Autocephalie en neojozefisme

Zoals dat gebruikelijk is geworden bij elk maatschappelijk probleem, krijgt religie ook een deel van de verantwoordelijkheid toegeschoven voor het Russisch-Oekraïense conflict. Ik was geneigd die beschuldigingen weg te wuiven als een zoveelste uiting van antireligieus affect, tot ik tot mijn eigen verbazing onaangenaam werd getroffen door een beeld van de lijdende Christus dat werd omhuld in nationale kleuren en symbolen van de aangevallen natie.

“God met ons” is een gezegde dat al veel kwaad heeft gedaan, ook al is het volkomen correct: God is immers met ons én met onze vijanden, Hij verlost de gehele mensheid.  Er is dus geen Christus van de Russen en geen Christus van de Oekraïners, net zomin als er een Moeder-Maagd van een van beide is. In de mate beide landen echter een traditie van nationale kerken kennen, dreigt die theologische waarheid te vervagen. Dat is de cruciale zwakte van de orthodoxe traditie van de autocephalie, de neiging om autonomie toe te kennen aan nationale kerken, die zo al te gemakkelijk onder de knoet van het politieke gezag verzeilen. Daartegenover staat de traditie van katholiciteit, wat gewoon een ander woord voor universaliteit is, die sinds eeuwen in Rome gestalte heeft gekregen.

Roomse trots? Discussies die niet in deze tijd horen? Was het maar zo. Uit mijn tijd in Brussel herinner ik me debatterende links-liberale professoren die pleidooien hielden voor een “Belgische islam”, een islambeleving die zou zijn afgestemd op de waarden van de smaakmakende groepen in dat land en die eigenlijk niet meer of niet minder was dan het kerkbeeld van de verlichte despoten, toegepast op een andere religie. Ook daar streefde men naar een dominantie van de politiek over de religie. De bedoeling was allicht niet vergelijkbaar met de instrumentalisering van religie in oorlogvoerende landen, de methode wel.

Gelukkig genoeg is dat riedeltje in Nederland amper doorgedrongen, maar ik mag hopen dat de eerste die het aanheft tot de orde wordt geroepen met een herinnering aan het bovenstaande. 

Martelaren van Pratulin, bid voor ons!

Vandaag ligt Pratulin in Polen, maar historisch hoort het thuis in de Galicisch-Rutheense ruimte, die mee de ruggengraat vormde van de historisch-conservatieve traditie in de Oostenrijkse dubbelmonarchie. In 1874 hadden de toevalligheden van de Poolse delingen het dorp echter in Rusland doen belanden.

Daar heerste toen een beleid van vervolging tegen al wie meende dat boven de wereldlijke vorst ook een Eeuwige Vorst stond, zeker wanneer men beleed dat die Vorst een vicaris op aarde had die in in Romeinse gevangenschap woonde. Aan die definitie voldeed de zogenaamde geünieerde Kerk van Ruthenië volkomen: het betrof en betreft een Kerk sui iuris, van Byzantijnse ritus en in eenheid met Rome.

In 1874 maakte de Russische regering handig gebruik van het ontslag van de bisschop van Chelm om een stroman op de bisschopszetel te installeren, ondanks protest uit Rome. Het protest kwam overigens niet alleen van daar: naarmate de nieuwe bisschop de banden met de Moederkerk losser maakte, lieten steeds meer gelovigen hem links liggen. De breuk was volledig toen de nieuwe bisschop raakte aan de liturgie en alle Latijns geïnspireerde elementen daarin verbood om dichter aan te sluiten bij het orthodoxe ritueel.

Zowel qua aanleiding als qua heftigheid deden de gebeurtenissen rond Chelm denken aan het schisma van de Oudgelovigen in de zeventiende eeuw. Rometrouwe gelovigen gingen nog wel ter kerke, maar bleven bidden bij de poort. Zo ook op 24 januari 1874, toen tientallen boeren naar de kerk van Pratulin trokken. Ze ontmoetten er Russische troepen, die na enkele lauwe waarschuwingen het vuur openden. Even later lagen dertien lijken in de sneeuw. Hun martelaarschap werd definitief erkend in 1996, toen de H. Paus Johannes Paulus ze zalig verklaarde.

Het monument voor de martelaren in de kerk van Pratulin

Ook wanneer niet geheel Oekraïne aansluiting wist te vinden bij de organische traditie die de Martelaren van Pratulin uit zichzelf aanvoelden, toch past zeker het westen van het land naadloos in de kern van Europa. Aansluiten bij Europa? Wat zou het, Lemberg is Europa. En voor wie dat niet beseft, volstaat een enkele blik op dit werk van Johann Georg Pinsel, die in de vroege achttiende eeuw actief was in Butschatsch.

Onder de bescherming van de Martelaren van Pratulin kan die traditie behouden blijven.

Liechtenstein aan de Maas

Hoe het vorstendom Orange tussen 1672 en 1713 eerst tersluiks en later openlijk in de Franse invloedssfeer werd gebracht, om uiteindelijk door Lodewijk XIV geheeld te worden aan de familie Bourbon-Conti, weten we uit onze vaderlandse geschiedenis. Dat dichter bij ons, aan de zuidgrens van de Nederlanden, een soortgelijk verhaal plaatsvond, is minder gekend.

Sinds mensenheugenis bevond zich in een bocht van de Maas een soeverein gebied, Arches geheten, op de grens van het Franse en het Duitse rijk. Door vererving van moederskant was het aan het begin van de zeventiende eeuw in handen gekomen van het huis Gonzaga, dat ook over Mantua heerste.

In 1608 beslist Carlo Gonzaga dan het wat vergeten gebied op te waarderen en aan de oevers van de Maas een nieuwe stad te bouwen, die naar haar stichter Charleville moet heten. De hertog heeft grootse plannen met zijn stad. Zo zou ze de zetel moeten worden van de Orde van de Christelijke Militie, ook bekend als de Orde van de Onbevlekte Ontvangenis. Deze ridderorde had tot doel de door de Turken verdrukte christelijke bevolkingen te bevrijden en de verstandhouding onder de christelijke vorsten in Europa te versterken – een onmiskenbare vingerwijzing naar de geregelde allianties van de Franse koningen met de Grote Turk.

Charleville werd al gauw een knooppunt tussen het noorden en het zuiden van Europa, een noordelijke stad naar Italiaans model met een stevige inbreng uit de Lage Landen. Niet alleen waren de voornaamste verkeerswegen vanuit de stad gericht op het noorden, ze beschikte ook over een eigen beiaard. Ze had het Liechtenstein van de Maasvallei kunnen worden – ware het niet…

Ware het niet dat de grote mogendheden het niet zo voorzien hebben op kleine vorstendommen. Het vorstendom Arches was immers na de dood van Carlo in het huis Gonzaga gebleven en volgde dus het lot van hun Mantovaanse bezittingen – inclusief de afzetting van de laatste hertog van Mantua, Ferdinand Carl, door de Rijksdag wegens zijn keuze voor het huis Bourbon in de Spaanse Successieoorlog. Lodewijk XIV, die van de nood een deugd wist te maken, annexeerde het vorstendom Arches dan maar bij Frankrijk en stelde het huis Bourbon-Condé aan als heren over het gebied – zij het onder de Franse kroon.

Minder dan een eeuw nadien maakte de Revolutie ook in Charleville een einde aan de oude orde. De laatste heer van Charleville, Louis V Joseph, achtste prins van Bourbon-Condé koos net zoals velen van zijn standgenoten voor de emigratie. Hij deed echter meer en zette de militaire traditie van zijn familie voort als bevelhebber van een emigrantenleger, dat bekend werd als het “armée de Condé.” Blijkbaar namen zijn onderdanen het hem niet kwalijk, want bij de Restauratie in 1814 gaf de bevolking van Charleville duidelijk te kennen uit te zijn op de terugkeer van de Condés als lokale heren. Haar zin kreeg ze niet: het herstel bleek maar een herstel ten halve te zijn.   

Twee wereldoorlogen maakten een eind aan nogal wat prinselijk patrimonium in Charleville. Op het hertogenplein blijft echter nog iets van de oude luister zichtbaar, al was het maar door de kenmerkende koepelarchitectuur, die teruggaat op de plannen van Carlo Gonzaga. Naar men zegt, loeit de wind soms over het plein “het had kunnen zijn”.     

De Place Ducale in Charleville

A Dieu, Flav’

In het grootwarenhuis van het contrarevolutionaire denken neemt het vak gevuld met de Maistre doorgaans meer ruimte in dat dat gevuld met de Bonald. Nochtans had Bonald met Maistre de zin voor de scherpe formule gemeen. Hij beging enkel de fout zijn formule aan het einde van een grondige analyse te plaatsen, wat ongeduldige lezers afstoot. Of ze daarmee de tegenrevolutie een dienst bewijzen, durf ik te betwijfelen – en dat is geen verwijt aan de Maistre.

Ook daarom koesterde ik het in september verschenen proefschrift dat de jonge Franse historicus Flavien Bertran de Balanda aan Bonald had gewijd. Bertrans eerdere publicaties deden naar meer verlangen en een kleine polemiek waarin hem een gebrek aan respect voor een overigens respectabele priesterbroederschap werd verweten, maakte duidelijk dat de auteur het zichzelf niet makkelijk had gemaakt. Het was een boek dat ik bewust bewaarde voor een rustig moment, om het de aandacht te geven die het verdiende.

Het boek ligt nog steeds bovenaan de stapel, maar kreeg overnacht een andere kleur. Op 19 januari overleed plots zijn auteur, amper 42 jaar oud. De vele plannen die de combinatie van zijn talent en temperament deden verwachten, zullen onvervuld blijven. Ik heb het er niet moeilijk mee te erkennen dat het overlijden van iemand die ik nooit heb ontmoet me zelden zo raakte.

Met Bertran de Balanda verlaat niet enkel een erudiet, maar ook een kleurrijk figuur het oude koninkrijk van Sint-Lodewijk. Onder de artiestennaam Flav’ was hij de bezieler van de punk-rock groep Paris Violence, die hij met stem, klavier en gitaar hoorbaar maakte. Hun laatste plaatje heette “Age de glace”, maar in 2009 maakten ze dit in memoriam – dat ik u uitnodig te beluisteren in herinnering aan een bijzonder mens https://www.youtube.com/watch?v=-N5hRTJPXlo

Prins en priester

Neen, dit stukje gaat niet over de legendarische Pape Jan, de christelijke vorst die zou hebben geheerst derwaarts de moslimrijken op de oevers van de Middellandse Zee. Dat houden we voor een volgende keer. We willen het wel hebben over een boek en wel eentje dat niet enkel boeiend, maar ook mooi is en  – hoe kon het ook anders – vanuit Oostenrijk op onze weg kwam.

De manier waarop de katholieke studentenverenigingen daar bepalend zijn voor het behoud van een elitaire en conservatieve subcultuur, is indrukwekkend en bij ons weten zonder gelijke. Een aantal van die sociëteiten zijn aloud, maar ook vandaag komen er nieuwe loten aan de oude boom. Een ervan is de Katholische Akademische Verbindung Sanctottensis, opgericht bij de theologische hogeschool “Benedikt XVI”, verbonden aan de traditierijke cisterciënzerabdij van Heiligenkreuz in het Wienerwald.

Sanctottensis ontstond in 2011 en vierde vorig jaar dus een tweede lustrum. Bij die gelegenheid verscheen een heus liber amicorum met zeventien bijdragen.

Daar een keuze uit maken, dwingt tot onrechtvaardigheden. Natuurlijk is de verleiding groot om aandacht te besteden aan de altijd uitdagende cisterciënzer Edmund von Waldstein, een van de weinige niet-Engelstalige specialisten van de integralistische denkrichting. Ook het stuk van Dieter-Anton Binder, dat onderzoekt hoe de Oostenrijkse identiteit na de ondergang van de Dubbelmonarchie wortels vond in het denken van de tegenmoderniteit.  

Dan doen we dus niet, want Peter Wiesfleckers stuk “Prinz und Priester” over geestelijke roepingen in Europese vorstenhuizen in de lange negentiende eeuw verdient duidelijk een bijzondere vermelding. Niet dat het zonder gebreken zou zijn, want Wiesflecker verlaat net iets te weinig de Duitstalige comfortzone, om bijvoorbeeld geestelijke roepingen bij Italiaanse heersershuizen te bespreken.

Er is echter een keerzijde aan deze bedenking, die er ook ruim tegen opweegt. Wiesflecker herinnert ons aan het bestaan van boeiende priesterfiguren die in de Lage Landen amper bekend zijn. Twee ervan waren oom en neef en stamden uit het Wettinerhuis, dat tot 1918 over het koninkrijk Saksen heerste. Dat is op zich al een opmerkelijk feit, want waar de meerderheid van de Saksische bevolking protestants was, waren de vorsten van het koninkrijk trouwe kinderen van de Moederkerk. Vanuit een privaat perspectief was het bestaan van roepingen in het vorstenhuis dus niet verbazingwekkend, maar politiek betekende elke roeping een kleine crisis. 

De oom was Max van Saksen (1870-1951), derde zoon van de toenmalige kroonprins Georg, die tussen 1902 en 1904 koning was. Max werd in 1896 tot priester gewijd en doceerde vanaf 1900 aan de universiteit van Fribourg in Zwitserland. Zijn onderzoek betrof vooral de relatie van de katholieke Kerk met de oosterse kerken, of die nu orthodox of geünieerd waren. In 1910 publiceerde hij zowaar een bijdrage over een mogelijke hereniging, die in Rome als net iets te roekeloos werd ervaren. Prins Max verloor zijn venia legendi, wat hij met gepaste nederigheid aanvaardde.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende prins Max als veldkapelaan in Vlaanderen en vanaf 1921 kon hij zijn leeropdracht weer opnemen. Toen het bruine heidendom hoogtij vierde in Duitsland, liet hij over de onverzoenbaarheid ervan met het christendom niet de minste twijfel bestaan, wat hem een  inreisverbod in zijn vaderland opleverde.

Prins Georg von Sachsen SJ

Het lot van prins Georg (1893-1943), een zoon van Max’ broer Friedrich August, die tussen 1904 en 1918 regeerde in Saksen, was op een andere manier tragisch. Georgs positie verschilde fundamenteel van die van Max, vermits hij de oudste zoon van de koning en dus de kroonprins was. Hoewel zijn priesterroeping pas de overhand nam na de uitroeping van de republiek, bleef dit een heikel punt voor vele koningstrouwe Saksen. Dat hij uiteindelijk koos voor een toetreding tot de Sociëteit van Jezus, die in die dagen een roep van strikte rechtgelovigheid had, was dat zo mogelijk nog meer. 

Vanaf 1933 was pater Georg actief in Berlijn, waar hij deel uitmaakte van de oecumenische Una Sanctagroep, naast onder meer Romano Guardini. Zijn verwerping van het nationaalsocialisme was van meet af aan duidelijk, maar zijn oppositioneel engagement werd met het jaar meer zichtbaar. Met name adviseerde hij de militaire oppositie, die in 1944 de kern zou worden van de aanslag tegen Hitler, in naam van het Geheime Duitsland.

Die aanslag zou pater Georg niet meer meemaken. Op 14 mei 1943 ging hij zwemmen, wat hij op doktersadvies geregeld deed. Terugkeren deed hij niet meer: zijn lijk werd teruggevonden in een meer nabij de Duitse hoofdstad. De autopsie leerde dat hij niet was verdronken. Had de Gestapo hem uit de weg geruimd? Velen vermoeden het, niemand kon het ooit bewijzen. Pater Georg kreeg een graf in de Hofkerk van Dresden, dat echter twee jaar na zijn dood werd geschonden door de binnentrekkende Sovjetsoldaten.  

De Wettinerpriesters zijn onvoldoende bekend in onze landen. Dank aan de Sanctottensen om ons aan hen te herinneren.

Alkuin Schachemayr en Johannes Lackner (ed.), Gesta Sanctottensis. Couleurwesen und Theologie, Münster, Aschendorff, 2021

Terug naar de keuken

Een hondstrouwe lezer uit Londen – het klinkt als het begin van een limerick, maar hij bestaat echt. Meer zelfs, een vlaag van jaloezie overviel hem toen hij op onze pagina een restaurant in Parijs afgebeeld zag. Alsof de hoofdstad van het Gemenebest niet beter is voorzien! Sterker nog, hij had goed nieuws: sinds de jongste oktober is een gastronomisch monument van het oude Londen weer open. Na een sluiting van drie en een half jaar, is de aloude Criterion, bij Picadilly Circus, weer open.

Op het gevaar af onze lezer weer een apoplexie te bezorgen, moet ik bekennen dat de Petite Chaise ongeveer tweehonderd jaar ouder is. En in alle eerlijkheid is Criterion ook niet mijn geliefkoosde plek in Londen, daarvoor is het net iets te exuberant. Geef mij maar het oer-Engelse Simpson’s in the Strand, waar ooit Douglas Jerrold samenzwoer bij een welgevuld glas claret.

Simpson’s in the Strand

En toch maakte ik me zorgen over de sluiting van de Criterion. Een restaurant dat de deuren sluit, is als een bibliotheek die vuur vat. Boeken vind je allicht nog elders, maar smaken zijn zozeer het product van omgeving en moment dat ze amper te reconstrueren zijn. In die zin heeft de kookkunst iets van muziek. Want ook al maken allerhande opnametechnieken het ons mogelijk Rachamninov zijn eigen concerti te horen uitvoeren of zelfs de stem van Alessandro Moreschi, de laatste castraat, te horen, niets kan opwegen tegen de eigenheid van een uitvoering op het podium of het doksaal. Toen het Liechtensteinmuseum in Wenen de deuren sloot, was dat een stevige stap achteruit, maar de werken die je er kon zien, zijn niet verloren. Hopelijk beseffen de nieuwe uitbaters van de Criterion dat ze niet een stel muren, maar een traditie hebben overgenomen.

Wie dat zeker beseft, is de aarts-Wener Ralf Siebenbürger, die het roekeloze idee opvatte om de kookboeken van Friedrich Hampel opnieuw uit te geven. Hampel (1868-1926) was in de dagen van de dubbelmonarchie populair als auteur van kookboeken maar was ook verbonden aan de koninklijke en keizerlijke hofkeuken. Wie herinnert zich echter dat hij zij eerste stappen in de keuken zette als kok bij de Oostenrijkse ambassade in ons eigen ‘s Gravenhage? Ga dus gerust op zoek naar Nederlandse invloeden in dit Oostenrijkse receptenboek – maar onderhoud vooral Hampels traditie.      

Kluis en kasteel

Bij een eerdere gelegenheid wezen we al op het mystieke gravinnentitel die de Moeder Gods in Holland draagt. Haar aanwezigheid in al de Nederlanden is echter veel omvattender. Dat is natuurlijk zo in het Zuiden, maar in het Noorden is dat niet anders. Of het nu in Delft, Bolsward, Kapellebrug, IJsselstein, Emmer-Compascuum, Frieswijk, Renkum, Empel of Schilberg is – op Flevoland na heeft elke Nederlandse provincie wel een bedevaartsoord naar de Heilige Maagd. En ook de kleinste provincie van het land zal ooit nog wel de rei van gouwen vervoegen in de verering van Maria.

Vraag ons niet naar een voorkeur. Empel heeft een bijzondere geschiedenis, maar als het erop aankomt is de eerste plek die we weer willen bezoeken Warfhuizen. Dat is zeker niet het oudste bedevaartsoord, maar Warfhuizen staat wel met twee voeten in de geestelijke tegengeschiedenis van de Republiek – de historiografie die de sporen van de contrareformatie verkiest boven die van hervorming en verburgerlijking.

Een bedevaartvaantje uit Warfhuizen

Dat geldt zeker nu in Warfhuizen ook de traditie van het kluizenaarschap nieuw leven werd ingeblazen. Toen Broeder Ludgerus in 1930 de kluis op de Schaesberg bij Valkenburg had moeten verlaten, en zo een einde was gekomen aan de traditie die de graven Hoen hadden ingezet en die zo bijzonder werd voortgedragen door oud-zouaaf Hendrik Weerts, leek de Nederlandse kluizenaarstraditie beëindigd te zijn. Wat een dwaasheid echter te denken dat tradities eindigen als ze onderbroken worden – alleen worden ze dan voortgedragen op een wijze die minder zichtbaar is.

Net als bij de Schaesberg kluis en kasteel  ten nauwste verbonden waren, zou ook de kluis van Warfhuizen niet denkbaar zijn geweest zonder een adellijk huis. Gedurende generaties bewaarde de familie Van Ewsum daar immers op de Lulemaborg de trouw aan de Moederkerk. Ze steunde de uiteengejaagde gelovigen met raad en daad en bouwde schuilkerken waar nodig.

De oude Lulemaborg

Toen na de Franse tijd vele borgen werden afgebroken, deelde ook de Lulemaborg in dat lot. Werd de traditie dan ook verbroken? Opnieuw: neen, ze werd slechts onderbroken. Kan het toeval zijn dat net in Warfhuizen de lokale waterstaatskerk, die verlaten was door de hervormden, in 2001 door katholieken werd weergekocht en teruggeschonken aan de eredienst?

Warfhuizen toont ons de futiliteit van alle menselijke streven, maar nog meer van alle menselijke wanhoop. Natuurlijk zijn wij niet in staat geloof en orde te herstellen. Dat doen anderen voor ons – alleen mogen we die anderen niet in de steek laten. En dat geldt zeker voor de Bedroefde Moeder van Warfhuizen.

Een Koblenz tussen Lek en Demer

We beseffen het onvoldoende, maar er was een tijd toen de Lage Landen een toevlucht boden aan het wrakhout van het Oude Europa. Zo lang ligt die tijd niet eens achter ons: het is de tijd van onze groot- en overgrootouders. Het is de tijd die zelfs door wie de Oude Bedeling een lange nawerking toedicht tot de moderniteit wordt gerekend. Het is de tijd na de grote Europese suïcideoorlog die uitbrak in 1914. De Lage Landen waren toen wat Koblenz was ten tijde van de Franse Revolutie: een symbolische wachtplaats voor de terugkeer van betere tijden.

Vandaag is Huis Doorn een rariteitenmuseum, de plek waar keizer Wilhelm II hout hakte. Er is amper nog iemand te vinden die weet dat de keizer, voor hij het huis kocht, anderhalf jaar op kasteel Amerongen te gast was bij Godard, graaf van Altenburg Bentinck, die maar al te graag inging op een discrete vingerwijzing van de Gelderse commissaris van de Koningin, jonkheer Schelto van Citters, en dus indirect op een verzoek van de Majesteit zelf.

Bij de zegevierende mogendheden steeg een gehuil op dat wel te verwachten, maar niet stijlvol was. Er werd geredetwist over de hoogte van de boom waaraan de voormalige keizer moest worden opgeknoopt en over de straf die het hoogmoedige Nederland moest worden opgelegd. Hoe durfde dat kabouterlandje wel – niet alleen buiten de oorlog blijven, maar dan ook nog zijn asielrecht hoog houden in het voordeel van een afgezette vorst!

Als Duits keizer zouden we Wilhelm niet onmiddellijk omschrijven als een vertegenwoordiger van de “legitimitad proscrita” (zoals de carlistische orde van verdienste heet), hoogstens kon hij zich op die titel beroepen als koning van Pruisen.

Kasteel ter Ham, zoals het eruit zag in de dagen van Keizer Otto

Wie op dat vlak wel onberispelijk kon heten, was de jonge Keizer Otto. Amper tien jaar oud volgde hij zijn vader, de Zalige Keizer Karl op. Na een verblijf in het Baskische vissersdorp Lequeitio vestigde Keizerin-weduwe Zita zich op het kasteel ter Ham in Steenokkerzeel bij Brussel, waar in 1930 de formele meerderjarigverklaring van Otto plaatsvond. “Steenokkerzeel” was een begrip in het Europese legitimisme en menig bezoeker begaf zich naar het landbouwdorp om er te delen in de wijsheid van de vorst.

Naast deze beide vorsten verbleven er destijds nog vele andere steunpilaren van de legitimiteit in de oude Lage Landen. De meesten waren Rusland ontvlucht na de zegepraal van het satanische regime van Lenin. Symbool voor deze groep staat generaal Pjotr baron Wrangel, die zich in  1925 in Brussel vestigde en er in 1928 plots stierf, allicht vergiftigd door de doodseskaders van Moskou.

Monument voor generaal baron Wrangel in Sremski Karlovci (Servië)

We hebben in deze Kerstdagen vaak horen vertellen over de kribbe van Bethlehem, die symbool staat voor gastvrijheid voor de zwakken en vervolgden. Natuurlijk gaat Kerstmis over veel meer, vooral over de incarnatie van de Drie-Ene God. Dat neemt echter niet weg dat de menselijke boodschap van het Kerstfeest relevant blijft. Die boodschap werd in de Lage Landen ooit op een prachtige manier vorm gegeven.  Niet eens zo lang geleden.

Toen Luik de Edelgarde wapende

Dat de Geheime Nederlanden er soms het zwijgen toe doen, verbaast de trouwe lezer niet. Onze man achter de knoppen wil eens per jaar doen vergeten dat hij ook een duivel doet al is. Dat gebeurt door een langere retraite, maar toen hij ditmaal terugkeerde naar het IJ, leek de stad daar één grote retraite geworden te zijn, met dank aan de nieuwe lockdown. Een aantal gekkigheden zullen we bepaald niet missen, maar vrolijk wordt een mens er niet van.

Dan maar de vrolijkheid zoeken in wat onbetwistbaar is, namelijk de geschiedenis. Door toeval viel ons een klein boekje in handen dat afkomstig is uit een doorgaans betrouwbare bron: de Tipografia Poliglotta Vaticana. Daar verscheen in 1986 een korte studie van Carlo de Vita en Jean Puraye over Luikse geweren voor de Pauselijke Edelgarde.

Hun verhaal past perfect in de zouaventraditie, die zo kenmerkend is voor de hele Nederlanden en in onze bladzijden al vaker ter sprake kwam. Niet enkel vrijwilligers maakten echter de reis naar de Heilige Stad, ook een kleine tachtig geweren van het model Remington werden ter ondersteuning van de tijdelijke rechten van het Pausdom Romewaarts gestuurd. Ze werden geschonken door katholieke notabelen uit het bisdom Luik en waren gefabriceerd door de firma Nagant, waarvan de eigenaars ook gul eigen producten aan de Heilige Vader schonken.

Henri Nagant, eigenaar van de gelijknamige wapenfabriek

De wapens waren geen doorsnee geweren, maar hypermoderne schiettuigen, die versierd waren met de wapenschilden van de gulle gevers. Dat waren vaak priesters en edelen, maar ook een delegatie van katholieke arbeiders uit het Luikse industriebekken. De geweren waren bestemd voor de Pauselijke Edelgarde, opgericht door Pius VII in 1801 en voornamelijk belast met de persoonlijke veiligheid van de Paus. Het was een klein corps, dat aanvankelijk slechts uit 62 leden bestond. Het was niet alleen klein, maar ook exclusief, zoals zijn naam aangeeft en ook blijkt uit de graden van de leden ervan. Een gewoon lid van de Edelgarde droeg de graad van kapitein, de kapiteins die van brigadier en de commandant die van luitenant-generaal.

De bevelhebbers waren steevast hertogen of prinsen. Ten tijde van de Luikse schenking stond de Edelgarde onder het bevel van de hertog van Castelvecchia, Carlo Barberini, uit het roemruchte geslacht. De laatste bevelhebber droeg weliswaar de eenvoudiger naam van Mario del Drago, maar stamde niet minder uit het prinselijke geslacht van Antuni.  

  

De Edelgarde in haar kenmerkende uniformen

Dat del  Drago de laatste was, had alles te maken met de postconciliaire verdwazing. Op 20 september 1970 besloot Paulus VI de Edelgarde te ontbinden en enkel de Zwitserse Garde te behouden als militair corps van de Heilige Stoel. De leden van de Garde kregen de titel van Edelman van Zijne Heiligheid aangeboden, de nieuwe benaming voor wat eeuwenlang bekend stond als “Camerieri di Spada e Cappa”. Geen van hen nam de pauselijke gunst aan.

De Luikse wapens hebben overigens nooit echte dienst gedaan. Ze kwamen in Rome aan nadat de Porta Pia was gevallen en Pius IX zich als gevangene in het Vaticaan terugtrok. Hoogstens hebben enkele leden van de aristocrazia nera ze met zich meegedragen tijdens wachtdiensten. Vandaag berusten ze in Historische Musea van het Vaticaan, waar ze herinneren aan de oude banden tussen Rome en de Lage Landen – en aan nog meer vergeten werkelijkheden.

De Realpolitik van Keizer Karl

Het gebeurt niet zo heel vaak dat je na het lezen van een boek het gevoel hebt dat alle stukjes op hun plaats zijn terechtgekomen – niet enkel die van het boek zelf, maar ook heel vele andere stukjes die je elders bij elkaar had gevonden. Zo’n boek is Zoltan Bécsi’s Forbidden Federalism. Secret Diplomacy and the Struggle for a Danubian Confederation 1918-1921, dat vorig jaar verscheen bij Helena History Press (293 pp., 45 €).

Voor de lezers van Geheime Nederlanden hoef ik allicht niet al te diep in te gaan op de manier waarop de Zalige Keizer Karl I tussen 1918 en 1921 ijverde voor het herstel van de kroon van het Huis Habsburg, met name in Hongarije. Dat doet ook Bécsi niet: hij beschouwt deze materie duidelijk als bekend. Zijn focus ligt op de pogingen van Karl om voor en na de Wereldoorlog een federatieve orde tot stand te brengen in Centraal-Europa en op de bondgenoten die hij daarbij binnen en buiten de grenzen van de (voormalige) dubbelmonarchie kon vinden. Het is daarbij tekenend voor de morele standaarden van de keizer dat hij tijdens zijn regeerperiode enkel werk maakte van federale initiatieven in het Oostenrijkse deel van zijn rijk, omdat hij meende zich door zijn Hongaaarse kroningseed het recht ontzegd te hebben daar het zelfde te doen. Nochtans was precies in Hongarije het nationaliteitenprobleem het pijnlijkst.

De ruime visie van Karl blijkt ook uit het feit dat hij in het kader van een naoorlogse federale ordening perfect kon leven met republieken in een Donaufederatie die de opvolger zou moeten zijn van Oostenrijk-Hongarije. Hij verwees daarvoor naar het statuut van de Hanzestad Hamburg, die ook eeuwenlang als republiek had geleefd binnen het kader van het Heilig Roomse Rijk.

Karls voornaamste buitenlandse bondgenoot blijkt eigenaardig genoeg een deel van de Franse diplomatie te zijn geweest. Een mogelijke verklaring daarvoor was de invloed van de monarchistische Action Française onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog en Bécsi wijst ook terecht op de rol die de AF-historicus Jacques Bainville in dit kader speelde. Anderzijds en minder principieel was er het Franse besef dat de eigen strategie om maximaal multinationale eenheidsstaten te doen ontstaan, die gedoemd waren tot intern conflict, op haar grenzen stootte.

Voor de afgescheiden delen van de oude dubbelmonarchie toont Bécsi geredelijk aan dat wie zich inzette voor een federale regeling in het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw haast per definitie naar de legitieme keizer keek. Dat is heel duidelijk het geval in Kroatië, waar zowel partijpolitici in Joegoslavië als ballingen in Graz de band tussen federalisme en legitimisme vanzelfsprekend achtten. In Slowakije viel een soortgelijke tendens te ontwaren terwijl in Tsjechië oud-militairen onder prins Lobkowicz in het najaar van 1919 klaarstonden om een coup te plegen in het voordeel van de keizer.

Bécsi schetst deze internationale van het goede recht in detail en met gepaste sympathie en maakt een einde aan de mythe van keizer Karl als een wat naïeve, zij het welmenende amateurpoliticus.

Tot slot nog een uitsmijtertje. Wie in Parijs (7de arrondissement) al eens een vorkje prikt in de onvolprezen Petite Chaise zag daar misschien op de eerste etage al de herinnering aan de Hongaarse balling en genealoog Szabolcs de Vajay, die na zijn lunch placht door te werken in het restaurant. Bécsi’s werk bouwt uitdrukkelijk voort op de Vajay’s proefschrift uit 1947, dat een vergelijkbare thematiek behandelde maar nooit werd uitgegeven. Als we nog eens in Parijs komen, laten we naar goede gewoonte de Eifeltoren links liggen en groeten we met dubbel genoegen de schim van de Vajay bij diens vaste tafel.

De Petite Chaise in betere tijden