Let’s be content and the times lament – Zalig Kerstmis

Een pamflet tegen puriteinse Kerstmishaat uit de tijden van Cromwell

Wie dezer dagen de binnenkomende elektronische post doorneemt, dreigt er een beetje de draad bij te verliezen. Zenders allerhande proberen te verhullen waarom zij wensen zenden, namelijk omdat 2023 jaar geleden de Heiland is geboren. De afbeelding van een kribbe op een elektronische kerstwens geldt als een provocatie (zoals ik recent nog mocht ervaren). Wees dus terughoudend, en wens iedereen “Happy Holidays” – wat gerust kan worden overgedaan in andere seizoenen, want vakantie is er het hele jaar door.

Je kan je eraan ergeren, maar je kan er ook de relativiteit van zien. Bijvoorbeeld door te bedenken hoe doorgeslagen Puriteinen ooit probeerden een einde te maken aan de viering van Kerstmis, die zij onvoldoende waardig en sober vonden. Naar verluidt mag je niet zeggen dat Cromwell een poging deed Kerstmis af te schaffen, want de rol van anderen in dit besluit zou groter zijn geweest – zo schrijft althans het Cromwellmuseum (https://www.cromwellmuseum.org/cromwell/did-oliver-cromwell-ban-christmas). Zo’n oefening kan je natuurlijk toepassen op verschillende gebeurtenissen in de geschiedenis. Robespierre was maar een radertje in het mechanisme dat de Terreur ontketende, en uiteindelijk zou Stalin ook niet in zijn opzet geslaagd zijn zonder de steun van velen. Jaja.

De lezers van deze blog weten dat het “Vox populi, vox Dei” hier niet wordt gehuldigd, maar dat neemt niet weg dat er soms veel gezond verstand schuilt in volksliederen. Dat is bijvoorbeeld het geval in “The World turned upside down”, dat Cromwells haat tegen Kerstfeesten op de korrel nam en heel duidelijk poneerde dat Kerstmis gesneuveld was in de slag bij Naseby, waar het puriteinse leger van de Roundheads de Cavaliers van koning Karel II versloeg. Het lied blijft zinvolle lectuur vandaag: ook een kleine vierhonderd jaar geleden draaide de wereld vierkant. En nog beter nieuws: ook de vorige poging om Kerstmis af te schaffen mislukte smadelijk.

Zalig Kerstmis dus!

Onze tip: beluister de aloude ballade op https://www.youtube.com/watch?v=IuPapvLoYZQ en houd de tekst bij de hand:

Listen to me and you shall hear, news hath not been this thousand year:
Since Herod, Caesar, and many more, you never heard the like before.
Holy-dayes are despis’d, new fashions are devis’d.
Old Christmas is kickt out of Town.
Yet let’s be content, and the times lament, you see the world turn’d upside down.

The wise men did rejoyce to see our Savior Chrits Nativity:
The Angels did good tidings bring, the Sheepheards did rejoyce and sing.
Let all honest men, take example by them.
Why should we from good Laws be bound?
Yet let’s be content, and the times lament, you see the world turn’d upside down.
 
Command is given, we must obey, and quite forget old Christmas day:
Kill a thousand men, or a Town regain, we will give thanks and praise amain.
The wine pot shall clinke, we will feast and drinke.
And then strange motions will abound.
Yet let’s be content, and the times lament, you see the world turn’d upside down.
 
Our Lords and Knights, and Gentry too, doe mean old fashions to forgoe:
They set a porter at the gate, that none must enter in thereat.
They count it a sin, when poor people come in.
Hospitality it selfe is drown’d.
Yet let’s be content, and the times lament, you see the world turn’d upside down.
 
The serving men doe sit and whine, and thinke it long ere dinner time:
The Butler’s still out of the way, or else my Lady keeps the key,
The poor old cook, in the larder doth look,
Where is no goodnesse to be found,
Yet let’s be content, and the times lament, you see the world turn’d upside down.
 
To conclude, I’le tell you news that’s right, Christmas was kil’d at Naseby fight:
Charity was slain at that same time, Jack Tell troth too, a friend of mine,
Likewise then did die, rost beef and shred pie,
Pig, Goose and Capon no quarter found.
Yet let’s be content, and the times lament, you see the world turn’d upside down.

Hohenlohe? Present!

Voor de zoveelste keer waren we vriendschappelijk aan het bekvechten. Bewust van de ridderlijke neiging van onze jonge vriend om de familie Orléans toch niet helemaal te laten ondergaan in de walmen van haar geschiedenis, vroegen we hem duidelijk te maken welke verdiensten zij dan hadden die niet kon worden toegeschreven aan de oudste tak van het huis Bourbon. 

Met het zelfvertrouwen van een Cyrano der Bergerac sprak hij: “Het Vreemdelingenlegioen.” Dat was weliswaar een nevenproduct van de verovering van Algiers, het laatste geschenk van de legitieme monarchie aan Frankrijk, maar werd inderdaad opgericht bij ordonnantie van 10 maart 1831 – tijdens het regime van de Burgerkoning dus.

We stonden even paf en moesten onze nederlaag erkennen. Tot we weer thuiskwamen en onze opzoekingen grondiger konden doen.

Al gauw bleek de leegte van het orléanisme ook hier niet te ontkennen. Zeker, het legioen werd in maart 1831 opgericht, maar verving een vergelijkbare eenheid, opgeheven door dezelfde Louis-Philippe op 5 januari van hetzelfde jaar: het legioen of regiment van Hohenlohe.

Hohenlohe? Hoort die niet eerder thuis in Duitsland? Overal in Europa, zou hij geantwoord hebben. Ludwig Aloys Joachim, prins Hohenlohe-Waldenburg-Bartenstein was immers bij uitstek een heer van het oude Europa, waar landsgrenzen ondergeschikt waren aan familiale verbindingen.  Toen hij lid werd van de Franse Eerste Kamer, de Chambre des Pairs, schreef een liberale waarnemer met een mengsel van spot en respect over hem dat hij een “ultra-féodal par état [was], par principes, par sentiment inné. C’est l’Ancien Régime personnifié avec ses erreurs, ses abus, ses préjugés, et à tel point que, s’il était possible que ces lignes parvinssent sous les yeux du noble pair, il serait loin, sans doute, d’y trouver autre chose qu’un éloge flatteur. »

Prins Hohenlohe als bevelhebber van zijn regiment

Hohenlohe was  vanaf 1816 bevelhebber zijn regiment, waarvan hij de dagelijkse leiding natuurlijk aan beroepsofficieren overliet – nog zo’n mooie traditie van het Ancien Régime. Het moest een toegangspoort tot het leger van de Bourbons zijn voor wie noch Fransman, noch Zwitser was, want de Zwitserse regimenten behielden een bijzonder statuut.

In het regiment Hohenlohe dienden 250 soldaten uit de Nederlanden, met een bijzonder overwicht voor het Zuiden. Eigenaardig genoeg maakten de rollen van het regiment een onderscheid tussen soldaten afkomstig uit “Belgique” of “Hollande”, terwijl voor de officieren steeds de aanduiding “Pays-Bas” werd gebruikt. Een van hen was Jean-Baptiste Jacques, die onder Bonaparte als sergeant had gediend, maar het pas na Waterloo tot officier bracht, onderluitenant in 1819 en luitenant in 1826. In 1829 ging hij over naar een linieregiment. Jacques illustreert de relativiteit van de zielige verhalen over officieren die hun verdere loopbaan gefnuikt zagen door de rancune van de Bourbons.

Een soldaat van het regiment Hohenlohe

De rancune van de Orléans was een werkelijkheid. Het regiment van Hohenlohe moest en zou verdwijnen. Voor haarden van legitimiteit was er geen plaats meer. Iets anders zou het vervangen.

Is er immanente rechtvaardigheid? Ongetwijfeld, want in het in 1831 opgerichte Legioen zouden keer op keer uitingen van respect voor de legitimiteit een plaats krijgen. Tot vandaag.

Sufferd of solfer?

Van alle stadhouders heeft Willem V zonder meer de slechtste pers. De Nederlandse verslaving aan zwarte legendes is blijkbaar zo hardnekkig dat ze als een boemerang in de eigen gelederen is teruggekeerd. En niet bij de minsten.

Zo is de anekdote bekend dat koningin (toen weer, volgens een onbegrijpelijke Nederlandse gewoonte, prinses) Wilhelmina in 1958 weigerde deel te nemen aan de plechtige bijzetting van haar voorvader in de Nieuwe Kerk in Delft, met als argument dat ze niet “achter een sufferd” wenste te lopen.

De herbegrafenis van Willem V in de Nieuwe Kerk

Geef ons dan maar dan maar prinses Louise, Willems dochter, die al vanaf 1814 ijverde om het lichaam van haar vader uit Brunswijk te laten overbrengen naar het vaderland – vergeefs.

Wilhelmina’s snibbige reactie verbaast. Niet omdat de vorstin verlegen zat om scherpe uitspraken, zeker niet in haar latere levensjaren. Wel omdat er bij nader toezien wel enkele gelijkenissen waren tussen beide Oranjes.

Zo moesten ze allebei onder druk van een buitenlandse mogendheid hun land verlaten, en trokken ze allebei naar Londen in ballingschap. Zo lieten ze allebei een land achter waarin ze een reële steun genoten, maar ook door sommigen werden gehoond als suppoosten van de Britten. Hun vertrek werd afgebeeld als een begin van een nieuwe tijd – die bij nader toezien gelukkig niet van zo’n lange duur bleek.

Pieter Geyl weerde zich als een duiveltje in een doosje toen oud-NSB’ers kort na de Tweede Wereldoorlog zich probeerden te verdedigen met een historische parallel met de patriottenbeweging. Net zoals de patriotten zich hadden beroepen op Franse steun en inspiratie, deden de nationaal-socialisten dat met Duitse steun en inspiratie. Natuurlijk altijd voor het goed van het vaderland.

Pieter Geyl – elke oranjezin was hem vreemd

Geyl, die met twee voeten in de staatsgezinde traditie stond en elk alibi goed vond om Oranje onder kritiek te bedelven, voelde zich aangevallen. De heftigheid waarmee hij reageerde, toont aan dat de pijlen doel troffen. Niet dat ze de NSB’ers verontschuldigden, integendeel. Wie de geschiedenis bekijkt, kan niet naast de nefaste rol der patriotten kijken – hun navolgers in de twintigste eeuw hadden dus beter moeten weten.

Laat het een les zijn voor al wie in den vreemde op zoek gaat naar één enkele oplossing voor alle problemen. Hij zal terugkeren met een totalitarisme in de rugzak.

Het beeld van Willem V als een sufferd is historisch aantoonbaar onjuist. Misschien was hij net te intelligent om te heersen. Maar zelfs als dat niet zo zou zijn geweest, verkiezen we de spruitjeslucht die uit zijn vertrekken zou zijn opgestegen boven de solfergeur van zijn tegenstanders  – toen en nu.

Moeders en douairières – waarom Franciscus Kinsoen er echt toe doet

U kent allicht het gevoel: met een brede glimlach biedt iemand u een geschenk aan en meteen nadat je het pakje hebt geopend besef je dat je nu meteen je gezicht in de plooi moet houden, althans indien je wil vermijden dat je teleurstelling overduidelijk is. Dat is me, vrees ik, overkomen toen ik vorig weekend een vroegere collega ging opzoeken, die zich na zijn pensioen niet in Spanje, maar in Brugge heeft teruggetrokken. Zijn vrijgevigheid was al spreekwoordelijk toen hij nog aan het werk was en de vorderende leeftijd heeft daar blijkbaar geen afbreuk aan gedaan. Waar ik wat kleins had meegebracht om hem te danken voor de uitnodiging, ontving hij me niet enkel met verfrissingen en versnaperingen, maar ook met een buitenmaats boek.

Dat bleek te gaan over een plaatselijke schilder die carrière had gemaakt in het Parijs van Napoleons tijd en nadien. Heel eerlijk, van Kinsoen had ik nog nooit gehoord en het huiselijke tafereeltje op de omslag van het boek gaf me niet de indruk dat dit een groot probleem hoefde te zijn.

In het station, klaar om de terugweg aan te vatten, besefte ik dat er wel degelijk een probleem was. Ik had namelijk nagelaten me van lectuur te voorzien voor de lange treinrit. En dat besefte ik op het moment dat het te laat was om er nog een mouw aan te passen. Het enige gezelschap dat me restte, was het boek over de familieschilder. De zonde straft zichzelf steeds.

Als het een zonde was, bleek het een felix culpa te zijn. Ik heb het boek van Daniel de Clerck niet één maar twee keer gelezen tussen Brugge en Amsterdam en trek bij deze alle onheuse dingen die ik ooit over Kinsoen gedacht of zelfs gezegd heb, formeel in.

Kinsoens portret van zijn echtgenote

Zeker, Kinsoen was de schilder van het gezin. Ik zie niet in hoe dat een verwijt kan zijn. Het genre van het gezinsportret paste trouwens bij uitstek in zijn glorietijd, die zo goed als naadloos samenviel met de restauratietijd. Misschien wel de meest heldere les die De Clerck geeft in zijn soms wat droge opsomming van de werken van zijn held (want enige heldenaanbidding is de auteur niet vreemd) is wie de vijanden van Kinsoen waren. Enerzijds had je de groothandelaren in heldenmoed uit de tijd van Buonaparte, de Davids van die tijd (en hoe appetijtelijk die man was, kon u al eerder op deze pagina’s lezen). Anderzijds waren er de romantici, die alles wat niet mateloos was bij voorbaat afwezen en met bolle ogen keken naar zinloze uitvergrotingen van de werkelijkheid, terwijl ze kreten slaakten die als enige merite hadden luid te zijn. Daartussen moest Kinsoen zijn plaats vinden.

Natuurlijk kon hij bespot worden. Natuurlijk verweet men hem de werkelijkheid mooier voor te stellen dan ze was. Alsof de werkelijkheid erbij wint lelijk gemaakt te worden.

De critici verweten Kinsoen feminien te zijn. En dan? De Franse revolutionairen spraken schande van het vrouwenbewind in Europa: Maria-Theresia in Oostenrijk, Wilhelmina van Pruisen in de Verenigde Provinciën en Marie-Antoinette in eigen land waren naar hun aanvoelen het tegendeel van wat een gezond staatsbestel inhield. Hun alternatief kennen we. De keuze is gauw gemaakt.

Koningin Anna Pavlova door Kinsoen. Een vorstin uit het goede hout gesneden.

Vaak vraag ik me af of wie terug wil naar het oude Europa niet resoluut moet kiezen voor een vrouwelijke kijk op de werkelijkheid. Met woordvoersters in plaats van woordvoerders. Met jonge moeders en bedaagde douairières als voordenkers in plaats van ambitieuze jongelui en teleurgestelde academici. Kijk naar Kinsoens portretten en zoek de achter-achterkleindochters van zijn modellen. Europa zal er wel bij varen.

Daniël de Clercks boek Kinsoen is uitgegeven bij Stichting Kunstboek in Oostkamp in 2022, https://www.stichtingkunstboek.com/product/kinsoen/  

Tripelconcerto

Mijn nieuwe buur heeft ongetwijfeld ook enkele vervelende trekken, maar een van de fijnere gevolgen van zijn verhuizing naar onze buurt is dat we op geregelde tijdstippen mee mogen genieten van zijn muziekkeuze. Die is niet noodzakelijk de mijne, maar goed is ze zeker.

Daarenboven valt zijn omgang met muziek niet als egoïstisch te omschrijven. Eén keer per dag, niet meer en niet minder, meestal rond de tijd van het noenmaal, gaat de volumeknop open en mogen onze stille grachtentuinen zich verheugen in een volledig werk uit de westerse muziekgeschiedenis. Allicht kunnen muzikaal meer geschoolden zelfs de uitvoeringen herkennen, maar dat lukt me vooralsnog niet.

Vandaag hadden we recht op Beethovens tripelconcert. Dat werk fascineert me al lang, om twee afzonderlijke maar toch samenhangende redenen.

Louter esthetisch beschouwd confronteert het werk ons met de vraag naar de verhouding tussen eenvoud en complexiteit in  de muziek, maar ook in andere kunsten. De pianolijn van het werk staat bekend als “makkelijk”, maar dat kan je niet zeggen van de partijen voor de viool en de cello. Die gaan alle kanten uit met de melodie, zodat sommige wijsneuzen menen dat de versiering de overhand haalt over de essentie. Wie dat poneert, dient dan wel te beschikken over een feilloos instrument om de grens tussen beide te bepalen, en daar loopt het naar mijn gevoel wel eens fout.

Waar het in ieder geval fout is gelopen, is bij het zoeken naar de verklaring voor de eenvoud van de pianopartij. Nog steeds hoor je beweren dat die verband houdt met het feit dat het stuk bedoeld zou zijn geweest om op de première uitgevoerd te worden door de jonge aartshertog Rudolf van Habsburg, later aartsbisschop van Olomouc en kardinaal. Dat verhaal klopt niet, want op het moment dat Beethoven zijn concerto schreef, was de aartshertog nog niet zijn leerling en kenden beiden elkaar zelfs nog niet. Wel is het zo dat aartshertog Rudolf Beethoven ruimhartig later ondersteunde en meerdere werken van de meester aan zich opgedragen zag. Bij zijn installatie als aartsbisschop zou de Missa solemnis hebben moeten weerklinken, maar helaas was dat werk niet tijdig klaar.

Aartshertog Rudolf

Eigenaardig genoeg blijft de mythe rond het tripelconcert bestaan en wordt het vaak gepresenteerd als een bewijs van de ijdelheid van het oude Europa, als een soort muzikaal equivalent van het sprookje van de nieuwe kleren van de keizer.

Werkelijk? Laat ons eens aannemen dat het verhaal waar zou zijn geweest. Zou het een aartshertog dan werkelijk een gezelschap van connoisseurs bij de neus hebben kunnen nemen, door een simpele pianopartij te spelen, begeleid door groot orkest? En zou het dan geholpen hebben zich te laten flankeren door twee solisten die wel een complexe partij voorgeschoteld kregen?

Ligt een andere verklaring dan niet meer voor de hand, namelijk dat een eenvoudige partij naast twee virtuozen net een blijk van nederigheid is? Neen: zou zijn geweest, want de hele vraagstelling berust op een misvatting.

Dat is dan toch een misvatting die me doet glimlachen. Minstens sinds Edward Heath zijn er ook in recentere tijden politici geweest die het zinvol vonden klassieke muziek uit te voeren. Meestal deden ze dat overigens als dirigent, een positie die ze conform achtten met de eigen roeping, maar die in de oude muziek niet in die vorm bestond. Het verhaaltje over aartshertog Rudolf leert ons dus wel degelijk iets, namelijk dat de tijden zijn veranderd.          

Oltmans bezoekt Petitto

Het is al even geleden (op 8 juli 2020 om precies te zijn) dat we op deze pagina de naam van Remo Renato Petitto lieten vallen. Dat gebeurde natuurlijk met een bedoeling, namelijk dat zijn teksten (en met name zijn hoofdwerken Legittimismo en Aristocrazia custode) zouden worden opgemerkt door de lezers van deze bladzijden en zo in de Lage Landen alvast een stuk van de aandacht zouden krijgen die ze verdienen.

We waren er toen van overtuigd zowat de eersten te zijn die zich aan die oefening waagden – met een eigenaardig mengsel van trots en teleurstelling. Trots over onze ontdekking, teleurstelling dat dit niet eerder was gebeurd.

Recent werden we echter geconfronteerd met een andere bijzondere cocktail, die misschien het best valt te omschrijven als de combinatie van teleurstelling, blijdschap en verbazing. De verantwoordelijke daarvoor was wijlen Willem Oltmans.

Dat Oltmans ooit een plek zou krijgen binnen de Geheime Nederlanden had u allicht niet verwacht. Wij ook niet.  Zijn aanhoudende vermenging van de journalistenrol en die van informele diplomaat bleek een voorafspiegeling van de heerschappij van de vijfde macht waaronder onze samenleving kreunt. Het cultiveren van een slachtofferrol en het ontdekt worden door lieden als Theo Van Gogh sluit daar perfect bij aan. Neen, wij hadden wel wat beters te doen dan Oltmans’ geschriften te lezen.

Oltmans in een kenmerkende pose

Tot het toeval wat helpt en ons een exemplaar van Oltmans’ Memoires (zeg maar dagboekfragmenten) over de periode 1953-1957 in handen speelt, inclusief zijn verslag van een Romereis in het voorjaar van 1956. Daarin komt Petitto viermaal ter sprake, veeleer als achtergrondfiguur, maar toch.

Oltmans ontmoette Petitto via de man die hij omschreef als Prins Paul Théodore, preciezer Paul Crivez, die poseerde als rechtmatig erfgenaam van het Byzantijnse Rijk en was geadopteerd door een lid van de Frans-Roemeense aristocratenfamilie Paléologue. Blijkbaar adviseerde Petitto Crivez op juridisch vlak. Op 26 februari 1956 bezocht Oltmans Petitto, net op het moment waarop te zijnen huize een vergadering van jonge monarchisten plaatsvond. Die interesseerde Oltmans maar matig, hij vond de komst van Crivez een stuk interessanter. Twee dagen later was Oltmans weer ten huize Petitto, maar over wat besproken werd, vernemen we niets.

Paul Crivez in vol Paléologue-ornaat

Blijkbaar zag Petitto wel iets in de Nederlandse journalist, want hij stuurde hem een artikel van zijn hand met als thema “Can contemporary problems be solved by the democratic method? No, they must be solved by legitimacy.” Of dat de originele titel was, is twijfelachtig, maar Oltmans geeft hem alvast zo weer.

De laatste vermelding van Petitto betreft het door hem geredigeerde contract op basis waarvan Oltmans de memoires van Crivez-Paléologue zou gaan redigeren. Die zijn er natuurlijk niet gekomen, en zo verdween Petitto ook uit beeld bij Oltmans.

Het heeft allemaal niet zo veel om het lijf, maar net daarom zijn deze anekdotes zo leerzaam. Hoe mensen die amper iets met elkaar gemeen hebben, elkaar toch kruisen. Hoe boeiende personen langs onverwachte paden even om de hoek komen kijken en weer verdwijnen. En hoe Petitto dus al vele decennia bekend is in het Nederlandse taalgebied – dat er niets mee heeft gedaan.

Voorbeeld en tegenbeeld

Zowat elke week krijgen we berichten te lezen waarin het verval van het katholieke christendom in Europa wordt aangekondigd, becijferd en waar nodig aangedikt. De verleiding is dan groot te verwijzen naar andere continenten, waar de pijl in de andere richting gaat. Het blijft een verleiding, want die reactie gaat mee met de reductie tot het cijfermatige die onze samenleving kenmerkt Ze kan er ook toe leiden de taken die op de bewoners van het Avondland blijven rusten te verdoezelen. Neen, geef mij dan maar de reactie van die jonge priester, die droogweg vaststelde dat er vandaag meer gelovigen zijn dan de ochtend na de Kruisiging.

Liever dan véél gelovigen zie ik uitmuntende gelovigen – zonder dan weer te vervallen in een omgekeerd elitarisme, dat de maximale kwaliteit van de gelovigen hoopt te ontdekken wanneer er amper nog zijn. Zolang de Kerk echter voorbeeldfiguren kent, loopt haar verhaal verder.

Bij een bezoek aan Parijs vertelde iemand me over zo’n voorbeeldfiguur, priester Jean-Marc Fournier. Een voorbeeldfiguur? Zeker, maar ook een contrastfiguur voor de samenleving van vandaag. Geboren in 1966 werd hij in 1994 priester gewijd in Wigratzbad, in het kader van de Petrusbroederschap. Later maakte hij de overstap naar het Franse bisdom bij de krijgsmacht en diende hij onder meer als militair aalmoezenier in Afghanistan.

Zijn overgang naar het Parijse brandweercorps in 2011 klonk op het eerste gezicht als een aankondiging van rustiger tijden. Het zou niet zo zijn.

In november 2015 was hij aanwezig bij de aanslag op de danszaal Bataclan in Parijs, waar hij hielp met het evacueren van de gewonden, maar ook een collectieve absolutie gaf aan de door de terroristen gedode feestgangers. De dood kreeg niet het laatste woord – misschien wel de ultieme mislukking van de aanhangers van IS.

Vier jaar later breekt in de Notre Damekathedraal van Parijs de vreselijke brand uit die we ons allen herinneren. Opnieuw vergezelt hij de brandweerlui, opnieuw neemt hij een bijzondere opdracht op zich: het redden van het Heilig Sacrament en van de relieken die in de kathedraal worden bewaard. Met succes.

Een diocesaan priester, gevormd in de traditie van de Tridentijnse liturgie, als priester betrokken bij militaire en semi-militaire operaties. Het klinkt als een volledige negatie van wat dezer dagen als normaal wordt beschouwd. Stulti propter Christum, wist Tertullianus al. Moge de Heer veel van deze voorbeeldfiguren op onze weg brengen. Of weinig, om onze aandacht beter te richten op de voorbeelden die we krijgen.

Waarom Van Valkenburg niet de laatste mag zijn

Een beetje democraat in dit land voelt zich al gauw hoog verheven boven inwoners van andere landen. Want hoewel we nog de last meezeulen van een aftands koningshuis, dat enkel wordt bestreden door een nog veel aftandser Republikeins Genootschap, hebben we ons tenminste losgemaakt van dat belachelijke fenomeen dat adel heet. Althans, we laten het rustig uitsterven en letten er zorgvuldig op dat niemand nog “verheven” zou worden tot die stand. Want wie zich verheft, zal vernederd worden en wie zich vernedert, verheven, leerde ons de dominee – vergetende dat er een cruciaal onderscheid bestaat tussen zich verheffen en verheven worden.

Dat we ons de naam van de laatste verhevene amper nog kunnen herinneren, spreekt boekdelen. De indruk die Johan Frederik Theodoor van Valkenburg op ons maakt, is vooral die van een brave burger. Burger, in alle betekenissen van het woord, en braaf vooral in de saaie betekenis. Dat hij zijn adelsverheffing in 1939 enkel te danken had aan het feit dat twee eeuwen voordien drie van zijn voorouders zitting hadden genomen in het stedelijke bestuur van Haarlem, wist die indruk niet uit, integendeel.

De persoonsfiche van Jhr Van Valkenburg, met onderaan het verheffingsbericht

Na Van Valkenburg begon een stille periode. Er waren gewoon geen adelsverheffingen meer, zelfs niet na de Tweede Wereldoorlog, die eigenlijk wel enkele mooie gelegenheden bood – misschien zelfs op postume titel. In 1953 bevestigde het kabinet dat voortaan geen gebruik zou worden gemaakt van de mogelijkheid tot adelsverheffing, een beleidslijn die tot 1994 werd gehandhaafd.

Dan kwam de Wet op het Adeldom tot stand, die poneert dat de enige manier om toe te treden tot de Nederlandse adel bestaat in inlijving, wanneer een buitenlandse edele de Nederlandse nationaliteit verwerft. Dan wordt rekening gehouden met buitenlandse adellijke titels en kan men toch nog toetreden tot de Nederlandse adel. Voor het overige kunnen enkel leden van het Koninklijk Huis en voormalige leden van dit Huis, tot drie maanden na het verlies van hun lidmaatschap des Huizes, tot de adelstand verheven worden.

Je hoeft geen grote kennis van (symbolische) economie te hebben om te zien wie de grootste begunstigden van dit stelsel zijn. Dat zijn de bestaande adellijke families, die hun symbolische goed nog zeldzamer en dus nog waardevoller zien worden. Het afsluiten van de toetreding tot de adel is het kunstmatig creëren van schaarste. Wat dat in het licht van de wetten van vraag en aanbod betekent, weet het kleinste kind. En wie beweert dat een adellijke titel geen symbolisch goed is, heeft vooral een nieuwe bril nodig. Kortom, als iemand voorstander zou moeten zijn van een herziening van het Nederlandse adelsrecht, zijn het de bovenvermelde democraten.

Een terugkeer naar het oude adelsrecht is echter een heilloze weg. Dat toont het precedent Van Valkenburg aan. Iemand wordt niet geadeld wegens de verdiensten van zijn voorzaten. Dan is de oude Franse praktijk merkelijk sterker. Daar bestond in de vroege achttiende eeuw de gewoonte om een verdienstelijk persoon te huldigen door diens ouders of grootouders te adelen. Zij hadden immers aangetoond dat de drie generaties die nodig zijn om een heer op te leiden, voorbij waren. De verdienstelijke persoon was niet de bron, maar wel de uiting van het adeldom, dat op die manier werkelijk familiaal werd.

Ik maak me geen illusie, de tijden zijn niet rijp. Maar net zoals Gijsbert Karel van Hogendorp tussen 1806 en 1809 in huis Adrichem in Beverwijk nadacht hoe een alternatief voor de vanzelfsprekendheden van zijn tijd toch mogelijk was, komt het ons toe dat te doen voor onze tijd.        

Huis Adrichem in Beverwijk

Le pays est lui-même le muséum – Quatremère de Quincy tegen de revolutionaire kunstroof

Dat er in de hemel meer vreugde is over één zondaar die zich bekeert dan over 99 rechtvaardigen, zou parate kennis moeten zijn. De vraag is dan waar die bekeerlingen gevonden kunnen worden. In Sodom viel dat blijkbaar tegen. Maar kijk, in het historische equivalent bij uitstek van die Bijbelse stad, het revolutionaire Parijs, was er alvast iemand te vinden die besefte een dwaalweg te zijn ingeslagen en zelfs de moed had zijn medeverdwaalden daarop te wijzen.

Zijn naam? Antoine Quatremère de Quincy, kunstkenner en gelegenheidspoliticus. Dat de revolutie haar kinderen opvrat, zoals monsters dat plegen te doen, kon hij aan de lijve ondervinden, al redde een tijdig onderduiken hem van de guillotine. Zijn ervaring in het revolutionaire parlement overtuigde hem definitief van de merites van de monarchie, wat zijn betrokkenheid bij de poging tot staatsgreep van 13 Vendémiaire verklaart (over die staatsgreep schreef Geheime Nederlanden op 20 juli 2022).

Misschien nog meer overtuigend, want duidelijk binnen Quatremères bevoegdheidssfeer, was zijn verzet tegen het revolutionaire beleid inzake roofkunst. Hier in Nederland zijn we vrij vlot ontkomen aan de nefaste gevolgen van dit beleid. Hoe fout het ook was, het regime van de Bataafse Republiek bespaarde ons de nachtmerrie van de wagenkolonnes die alle kunst die niet te zwaar was, naar Parijs of een ander Frans vlek overbracht. Enkel het patrimonium van het Stadhouderlijke Huis werd in beslag genomen, maar dat keerde netjes terug na de beëindiging van de Franse bezetting. De Zuidelijke Nederlanden kwamen er minder goed vanaf. Tot vandaag blijven er, ondanks volkenrechtelijke afspraken, geroofde kunstwerken uit met name Antwerpen pronken in steden als Lyon, Bordeaux en Aix-en-Provence.       

Quatremères Lettres à Miranda sur le déplacement des monuments de l’art de l’Italie uit 1796 ging echter niet direct over de Nederlanden, zoals reeds blijkt uit de titel. Eigenlijk ging het echter ook niet over Italië, maar over Frankrijk, over de kern van het revolutionaire beleid dat steunde op het uitrekken van het Franse territorium tot de zogenaamde natuurlijke grenzen, het creëren van satellietstaten zoals de Bataafse Republiek en het overbrengen van kunstwerken naar het herrezen vaderland van de kunsten en de mensenrechten, namelijk Frankrijk. Quatremère maakt haast klinisch duidelijk dat deze drie lijnen onverbrekelijk met elkaar en met de revolutionaire ideologie verbonden waren. Radicalen en “gematigden” deelden deze agenda, op enkele losgeslagen gekken na die inzake kunst vooral een beleid van vernieling wensten te volgen.

Tegenover deze republiek beriep Quatremère zich op een andere republiek, die der Letteren, die in de Oude Bedeling garant stond voor grensoverstijgende gedachtewisseling en samenhing met die andere oude traditie, de Grand Tour door Europa. Het musealiseringsbeleid van de sansculotten wenste geen grenzen te overstijgen, maar grenzen uit te wissen door al wat van tel was samen te brengen in een enkel land, en liefst nog in een centraal museum, als uiting van de militaire en (im-)morele superioriteit van de toenmalige regering. Met een volzin als een zwaard hakte Quatremère dit beleid in mootjes: “le pays est lui-même le muséum”. Een geciviliseerd mens bezoekt Italië, niet de zaal met Italiaanse kunst in het Louvre, waar werken los van enige context worden gepresenteerd.

Dat was precies de illusie waartegen ook Schiller waarschuwde in zijn vers “Die Antiken zu Paris” – dat echter vele jaren later werd geschreven en niet de verdienste had uit Frankrijk zelf te komen:

Was der Griechen Kunst erschaffen,
Mag der Franke mit den Waffen
Führen nach der Seine Strand,
Und in prangenden Museen
Zeig er seine Siegstrophäen
Dem erstaunten Vaterland!

Ewig werden sie ihm schweigen,
Nie von den Gestellen steigen
In des Lebens frischen Reihn.
Der allein besitzt die Musen,
Der sie trägt im warmen Busen,
Dem Vandalen sind sie Stein.

De baron van Orde

Je waant je in een roman van een weinig geïnspireerd auteur, maar het oord bestaat echt: le château d’Ordre ligt in Artesië, op een steenworp van de Opaalkust, dicht bij de havenstad Bonen. Aan het einde van een iependreef ligt daar een discreet maar stijlvol kasteel in Franse klassieke barok. Kort voor hij het liet bouwen, had Victor de Wiquet de baronie verworven, nadat zijn familie de maatschappelijke ladder was opgeklommen langs het houtvesterschap van het Bonense.

Het kasteel dankt zijn bescheiden maar werkelijke roem echter aan de achterkleinzoon van zijn bouwheer, Claude-Guillaume-Victor-Benjamin du Wicquet, vierde baron van Ordre, geboren in 1752. Na een militaire loopbaan verliet hij het revolutionaire Frankrijk in 1792. Hij keerde echter terug naar zijn woonst, waar hij prompt werd aangehouden en als bij wonder de terreur overleefde. Thuis teruggekeerd, bleef hij discreet meewerken aan het contrarevolutionaire opbouwwerk, dat toen in zijn destructieve fase zat. Zijn kasteel was een vertrouwde pleisterplek voor tegenstanders van de revolutie die de oversteek naar Groot-Brittannië wensten te maken langs de kortste weg, die langs het Kanaal. 

De meest bekende gast van de baron was niemand minder dan Georges Cadoudal, allicht de meest vasthoudende tegenstander van de revolutie in al haar vormen, die voor zijn overtocht in april 1800 de H. Mis hoorde in de kapel van het kasteel. Enige tijd later werd ook de baron het slachtoffer van verklikking. Hij stierf in een Parijse gevangenis in 1809.

Al te vaak vergeten we de bijdrage die discrete maar trouwe dorpsnotabelen verleenden en verlenen aan de zaak van het Herstel. Ze stellen hun woning ter beschikking voor overleg of verblijf, ze ondersteunen zonder veel woorden wie het nodig heeft en geven met gepaste helderheid blijk van hun ongewijzigde overtuigingen – ook al houdt dit een afstand in van perspectieven die voor anderen misschien aantrekkelijk zouden zijn. Plaatsvervangend huldigen we de baron die in de naam van zijn heerlijkheid zijn doel mocht voeren: de Orde die voorbode is van de Vrede.