwijzing van de Gelderse commissaris van de Koningin, jonkheer Schelto van Citters, en dus indirect op een verzoek van de Majesteit zelf.

Bij de zegevierende mogendheden steeg een gehuil op dat wel te verwachten, maar niet stijlvol was. Er werd geredetwist over de hoogte van de boom waaraan de voormalige keizer moest worden opgeknoopt en over de straf die het hoogmoedige Nederland moest worden opgelegd. Hoe durfde dat kabouterlandje wel – niet alleen buiten de oorlog blijven, maar dan ook nog zijn asielrecht hoog houden in het voordeel van een afgezette vorst!

Als Duits keizer zouden we Wilhelm niet onmiddellijk omschrijven als een vertegenwoordiger van de “legitimitad proscrita” (zoals de carlistische orde van verdienste heet), hoogstens kon hij zich op die titel beroepen als koning van Pruisen.

Kasteel ter Ham, zoals het eruit zag in de dagen van Keizer Otto

Wie op dat vlak wel onberispelijk kon heten, was de jonge Keizer Otto. Amper tien jaar oud volgde hij zijn vader, de Zalige Keizer Karl op. Na een verblijf in het Baskische vissersdorp Lequeitio vestigde Keizerin-weduwe Zita zich op het kasteel ter Ham in Steenokkerzeel bij Brussel, waar in 1930 de formele meerderjarigverklaring van Otto plaatsvond. “Steenokkerzeel” was een begrip in het Europese legitimisme en menig bezoeker begaf zich naar het landbouwdorp om er te delen in de wijsheid van de vorst.

Naast deze beide vorsten verbleven er destijds nog vele andere steunpilaren van de legitimiteit in de oude Lage Landen. De meesten waren Rusland ontvlucht na de zegepraal van het satanische regime van Lenin. Symbool voor deze groep staat generaal Pjotr baron Wrangel, die zich in  1925 in Brussel vestigde en er in 1928 plots stierf, allicht vergiftigd door de doodseskaders van Moskou.

Monument voor generaal baron Wrangel in Sremski Karlovci (Servië)

We hebben in deze Kerstdagen vaak horen vertellen over de kribbe van Bethlehem, die symbool staat voor gastvrijheid voor de zwakken en vervolgden. Natuurlijk gaat Kerstmis over veel meer, vooral over de incarnatie van de Drie-Ene God. Dat neemt echter niet weg dat de menselijke boodschap van het Kerstfeest relevant blijft. Die boodschap werd in de Lage Landen ooit op een prachtige manier vorm gegeven.  Niet eens zo lang geleden.

Toen Luik de Edelgarde wapende

Dat de Geheime Nederlanden er soms het zwijgen toe doen, verbaast de trouwe lezer niet. Onze man achter de knoppen wil eens per jaar doen vergeten dat hij ook een duivel doet al is. Dat gebeurt door een langere retraite, maar toen hij ditmaal terugkeerde naar het IJ, leek de stad daar één grote retraite geworden te zijn, met dank aan de nieuwe lockdown. Een aantal gekkigheden zullen we bepaald niet missen, maar vrolijk wordt een mens er niet van.

Dan maar de vrolijkheid zoeken in wat onbetwistbaar is, namelijk de geschiedenis. Door toeval viel ons een klein boekje in handen dat afkomstig is uit een doorgaans betrouwbare bron: de Tipografia Poliglotta Vaticana. Daar verscheen in 1986 een korte studie van Carlo de Vita en Jean Puraye over Luikse geweren voor de Pauselijke Edelgarde.

Hun verhaal past perfect in de zouaventraditie, die zo kenmerkend is voor de hele Nederlanden en in onze bladzijden al vaker ter sprake kwam. Niet enkel vrijwilligers maakten echter de reis naar de Heilige Stad, ook een kleine tachtig geweren van het model Remington werden ter ondersteuning van de tijdelijke rechten van het Pausdom Romewaarts gestuurd. Ze werden geschonken door katholieke notabelen uit het bisdom Luik en waren gefabriceerd door de firma Nagant, waarvan de eigenaars ook gul eigen producten aan de Heilige Vader schonken.

Henri Nagant, eigenaar van de gelijknamige wapenfabriek

De wapens waren geen doorsnee geweren, maar hypermoderne schiettuigen, die versierd waren met de wapenschilden van de gulle gevers. Dat waren vaak priesters en edelen, maar ook een delegatie van katholieke arbeiders uit het Luikse industriebekken. De geweren waren bestemd voor de Pauselijke Edelgarde, opgericht door Pius VII in 1801 en voornamelijk belast met de persoonlijke veiligheid van de Paus. Het was een klein corps, dat aanvankelijk slechts uit 62 leden bestond. Het was niet alleen klein, maar ook exclusief, zoals zijn naam aangeeft en ook blijkt uit de graden van de leden ervan. Een gewoon lid van de Edelgarde droeg de graad van kapitein, de kapiteins die van brigadier en de commandant die van luitenant-generaal.

De bevelhebbers waren steevast hertogen of prinsen. Ten tijde van de Luikse schenking stond de Edelgarde onder het bevel van de hertog van Castelvecchia, Carlo Barberini, uit het roemruchte geslacht. De laatste bevelhebber droeg weliswaar de eenvoudiger naam van Mario del Drago, maar stamde niet minder uit het prinselijke geslacht van Antuni.  

  

De Edelgarde in haar kenmerkende uniformen

Dat del  Drago de laatste was, had alles te maken met de postconciliaire verdwazing. Op 20 september 1970 besloot Paulus VI de Edelgarde te ontbinden en enkel de Zwitserse Garde te behouden als militair corps van de Heilige Stoel. De leden van de Garde kregen de titel van Edelman van Zijne Heiligheid aangeboden, de nieuwe benaming voor wat eeuwenlang bekend stond als “Camerieri di Spada e Cappa”. Geen van hen nam de pauselijke gunst aan.

De Luikse wapens hebben overigens nooit echte dienst gedaan. Ze kwamen in Rome aan nadat de Porta Pia was gevallen en Pius IX zich als gevangene in het Vaticaan terugtrok. Hoogstens hebben enkele leden van de aristocrazia nera ze met zich meegedragen tijdens wachtdiensten. Vandaag berusten ze in Historische Musea van het Vaticaan, waar ze herinneren aan de oude banden tussen Rome en de Lage Landen – en aan nog meer vergeten werkelijkheden.

De Realpolitik van Keizer Karl

Het gebeurt niet zo heel vaak dat je na het lezen van een boek het gevoel hebt dat alle stukjes op hun plaats zijn terechtgekomen – niet enkel die van het boek zelf, maar ook heel vele andere stukjes die je elders bij elkaar had gevonden. Zo’n boek is Zoltan Bécsi’s Forbidden Federalism. Secret Diplomacy and the Struggle for a Danubian Confederation 1918-1921, dat vorig jaar verscheen bij Helena History Press (293 pp., 45 €).

Voor de lezers van Geheime Nederlanden hoef ik allicht niet al te diep in te gaan op de manier waarop de Zalige Keizer Karl I tussen 1918 en 1921 ijverde voor het herstel van de kroon van het Huis Habsburg, met name in Hongarije. Dat doet ook Bécsi niet: hij beschouwt deze materie duidelijk als bekend. Zijn focus ligt op de pogingen van Karl om voor en na de Wereldoorlog een federatieve orde tot stand te brengen in Centraal-Europa en op de bondgenoten die hij daarbij binnen en buiten de grenzen van de (voormalige) dubbelmonarchie kon vinden. Het is daarbij tekenend voor de morele standaarden van de keizer dat hij tijdens zijn regeerperiode enkel werk maakte van federale initiatieven in het Oostenrijkse deel van zijn rijk, omdat hij meende zich door zijn Hongaaarse kroningseed het recht ontzegd te hebben daar het zelfde te doen. Nochtans was precies in Hongarije het nationaliteitenprobleem het pijnlijkst.

De ruime visie van Karl blijkt ook uit het feit dat hij in het kader van een naoorlogse federale ordening perfect kon leven met republieken in een Donaufederatie die de opvolger zou moeten zijn van Oostenrijk-Hongarije. Hij verwees daarvoor naar het statuut van de Hanzestad Hamburg, die ook eeuwenlang als republiek had geleefd binnen het kader van het Heilig Roomse Rijk.

Karls voornaamste buitenlandse bondgenoot blijkt eigenaardig genoeg een deel van de Franse diplomatie te zijn geweest. Een mogelijke verklaring daarvoor was de invloed van de monarchistische Action Française onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog en Bécsi wijst ook terecht op de rol die de AF-historicus Jacques Bainville in dit kader speelde. Anderzijds en minder principieel was er het Franse besef dat de eigen strategie om maximaal multinationale eenheidsstaten te doen ontstaan, die gedoemd waren tot intern conflict, op haar grenzen stootte.

Voor de afgescheiden delen van de oude dubbelmonarchie toont Bécsi geredelijk aan dat wie zich inzette voor een federale regeling in het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw haast per definitie naar de legitieme keizer keek. Dat is heel duidelijk het geval in Kroatië, waar zowel partijpolitici in Joegoslavië als ballingen in Graz de band tussen federalisme en legitimisme vanzelfsprekend achtten. In Slowakije viel een soortgelijke tendens te ontwaren terwijl in Tsjechië oud-militairen onder prins Lobkowicz in het najaar van 1919 klaarstonden om een coup te plegen in het voordeel van de keizer.

Bécsi schetst deze internationale van het goede recht in detail en met gepaste sympathie en maakt een einde aan de mythe van keizer Karl als een wat naïeve, zij het welmenende amateurpoliticus.

Tot slot nog een uitsmijtertje. Wie in Parijs (7de arrondissement) al eens een vorkje prikt in de onvolprezen Petite Chaise zag daar misschien op de eerste etage al de herinnering aan de Hongaarse balling en genealoog Szabolcs de Vajay, die na zijn lunch placht door te werken in het restaurant. Bécsi’s werk bouwt uitdrukkelijk voort op de Vajay’s proefschrift uit 1947, dat een vergelijkbare thematiek behandelde maar nooit werd uitgegeven. Als we nog eens in Parijs komen, laten we naar goede gewoonte de Eifeltoren links liggen en groeten we met dubbel genoegen de schim van de Vajay bij diens vaste tafel.

De Petite Chaise in betere tijden

Herstel of reïncarnatie?

Als het inderdaad zo is dat de mens, de gehele mens een traditiewezen is, staat het meteen vast dat niet enkel in Europa traditionele instituties zorg en ondersteuning verdienen. Als ze worden bespot, waar ook ter wereld, is dat vaak uit een misplaatst superioriteitsdenken, of dat nu modernistisch of neokoloniaal is. Vaak is het trouwens een beetje van beide en is het progressieve vernis een mooi excuus om Eurocentrische toogpraat te brallen. Niet met ons dus: wie de Negus als oplossing ziet voor spanningen in Ethiopië of wie steun uitspreekt voor de Klibur Oan Timor Asu’wain, de monarchisten op Oost-Timor, kan van ons minstens een luisterend oor krijgen en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook sympathie.

S. Salvador de Congo, hoofdstad van het oude koninkrijk Kongo

Dat geldt niet voor elke herstelbeweging – noch in Europa, noch daarbuiten. Een voorbeeld van hoe het mis kan lopen is de Bundu dia Kongo-beweging aan de monding van de Kongostroom. Een aantal van hun uitgangspunten klinken aantrekkelijk, zoals het herstel van het aloude koninkrijk van dezelfde naam. Als je dan echter merkt dat dezelfde club inspiratie zoekt bij andere Afrikaanse bewegingen en autobanden in brand steekt om vermeende tovenaars onschadelijk te maken, vraag je je af wat er aan de hand is.     

Zo complex is het antwoord niet. In tegenstelling tot het koninkrijk Kongo, dat met Ethiopië het grootste christelijke rijk van prekoloniaal Afrika was, zijn de Bundu-aanhangers volgelingen van Simon Kimbangu, die protestants-evangelistische waanbeelden meende te moeten koppelen aan Afrikaanse tradities. Nsemi Muanda, de leider van Bundu dia Kongo, gaat nog een stapje verder en bepleit een volledige terugkeer naar de traditionele Afrikaanse religie – die hij dan wel in verband brengt met science fictionverhalen waarin de voorouders van de Kongolezen ooit een verre planeet bewoonden. Muanda is chemicus en moet dus enige wetenschappelijke saus over zijn opvattingen gieten, maar volgens ons verdient Afrika beter.

Muanda Nsemi

Muanda’s argument dat het christendom een Europees importproduct zou zijn, snijdt natuurlijk geen hout. In Europa is de boodschap van de Verlosser even wonderlijk als in Afrika en dat was niet anders in het Heilig Land. Waar politieke tradities bij voorkeur geworteld zijn in de landen die ze toepassen, is de Heilsboodschap universeel – wat wil zeggen dat ze overal even vreemd is.

Bundu dia Kongo heeft dus een punt als ze de neutraliteit van de staat onverenigbaar acht met het herstel van het traditionele koninkrijk, maar gaat de mist in als ze vergeet wanneer dat koninkrijk sterk en voorspoedig was: wanneer het namelijk de Gekruisigde erkende.   

Drievoudige crucifix uit het oude Kongorijk

Gezegend hij die komt

Niet zo heel lang geleden werd in een Brussels veilinghuis een merkwaardig stuk papier geveild. Hoewel het zeer redelijk geprijsd was, miste ik het – soms doet de tamtam er tussen Brussel en Amsterdam langer over dan transatlantische berichten. U zal het dus met informatie uit tweede hand moeten doen.

Uit wat ik op het net vind, valt alvast af te leiden dat een aantal leden van de hoge adel van het graafschap Henegouwen in de lente van 1815 vrij lyrisch waren over de komst van een nieuwe koning in de persoon van Willem der Nederlanden. De dag van de kroning omschreven ze al bij voorbaat als de mooiste dag van hun leven, ook al maakten ze geen geheim van de gevoelens van trouw die ze jarenlang hadden gekoesterd ten aanzien van het Hoge Huis Habsburg.

De mooiste dag uit het leven van graaf de Saint Genois

Dat was bijzonder het geval voor de ondertekenaar van de verklaring, graaf Joseph de Saint Genois de Grandbreucq (1749-1816). Ten tijde van de Brabantse Omwenteling was hij een van de weinige ambtsdragers in zijn graafschap die niet betrokken was bij het verzet tegen Jozef II en diens beleid. Sterker nog, toen de woelingen toenamen, trok Saint Genois doodleuk op een genealogische onderzoeksreis die hem naar Praag en Wenen bracht. Na zijn terugkeer werd hij zelfs even opgesloten als jozefist, niet geheel onbegrijpelijk.

Net uit de mond van een voormalig jozefist verbazen de Latijnse formules die centraal staan op het document. Enerzijds is er, in kapitalen, het aan de Romeinenbrief ontleende “Omnis potestas a Deo”, dat te dezen een dubbele betekenis kan hebben. Voor de meer gezagsgetrouwe naturen betekende het allicht dat ook Willems macht afkomstig was van de Heer en men er zich dus bij diende neer te leggen, ook al had men ooit gedroomd van een herstel van de Habsburgers. Voor de meer recalcitrante geesten kon het klinken als een waarschuwing aan de vorst, die nog een macht boven zich moest dulden.

Die twijfel bestond duidelijk niet bij Saint Genois, die nog een tekst toevoegde aan het Apostelwoord.

Benedictus qui venit in nomine Domini regnare super corda fidelium Belgarum

Of vrij vertaald: gezegend Hij die komt in de naam des Heren om te heersen over de harten van zijn trouwe (Zuid-)Nederlanders.

Het wapenschild van de familie de Saint Genois

Het geheel staat in een hartvormige cartouche, even aandoenlijk als duidelijk. Ook de verwijzing naar de liturgie hoeft geen toelichting: Willem wordt als een alter Christus, als een gezant van de Heer voorgesteld, tegen wiens wil elke tegenstand futiel en misplaatst is.

Graaf de Saint Genois zou even later worden aangesteld tot wapenkoning voor het zuidelijke deel van het Koninkrijk. Niet voor lang echter, want al in 1816 overleed hij. Dat hij een van de “fidelium Belgarum” was, staat boven elke twijfel verheven.

Toch geen Prinsenhond

Van keizer Karel wordt beweerd dat hij ooit zou hebben gezegd Spaans te praten met God, Italiaans met dames, Frans met diplomaten, Duits met zijn paard en Nederlands met zijn hond. Maar zijn er ook viervoeters die nauwer verbonden zijn met de Lage Landen dan andere?

Vanzelfsprekend, alleen al namen als de Mechelse, Laekense of Tervuerse herdershond verwijzen naar de Zuidelijke Nederlanden. Ook de bouvier of Vlaamse koehond komt uit die streken en is volgens sommigen de perfecte verbeelding van de zachtaardigheid die daar in de genen zou zitten.

Hondenrassen uit het Noorden lijken uit een ander hout gesneden te zijn. Ook daar zijn er de herders, maar ook een stel jachthonden, met name uit de landgewesten en Friesland. We denken dan aan de Drentse patrijshond, de stabijhoun  of de wetterhoun.

De meest Nederlandse aller honden is echter zonder enige twijfel het kooikerhondje. Eens gekweekt om met zijn staart de eenden terug in de kooi van zijn meester te jagen (het recht van eendenkooi was immers een prestigieus feodaal recht), leek hij tot uitsterven gedoemd te zijn eens die taak minder courant werd.

Dat was echter gerekend buiten de baronesse van Hardenbroek tot Ammerstol, die terdege besefte welke rol de kooiker in de vaderlandse geschiedenis had gespeeld. Was het geen kooikerhondje dat Willem de Zwijger wekte  en het leven redde toen zijn legerkamp bij Hermigny bij verrassing werd overvallen door de Spanjaarden? Op het beeld van de Zwijger dat de notoire Mechelse orangist Louis Royer maakte voor het Haagse Plein, kijkt een kooiker naar zijn meester op.

Royers beeld van de Zwijger op het Plein in ’s Gravenhage. Aan ’s Prinsen voeten een kooikerhond

De baronesse, die haar klassiekers kende, overwoog zelfs het terugkerende ras als Prinsenhond door het leven te laten gaan – maar misschien had dat net iets te veel van een oxymoron. Sinds 1971 is de kooikerhond echter definitief erkend als een volwaardig hondenras en wordt de geschiedenis van de Lage Landen ook blaffend voortgezet.

Wie ontstak de rode lantaarn?

Misschien wel de moeilijkste oefening die een denkend mens is gegeven, is het opbouwen van voldoende afstand van zijn leermeester, zonder de banden te verbreken. Dat laatste zou een futiele oefening zijn, alsof het verleden teniet kan worden gedaan. Want de echte zekerheid is niet dat het verleden niet terugkeert, maar dat het nooit meer weggaat.

Die paradox wordt haast volmaakt geïllustreerd door het leven van Pierre Boutang, de journalist, romancier en filosoof die het denken van Charles Maurras creatief en loyaal wist te vernieuwen in de jaren vijftig en zestig van vorige eeuw.

Boutangs Nation française, met het bekende logo van Georges Mathieu

Boutang (1916-1998) begon zijn loopbaan als medewerker van de studentenbladen van de Action Française en eindigde ze als hoogleraar metafysica aan de Sorbonne. Tussen de twee staat vooral het fascinerende avontuur van het blad La Nation française (1955-1967). Tien jaar daarvoor, tussen 1946 en 1948 had hij ook al een sleutelrol  gespeeld in een ander blad, La dernière lanterne geheten.

In tegenstelling tot de zelfbewuste Nation française verscheen de Dernière lanterne onregelmatig en zonder namen van medewerkers. Het was het half satirische, half ernstige orgaan van de aanhangers van de Action française die met of zonder reden getroffen waren door de naoorlogse epuratie. Boutang behoorde tot die laatste categorie – hij werd niet uit het staatsonderwijs verbannen omdat hij Duitsland had geholpen, maar omdat hij in de machtsstrijd binnen de Franse patriottische krachten niet voor de Gaulle, maar voor zijn rivaal Giraud had gekozen.

Wie de beperkte literatuur over de Dernière lanterne, die rode lantaarn van het Maurrassisme, doorneemt, krijgt steevast een verwijzing te lezen naar de polemische en satirische brandbrief La Lanterne, waarin Henri Rochefort het opnam tegen Napoleon III.  Een andere inspiratiebron bleef onder de radar, maar is minstens even interessant: het eenmansblad La nouvelle Lanterne, tussen 1927 en 1937 uitgegeven door René de Planhol (1889-1940).

Over de Planhol is amper iets geweten. Zijn zoon, de cultureel geograaf Xavier de Planhol, omschreef het denken van zijn vader als “monarchistisch, maar ver van elke katholieke praktijk, en pro-Dreyfus” en om die redenen kennelijk onverzoenbaar met dat van Maurras. Wie vader de Planhols essay Le monde à l’envers uit 1932 leest, krijgt toch een meer genuanceerd beeld. Maurras krijgt om de zoveel bladzijden een open doekje en diens trouwe slachtoffers Jaurès en Benda worden door de Planhol afgemaakt op een literair schitterende maar enigszins cynische wijze. Planhols hoofdthema is de toenemende heerschappij van het geld en het getal, waarin mensen worden gewaardeerd (évalués) in plaats van erkend (estimés) en geestelijke of culturele thema’ niet langer een rol spelen in het procedé van de machtsverwerving. Is het dan toeval dat beide heren samen Le bibliophile Barthou schreven, een pamflet tegen een links-liberale machtspoliticus die in zijn vrije uren oude boeken verzamelde?

Misschien nog meer dan Boutang, herinnert de Planhol ons eraan hoe belangrijk het is epigonen te lezen, die zich op enkele kleine maar relevante punten onderscheiden van hun leermeesters.

De heilige van de VOC

Er is enige controverse ontstaan over de nakende heiligverklaring van de zalige Lazarus Devasahayam Pillai. Voor sommigen gaan we al in de fout door de vermelding van het woord Pillai, dat alludeert op de kaste waarin de zalige werd geboren. Gelijkmakers van alle slag dringen erop aan dat zijn heiligverklaring zou gebeuren zonder die suffix, in tegenstelling tot zijn zaligverklaring in 2012. Dat is, zo schrijven zij in een register dat langzamerhand bekend is, een uitgelezen kans om duidelijk te maken dat de Kerk zich heeft vergist toen zij destijds het kastenstelsel niet uitdrukkelijk heeft veroordeeld. Tja.

Mogen wij de aandacht trekken op een ander element van de vita van de komende heilige, namelijk de Nederlandse wortels van zijn bekering? Die vereisen wat historische toelichting.

Devasahayam Pillai (nu mag het, we hebben het immers over de periode voor zijn bekering) werd in 1712 geboren uit een vooraanstaande familie van de Nair-kaste die een belangrijke rol speelde aan het hof van de maharadja van Travancore. Dat machtige rijk in zuidwest India zou later nog een reputatie verwerven als een reservaat van reactionaire denkbeelden, een beetje zoals Mecklenburg-Schwerin in het Duitse keizerrijk. In die tijd was het echter vooral een geducht vorstendom dat afwisselend vriendschappelijke en vijandelijke relaties onderhield met de Vereenigde Oostindische Compagnie.

Die Compagnie was immers niet alleen actief aan de Kaap en in het huidige Indonesië, maar ook in West-Afrika, Ceylon en het huidige India. Onder meer de stad Cochin (nu Kochi) was een belangrijk punt in het netwerk van factorijen dat de VOC daar onderhield, in hevige concurrentie met vooral Britse en Franse handelscompagnieën.

In 1741 oordeelde de gouverneur van Ceylon, baron van Imhoff, dat het onontbeerlijk was de havenstad Colachel toe te voegen aan de parel van havens die de Indische kunst toegankelijk maakte voor de Compagnie. Alleen was die stad in handen van het koninkrijk Tranvancore en de maharadja was niet bereid ze goedschiks af te staan. Imhoff stuurde dus een expeditie onder leiding van een van zijn meest bekwame officieren, Eustachius de Lannoy, geboren in Atrecht.

Zelfs de Lannoy slaagde er niet in de overmacht te weerstaan en het compagniesleger verloor eervol doch finaal de slag bij Colachel. De maharadja was echter onder de indruk van de strategische capaciteiten van de Lannoy en bood hem aan in zijn dienst te treden, wat deze aanvaardde. De volgende dertig jaar zou de Lannoy de voornaamste militaire adviseur van de opeenvolgende maharadja’s zijn en een gordel van forten bouwen op de kust van Travancore.

De Lannoy was echter niet alleen een militair, maar ook een trouwe zoon van de Moederkerk. Als niet-hindoe was hem de toegang tot het koninklijk paleis verboden, zodat hij zich vestigde in het fort van Udayagiri, dat hij zelf had gebouwd. In dat fort zou hij later ook worden begraven, bij de rooms-katholieke kapel die hij voor zichzelf en zijn familie had voorzien en waar ook andere gelovigen hun religieuze plichten konden vervullen.

De Lannoy’s graf voor de kapel van het fort van Udayagiri

De Lannoy’s standvastigheid maakte indruk op Devasahayam Pillai, die ook een gewaardeerd raadgever van de maharadja was. Van het ene kwam het andere en in 1745 trad hij toe tot de Kerk van Rome, en aanvaardde hij de doopnaam Lazarus, waardoor hij meteen ook de toegang tot het paleis voor zichzelf afsloot.

De zalige Lazarus Devasahayam Pillai

Sterker nog: op grond van valse beschuldigingen werd hij ter dood veroordeeld, maar de maharadja begenadigde hem. Hij vertrok in ballingschap en vestigde zich in een woud als kluizenaar. Toen hij daar echter steeds meer bezoek ontving van mensen die zijn geloof wilden leren kennen, was de maat vol. Allicht op bevel van dezelfde hofkringen die hem hadden laten veroordelen, doodden enkele soldaten hem op 14 januari 1752, de dag die nu zijn feestdag is. Zijn lichaam werd begraven in de Sint-Franciscus Xaveriuskerk in Kottar (de huidige kathedraal).

Reeds vanaf 1780 werd werk gemaakt van zijn heiligverklaring, die dus binnenkort een feit zal zijn.

De VOC heeft niet bepaald de reputatie een bron van heiligheid te zijn geweest. Ditmaal kan het niet ontkend worden: indirect dankt de Kerk de nieuwe heilige aan de Heeren Zeventien, en directer aan de trouwe kapitein de Lannoy.  

De gemiste kans van Alexander, baron van Hugenpoth tot Aerdt

Meermaals hebben Brusselse vrienden zich bij een bezoek aan hun stand in duizend bochten gewrongen om hun afschuw uit te drukken over wat in 1830 in hun stad is gebeurd. Bijna zouden ze excuses aanbieden voor elk incident. Op een dag was het werkelijk zo ver. Een fijne oude vriend toonde me de plek op de Kleine Zavel waar ooit de ambtswoning stond van Cornelis van Maanen, de schier onafzetbare minister van justitie van Willem I. In augustus 1830 werd dat huis met de grond gelijk gemaakt door het grauw, waarvan mijn vriend uitdrukkelijk afstand nam.

Hij schrok toen ik liet verstaan geen zweem van medelijden met Van Maanen te kunnen voelen. Het vergde heel wat uitleg vooraleer ik op enig begrip kon rekenen: zijn patriottische gezindheid als student, zijn langdurige foute houding onder Napoleon, inclusief vervolgingen van Oranjegezinden tot ver in 1813 en vooral zijn levenslange gehechtheid aan de nefaste beginselen waarin hij als jongeman geloofde, zelfs in die mate dat hij er zijn vorst mee wist te besmetten. Voor de Lage Landen was Van Maanen een drama, niet meer of niet minder.

Neen, geef mij dan maar zijn voorganger als minister van justitie en politie, de Gelderse katholieke edelman Alexander van Hugenpoth tot Aerdt. Onder Lodewijk Napoleon vervulde hij twee jaar lang het ministersambt, met even frisse tegenzin als groot plichtsbesef en zonder enige dankbaarheid van de Bonapartide. De daaropvolgende jaren speelde hij een discrete doch belangrijke rol in de rechterlijke macht, tot hij in 1838 Eerste Kamerlid werd. Tien jaar later liet hij een laatste keer van zich horen, toen hij vanuit een diepe overtuiging de afbouw van de grondwettelijke orde door Thorbecke en de zijnen afwees.

Alexander, baron van Hugenpoth tot Aerdt

Hij overleed in 1859, bijna tachtig jaar oud.  Zijn loyaliteit gold Nederland en de Kerk van Rome, zijn respect de Republiek, Lodewijk Napoleon en Willem I. Was Hugenpoth een Grote Nederlander? Niet als het verwerven van die eretitel grote daden vereist, wel op basis van een correcte geestesgesteldheid.

Wat zou er zijn gebeurd als Koning Willem in 1815 geen beroep had gedaan op Van Maanen, maar op Hugenpoth tot Aerdt? Je denkt er beter niet te veel over na.

Huis Aerdt, baron van Hugenpoths landwoning