Dieetbarok

Naar verluidt is 2018 in Antwerpen het barokjaar. Vermits elk initiatief van enige allure dezer dagen het epitheton “stedelijk” moet dragen (Richard Florida en de zijnen kijken over onze schouder mee), heet dit jaar een “stadsfestival”, met als ondertitel “Rubens inspireert”.

Aan “Geheime Nederlanden” werkt meer dan één “baroqueux” mee, dus over het initiatief leest u hier alvast geen overtogen woord. Een barokjaar ? Graag ! En wat ons betreft, ook in 2019 en de daaropvolgende jaren. Maar als het even kan, liever geen dieetbarok, maar het echte spul.

De ondertitel “Rubens inspireert” maakt al duidelijk dat de barok vooral als een periode in de beeldende kunsten wordt benaderd. Daarnaast is er links of rechts nog wat aandacht voor barokmuziek, en in de marge van het programma is er zelfs een of andere lezing te vinden over barok koken (vermoedelijk met directe uitzending op Njam-TV), naast enkele historische inleidingen op de context waarin de werken van Rubens en zijn tijdgenoten tot stand kwamen. Voor het overige komen vooral onze eigen tijdgenoten aan bod, in een wat overspannen poging om aan te tonen dat de Fabres en de Tuymansen van deze wereld geïnspireerd werden door de barok. Ongetwijfeld is dit nodig om te bewijzen dat Rubens en zijn leerlingen nog actueel zijn.

Een barokjaar, die naam waardig, kan echter pas volledig zijn indien het aandacht besteedt aan alle aspecten van de barok, die bij uitstek een omvattende levens- en wereldvisie is. Gebeurt dat niet, dan worden Rubens, Van Dyck en Jordaens gemusealiseerd en gereduceerd tot wat hapklare brokken voor mensen die niet eens zo lang nadien in dezelfde contreien leven, maar elke voeling hebben verloren met de wereld van hun grote voorgangers – voor dwergen die de schouders van de reuzen hebben verlaten wegens acute hoogtevrees.

De barok begrijpen zonder zicht op de ethische, religieuze en politieke opvattingen van die tijd, is onmogelijk. Welke Antwerpse parochie durft het aan in de Goede Week (ook) een liturgie aan te bieden volgens de buitengewone vorm, ook bekend als die van Pius V, een van de meer interessante barokpausen ? Illustreer die liturgie met leçons des ténèbres van Charpentier of Couperin, of van Fiocco om het in eigen streek te houden, en de aanwezigen zullen meer begrepen hebben van de gedachtewereld van onze barokschilders dan na de zoveelste lezing met algemeenheden.

Wie durft het aan zich te verdiepen in de barokke auteurs over politiek, die in dialoog gingen met Machiavelli en bleven pleiten voor een staatsmanskunst die zich gebonden voelde door ethische en religieuze imperatieven, en zo weerstand boden aan de nefaste ontwikkeling van het staatsabsolutisme, die loopt van de herauten van de absolute monarchie naar de totalitaire regimes van de twintigste eeuw, en naar wat we nog te goed hebben. In onze streken was er zo Jean de Marnix, achterneef van de Antwerpse buitenburgemeester tussen 1583 en 1585, maar vaak beter geïnspireerd. Iemand al ooit van hem gehoord ?

Wie leert ons meer over de barokke mensvisie, met haar subtiele zoektocht naar een evenwicht tussen schijn en wezen ? De barokke antropologie erkende dat menselijke gevoelens over het algemeen niet bijster origineel zijn, maar met enige welwillendheid passen in gekende schemata. Die kennis hielp mensen hun plaats te vinden en de eigen neigingen en handelingen aan te passen aan die plaats in een geordende samenleving. Vandaag valt dan al gauw het kreetje “hypocrisie”, maar als het alternatief voor die hypocrisie de volkomen eerlijkheid is van mensen die zichzelf zo ernstig nemen dat ze hun gevallen natuur uit het oog verliezen, hebben wij gauw een keuze gemaakt. Als u het daar niet mee eens bent, is het allicht nuttig even een blik te werpen op de publiekreacties op een of andere populaire website. U zal het misschien nog niet met ons eens zijn, maar ons zeker begrijpen.

We durven niet, we willen niet, we leren niet. We sluiten de barok op in musea, en in het beste geval in kerken die deels of helemaal zijn gebouwd in de barokke vormentaal, maar waar de band met de barokcultuur voor het overige verloren is gegaan. Musealisering, inderdaad, maar van een soort die de barok onschadelijk en ongevaarlijk maakt. Exact wat de bedoeling was in 1793, toen het Louvre werd geopend, zeven maanden na de moord op Lodewijk XVI en drie maanden voor de moord op zijn echtgenote. Haal de barokke kunstwerken weg uit hun context, en zij zullen niet meer begrepen worden. Is dat allicht ook de reden waarom sommige kunsthistorici en museumbeheerders, die geen twijfel laten bestaan over hun trouw aan het revolutionaire gedachtengoed, zo huiveren voor elke allusie op een mogelijke terugkeer van de kunstwerken die de Franse revolutionairen uit Antwerpen en andere steden geroofd hebben ?

 

 

Waarom ik Benedictus mis

Gisteren was het vijf jaar geleden dat Paus Benedictus XVI terugtrad uit zijn ambt en ons confronteerde met het ongemakkelijke fenomeen van de Paus-emeritus. Vijf jaar later zijn we de stijl van zijn opvolger gewend geraakt. Die roept meer herinneringen op aan de beginjaren van Johannes Paulus II dan aan enige andere periode uit de kerkgeschiedenis. Net zoals toen heerst een gevoel van een nieuwe stijl en een nieuwe dynamiek, gecombineerd met een dominantie van de ethiek in het binnenkerkelijke debat.

Als iets het pontificaat van Benedictus anders maakte, was het precies de relativering van dat ethische debat. Kardinaal Ratzinger had de Congregatie voor de Geloofsleer bijna vijfentwintig jaar geleid toen hij Paus werd. Zijn ervaring aldaar was merkelijk ruimer dan de loutere studie van de sexuele of de sociale moraal van de Kerk, en had minstens ook betrekking op doctrinaire kwesties, die amper een buitenstaander kunnen fascineren. Daarenboven had de fijnzinnige intellectueel Ratzinger zijn creativiteit botgevierd op de meest uiteenlopende themata, wat niet zonder gevolgen bleef voor de bestuurder Benedictus.

Het wezensmerk van zijn pontificaat is voor mij dan ook de evenwichtige verdeling van de aandacht tussen het Goede, het Ware en het Schone.

Beweren dat Benedictus geen belangstelling had voor ethische vraagstukken, zou het licht van de zon ontkennen. Net zoals Johannes Paulus II zocht hij een ethisch discours dat recht deed aan de grondwaarden van de Kerk, zonder ten onder te gaan aan herkauwgedrag. Net zoals Franciscus (en ook Johannes Paulus II) besefte hij dat dit ethisch discours niet beperkt mocht blijven tot vragen van individuele ethiek, maar ook betrekking moest hebben op de gemeenschap en de grote collectieve verbanden.

Daarnaast besteedde Benedictus echter meer aandacht dan anderen aan terreinen die langzamerhand waren losgekomen van het kerkelijke denken. De grote filosofische debatten van vandaag hebben met name betrekking op epistemologische en antropologische kwesties. Wat weten wij over de mens, en met name: wat weten wij over zijn vermogen te weten ? Dat debat is stukken boeiender dan het neopositivistische riedeltje dan ons zo graag wil doen geloven dat de wetenschap alle problemen heeft opgelost, of minstens aan het oplossen is. Wetenschap als opium van het volk.

En ten slotte was Benedictus ook van nabij betrokken in het streven om de Kerk en de Schoonheid, binnen en buiten de liturgie, in gesprek te houden. Soms werd hij daarom geridiculiseerd, maar die flauwe humor ging voorbij aan de volwaardige plaats die de esthetiek verdiende in zijn omvattende op de verhouding tussen geloof en wereld.

Echte maatschappelijke relevantie van de Kerk heeft meer te maken met het vinden van een evenwicht tussen de eigen aandacht voor deze drie terreinen dan met aansluiting te vinden bij de mediatieke stromingen van het moment. Echte relevantie overstijgt immers het momentane.

Daarom mis ik Benedictus elke dag. In tegenstelling tot wat velen denken, heerst in de Kerk van vandaag een tendens die meer op het verleden is gericht dan enkele jaren geleden. Zeker, op het relatief recente verleden, maar dat is net het verleden waarvan we het minste mee kunnen aanvangen, omdat we er onvoldoende afstand van kunnen nemen. De Kerk van vandaag mist ook ambitie, en plooit zich terug op het vertrouwde terrein van de ethische kwesties. Die zijn belangrijk, maar passen in een ruimer kader. Hoe ruim, heeft Benedictus ons getoond.

Nogmaals weerzien van Henegauw

Heel stevig zijn de aanspraken van de Naundorffs op de Franse troon nooit geweest, en sinds 1998 heeft zelfs de wetenschap, dat orakel van onze tijden, een probleem met hun pretensiën. De Leuvense hoogleraar Cassiman toonde toen aan dat zij geen Bourbonbloed hebben, hoewel zij beweren af te stammen van de Dauphin Lodewijk, die dan niet in gevangenschap zou zijn overleden in 1795, op tienjarige leeftijd en na een de iure koningschap van amper anderhalf jaar, zoals algemeen wordt aangenomen.

Overigens moet men de slechte smaak van een Jacques Prévert hebben om de draak te steken met het respect van de Franse monarchie met dit onfortuinlijke kind, als men de overgang van het de facto koningschap van Lodewijk XVI op Lodewijk XVIII toeschrijft aan onvermogen met getallen om te gaan. Doch dit geheel ter zijde.

Karl Wilhelm Naundorff overleed in 1845 in Delft, en zijn afstammelingen bleven nauw verbonden met de Nederlanden. Naundorffs zoon, Karel X in de survivantistische lijn, werd hoofd van het pyrotechnisch atelier van het Nederlandse leger in de Prinsenstad. Een kleinzoon, Hendrik VI in de zogenaamde Adalberthische sublijn (ik bespaar u de details), vestigde zich in 1910 in Hasselt, in het kasteel Henegauw aan de Luikersteenweg. In 1914 verlieten hij en zijn gezin het kasteel voor de Duitse invasie. Die vlucht maakte een diepe indruk op zijn zoon Louis, die in de Nederlandse letteren bekend staat als de wat ongelijke dichter Louis de Bourbon, maar in de survivantistische lijn als Louis-Adelberth I.

Louis de Bourbon was een eerlijk man, die zijn leven lang worstelde met de onzekerheid over zijn afstamming. Met de middelen die in zijn tijd ter beschikking stonden, had hij de intieme overtuiging inderdaad een afstammeling van de Dauphin te zijn, maar hij verklaarde zich meermaals bereid zijn naam af te leggen indien hij met overtuigend tegenbewijs werd geconfronteerd. Het is een van de sympathiekere kanten van het survivantisme, samen met de inspanningen die sommige survivantisten na het overlijden van Henri V van de legitieme lijn hebben geleverd om het Franse monarchisme te behoeden voor het viscerale opportunisme van de lijn Orléans. Waaruit nogmaals blijkt dat een aanspraak niet gegrond hoeft te zijn om waardevol te blijken.

Terug echter naar de Nederlandse letteren.

In 1951 keerde Louis de Bourbon terug naar Hasselt, de stad van zijn jeugd, naar ik vermoed op uitnodiging van Louis Roppe, toen pas aangesteld tot gouverneur van de provincie Limburg en een fijn amateur van de kunsten en de Nederlanden. Hij was geschokt door het verval van het kasteel, en dichtte:

“En ik ging, vergrijsd, weerom naar het kasteel der dromen,

Maar vond het bos verwoest, de bloemenhof vergaan,

De dag was grauw, de regen viel bij stromen.

 

De muur, zo smetloos eerst, tot somber grauw verschoten,

Het gazon verdord, vermolmd de bomen van de laan,

O jeugd’s kasteel, o droom, uw luiken zijn gesloten.”

Het ergste moest nog komen. Op 2 november 1974 verwoestte een brand het grootste deel van het gebouw. Voor het herbouwen ontbraken aanvankelijk de middelen, en vervolgens rees een groter probleem: nieuwe regels inzake stedenbouw maakten het de restauratie onmogelijk. Enkel verder verval bleek conform met het gebruik dat Vlaanderen maakte van zijn prille bevoegdheden inzake stedenbouw.

 

naamloos

 

Louis de Bourbon zou ongetwijfeld aan zijn vader hebben gedacht, over wie hij dichtte:

“Hij was er zeker van

Rechtvaardigheid gebiedt dat tronen,

Straffeloos ontnomen,

Herrijzen zullen in hun heerlijkheid.”

De zoon deelde ter zake niet de zekerheden van de vader.

En zie, vandaag kan wie langs de Luikersteenweg richting Tongeren rijdt aan zijn linkerhand Henegauw in nieuwe glorie zien staan, met dank aan een private eigenaar en bouwheer. Niet een troon is herrezen, want daarvan weten we dat hij niet aan de Naundorffs werd ontnomen, maar wel een huis herrijst in heerlijkheid. Net zoals het blijvende herstel van een stabiele samenleving niet verwacht moet worden van donderende verklaringen of onverwachte heldendaden, maar wel van een daadwerkelijk beleefd geloof in zinvolle praktijken. Het illustreert in het klein de wijsheid van Joseph de Maistre die ons eraan herinnerde dat de contrarevolutie geen “révolution en sens contraire” maar “le contraire de la révolution” is.

Gynaecocratie

Mensen die willen meegaan met hun tijd, eerder dan hun tijd op sleeptouw te willen nemen, heb ik al vaak teleurgesteld. Nu zijn echter ook de conformisten diep in me teleurgesteld. En de schuldige is een jongedame. Pascaline is het dochtertje van mijn neef en zijn vriendin. Als familienaam draagt zij hun beider achternamen, in contra-alfabetische orde, en zonder liggend streepje. Ooms en tantes reageren geschokt, en hadden op me gerekend om de baritonstem in hun klaagzang voor mijn rekening te nemen. Toen deed ik wat ik niet moest doen: ik wees ze erop dat naar aloude Spaanse normen deze werkwijze heel gewoon was.

Je kan van de Spanjaarden veel zeggen, maar niet dat ze de tradities in hun dagelijks leven volkomen hebben losgelaten. Hoe hun combinatie van vader- en moedersnaam de grondvesten van onze civilisatie onderuit zou halen, ontgaat me volkomen. Integendeel, het lijkt me net een manier om de tweepoligheid van gezin en samenleving te onderstrepen. Net zoals ik het betreur dat een einde is gekomen aan het gebruik dat in de negentiende eeuw dominant was in onze streken, om naast de eigen naam ook de naam van de echtgenote te voeren. Auguste de Maere, de vader van de Zeebrugse haven, voegde zo de naam van zijn echtgenote aan de zijne toe, en ging door het leven als De Maere-Limnander.

En zo presenteert men vandaag volstrekt respectabele vormen van terugkeer naar oude gebruiken als uitingen van radicaal feminisme. Ter rechterzijde schreeuwt men zich wel eens hees over de feminisering van staat en samenleving. Ik merk er eerlijk gezegd niet veel van. En wat ik ervan merk, stelt me meer gerust dan wat anders. In de loop van de geschiedenis hebben vrouwen meestal een gunstige invloed gehad op politiek en samenleving. Dat de linkerzijde in België zich tot 1948 succesvol kon verzetten tegen vrouwenstemrecht, was geen toeval. En de band tussen Nederland en Oranje werd vooral geweven door vorstinnen – zeker in de twintigste eeuw, met Wilhelmina, Juliana en Beatrix, maar ook voordien, toen de Verenigde Provinciën bekend stonden als een “gynaecocratie” van regentessen, gemalinnen en prinses-moeders. Marie Louise van Hessen-Kassel, in Friesland bekend als Marijke Meu, moeder van stadhouder Willem IV, was een exempel van die traditie.

 

Marijke_Meu

 

Wat daarentegen moet doorgaan voor herwonnen respect voor het vrouwelijke, blijkt bij nader toezien veeleer op het tegendeel neer te komen. Om bij een enkel voorbeeld te blijven: de parochiepriesters die het nodig vinden God “Vader en Moeder” te noemen, zijn al lang niet meer op de vingers van een enkele hand te tellen. Op het eerste gezicht, en allicht ook in hun eigen bedoelingen, zijn zij bezig met een sympathieke en inclusieve “hertaling” van het traditionele godsbeeld. En natuurlijk is er geen zinnig mens te vinden die de kenmerken van God wil omschrijven door op zoek te gaan naar wat het tegendeel van het vrouwelijke is.

Het slachtoffer van die sentimenteel-inclusieve benadering is echter niet een of ander machistisch godsbeeld, maar wel de vrouwelijke pool van de kerkelijke symbolische orde. Pool ? Wat zeg ik, polen. Want tegenover “God de Vader” staat natuurlijk de Moeder Gods, Maria, die door de Heilige Paus Johannes Paulus II meermaals met de titel “Medeverlosseres” werd aangeduid. Als God vader en moeder tegelijk is, is er geen medeverlosseres meer nodig. Het zelfde geldt voor de Kerk, in de liturgie vertegenwoordigd door de gelovigen, en traditioneel beschouwd als de vrouwelijke pool, tegenover de mannelijke Christus en zijn rituele vertegenwoordiger, de priester. Een God “vader-moeder” heeft ook geen Moederkerk meer nodig. En zo wordt een ogenschijnlijk inclusief taalgebruik uiteindelijk een reductionistisch mechanisme, dat de vrouwelijkheid in het christendom wegmoffelt en onderbrengt in een verruimde visie op God de Vader.

Is het in de rest van de samenleving zo heel anders ? Wat eeuwenlang als vrouwelijke waarden werd beschouwd, en wat het Avondland vaak deerlijk nodig heeft, wordt met een omtrekkende beweging weggevaagd. Onder het mom van meer aandacht voor de vrouw, wordt onze samenleving eigenlijk steeds mannelijker. Mannelijker wil in deze context ook zeggen: gelijker en dus eenvormiger. Want met verschil en zeker met meerpoligheid hebben onze weinig subtiele geesten het toch zo moelijk.

Dus maken we onze samenleving in naam van de vrouw elke dag een beetje mannelijker. En dus gekker.

 

From a corruptible to an incorruptible Crown

Tweemaal per jaar volgen de gedenkdagen van troon en altaar spoedig op elkaar. Op 21 januari herdenken we de sterfdag van Lodewijk XVI, op 30 januari die van Charles I. Negen maanden later volgt de sterfdag van Marie Antoinette, op 16 oktober en het feest van de Zalige Karl van Oostenrijk op 21 oktober –dat is echter niet zijn sterf-, maar wel zijn huwelijksdag, een symbool van hoop.

Op het continent is de verering van “Charles the Martyr” minder verspreid, maar de Church of England heeft hem wel degelijk tot de eer der altaren verheven, een verering die Stuart-legitimisten samenbrengt met wie zich verzoend heeft met de “protestant succession”.

Die verering gaf onder meer aanleiding tot onderstaande bijzonderheid: een fraaie neo-Latijnse parafrase op het Dies Irae ter ere van Charles. Ze is van de hand van Henry Jenner, de taalkundige die aan de wieg stond van het regionalisme in Cornwall. Jenner was overigens een standvastige jacobiet, die een vooraanstaande rol speelde in de kortstondige, maar hevige renaissance van het legitimisme op de Britse eilanden. Ook Alexander Teixeira de Mattos, die Couperus, Maeterlinck en Streuvels naar het Engels vertaalde, behoorde toe die stroming, en dreef het enthousiasme ooit zo ver dat hij een proclamatie over het herstel van de legitieme vorst ging aanplakken in de Houses of Parliament. Toen in 1914 de Wereldoorlog uitbrak, betekende dat ook het einde van de jacobitische beweging. De legitieme vorstin was immers aartshertogin Maria Elisabeth van Oostenrijk-Este, de echtgenote van koning Ludwig III van Beieren. En de vijand van de natie op de troon wensen, neen dat was er ver over. Het scheelde geen haar, of na Parijs begon ook Londen kwaad te spreken over “l’Autrichienne”.

De geschiedenis is de geschiedenis, maar Jenners tekst herinnert ons aan het vermogen van vroegere generaties om liefde voor stad en streek, het kleine vaderland, in evenwicht te brengen met trouw aan een dynastie die heerste over vele landen, en met geloof in de Wereldkerk. Vanavond bid ik mee met Jenner:

 

Rex divine, Rector regum,
Juris Auctor, Dator legum,
Omnem regens populum,
Tibi laudes extollamus
Hodie dum honoramus
Florem regum Carolum.

Eheu! Clades et dolores
Generarunt proditores
Maculati crimine;
Cadunt templa gloriosa
Cadunt leges, alba rosa
Rubra fit de sanguine!

Vere dixit rex Bardorum
“Tempus erit miluorum
Et stragis mirabilis,
Quando regnum amittetur
Et in auram elabetur
Albus rex et nobilis.”

Jus divinum, lex celestis
Ab hominibus scelestis
Arroganter spernitur;
Ad tribunal cruentatum,
Ad insanis designatum,
Rex Anglorum ducitur.

Caræ matris fili vere
Tu servasti persincere
Præcepeta fidelia
Propter illa propugnasti,
Ipsa victus superasti
Cæsus pro Ecclesia.

Nihil vile tu fecisti,
Semper digne tu gessisti
Mirum per spectaculum.
Nil maligne proclamasti;
Pulchrum caput inclinasti,
Velut super lectulum.

Et corona peritura
Data, bona mercatura,
Pro incorruptibili.
Tenuisti cursum durum
Per securum ad securum
Regnum Christi Domini.

Te Precursor, cujus nomen
LAUDEM sonat (felix omen!)
Ille Præsul inclytus
Expectabat coronatus,
Ubi laudat candidatus
Martyrum exercitus.

Cæde Regis venit vita,
Venit lege demolita
Renovamen patriæ;
Sanguis Martyris Regalis,
Facti morte immortalis,
Semen fit Ecclesiæ

Letum priusquam acerbum
Passus fuit, unum verbum
Dixit “Reminiscere”;
Tu, Ecclesia sanata
Hujus morte reparata.
Numquam obliviscere!

 

 

 

 

Fils de Saint Louis, montez au Ciel!

Vandaag is het precies 225 jaar geleden dat de Ierse priester Henry Essex Edgworth de woorden uitsprak “Fils de Saint Louis, montez au Ciel”, toen zijn biechteling Lodewijk XVI, koning van Frankrijk en Navarra, werd geëxecuteerd in Parijs. Voor diegenen die blijven beweren dat de Franse Revolutie een sprong vooruit betekende in de richting van de rechtstaat, helpt allicht geen andere remedie dan het met de hand kopiëren van de zeven delen waarin de debatten over schuld of onschuld van de vorst werden gepubliceerd. Vanuit antropologisch perspectief zijn ze bijzonder interessant. Ze leren ons iets over de boosaardigheid van de mens die verteerd wordt door politieke passie. Juridisch bekeken zijn ze vooral een les hoe het niet moet.

Ook in de Nederlanden (met name in Brussel en Utrecht) werd deze datum herdacht met een requiemmis. In Brussel preekte Mgr Wach, algemeen prior van het Institut du Christ Roi Souverain Prêtre, een van de betere kanselredenaars van onze tijd, die zonder enig complex de traditie van Bossuet en Bourdaloue voortzet. Wie een idee wil hebben, vindt op het net de tekst van zijn sermoenen uit 2012 (http://www.rectorsaintanne.com/?x=entry:entry120126-094654) en 2017 (https://www.ultramontain.be/2017/01/21/ils-n-ont-pas-voulu-%C3%A9couter-ma-demande-comme-le-roi-de-france-ils-s-en-repentiront-et-ils-le-feront-mais-ce-sera-tard/).

Het is trouwens opvallend hoeveel herdenkingsdiensten voor vorsten uit een min of meer ver verleden er in onze streken worden gehouden. Gisteren Lodewijk XVI, later dit jaar Filips Willem van Oranje, keizerin Zita en de Zalige Keizer Karl. Allicht verloor ik er nog uit het oog. De alliantie van troon en altaar heeft kennelijk nog meer getrouwen dan velen denken.

Iemand zou trouwens eens de moeite moeten nemen om de geschiedenis te schrijven van de herdenkingen die sinds 1793 voor Lodewijk zijn gehouden in onze streken. Onmiddellijk na de parlementaire moord van 21 januari 1793 werden in Brussel en Antwerpen herdenkingsdiensten gehouden. Van de hagiografie die Jérôme-Joseph de Limon (overigens geen aanbevelenswaardig sujet) in juli 1793 liet verschijnen, verschenen alleen al in Brussel zeven drukken binnen een periode van drie maanden. Onder het motto “Fera pessima comedit eum. Bestia devoravit Joseph” liet in april van dat jaar een anonieme Franse auteur zijn rouwrede voor Lodewijk verschijnen in de Brabantse hoofdstad en in het zelfde jaar verscheen ter stede ook een anonieme tragedie in vijf bedrijven over de Franse vorst. De Mechelse uitgever Hanicq liet een “Omstandig verhael van de dood van Lodewijk” verschijnen, inclusief de tekst van zijn testament. In de korte periode gedurende dewelke Valencijn weer werd toegevoegd aan het graafschap Henegouwen werd daar op 21 januari 1794 een officiële herdenking van Lodewijk XVI georganiseerd.

En dan hebben we het nog enkel gehad over het eerste jaar na de droevige gebeurtenissen van 21 januari 1793. Wat gebeurde er gedurende de Honderd Dagen, wanneer Lodewijk XVIII in Gent verbleef? Herdacht hij zijn broer en voorganger ? Wat deden enkele decennia later de Naundorffs in Delft ? En de dichter, verzetsman en burgemeester van Oss Louis de Bourbon ? Dat sinds 1843 in de kathedraal van Doornik uitvoering wordt gegeven aan het testament van Jean-Baptiste Fauquez door een jaarlijkse H. Mis ter nagedachtenis van Lodewijk, is wel geweten.

Kortom, in Utrecht en Brussel werd een oude traditie voortgezet, die Noord en Zuid met elkaar delen. Dat hoeft echt niet te veranderen.

 

 

 

 

Vertrouwen als een landhuis

Gelukkig zijn de gebruikers van onze autosnelwegen. Ongeacht het tempo dat zij aanhouden, gestadig aanschuivend of vlot zoevend, kunnen zij genieten van een uitzicht op natuurlijk of cultureel patrimonium. Op enkele tientallen meter van de pechstrook ligt een oud landhuis; elders wordt een bos dat slechts een jachtterrein was voor nutteloze edelen doorsneden door de weg van de toekomst, die niet toevallig een E in zijn naam draagt.

Over de achttiende Lord Willoughby de Broke, overleden in 1923, schreef een weinig empathisch en zeer zelfingenomen historicus ooit: “He had quite a gift for writing, thought clearly, and was not more than two hundred years behind his time.” Zijn schrijftalent blijkt onder meer uit Willoughby’s herinneringen, die kort na zijn overlijden verschenen onder de titel The Passing Years. Daar beschrijft hij hoe in zijn jeugdjaren, in het laatste derde van de negentiende eeuw, elk landgoed een eigen bier maakte, dat herkenbaar anders smaakte dan het product van het volgende domein.

Net zoals landgoederen de geografie van de Britse smaak vorm hebben gegeven, gaven zij vorm aan de landschappen van zowat geheel Europa. Dreven en oprijlanen waren ook in onze landen de in- en uitleidingen van de dorpskernen.

In de jaren zestig, zeventig en tachtig, toen in onze kerken de tweede beeldenstorm woedde, vonden een aantal meesters van de vooruitgang het blijkbaar zinvol om snelwegen te trekken door dit soort historische landschappen. Wie houdt van samenzweringstheorieën, zoekt hier misschien een symbolische wraakoefening achter van een nieuwe op een oude elite. Er is echter een meer eenvoudige verklaring te bedenken. Net zoals iedereen die zichzelf niet welbewust in toom houdt, waren deze lieden slachtoffer van de aangeboren historische myopie van de mens, die geneigd is de geschiedenis te doen beginnen bij de eigen geboorte, en ervan uitgaat dat al wat aan die datum voorafgaat, per hypothese werd achterhaald door de zin der geschiedenis. Waartoe diende een landhuis nog ? Wie gaf nog om de jacht ?

Anderhalve eeuw voordien, kort na de slag bij Waterloo, leidde een variant van diezelfde myopie tot vergelijkbare resultaten. Toen lieten eigenaars van kastelen, die onder het Franse bewind hadden leeggestaan en vervallen waren, hun eigendommen afbreken. De oude tijden kwamen toch niet meer terug, waartoe diende het dan die oude relicten te bewaren ?

En zo is in twee golven ingehakt op het statige patrimonium dat ons platteland vorm gaf: de eerste keer uit een gebrek aan vertrouwen, de tweede keer door een teveel aan zelfvertrouwen, maar telkens door een onverantwoord groot geloof in de zin van de geschiedenis.

O ja, kort voor zijn overlijden verkocht Lord Willoughby zijn landhuis aan een ondernemer uit de buurt. Vandaag is het een museum waarin private kunstcollecties worden tentoongesteld, in het hart van ruraal Engeland. Compton Verney geeft Warwickshire vorm, tot op vandaag.

Gereduceerde reformatie

Het Lutherjaar 2017 loopt op zijn laatste benen, en dat is geen slechte zaak. De herdenkingen bleven onder de maat, en dat mag achteraf beschouwd eigenlijk niet verbazen. De herdenking van de reformatie werd het slachtoffer van het religieuze analfabetisme dat in onze samenleving domineert – ook bij wie zichzelf omschrijft als “gelovig” (alleen het woord al…).

De Luther die voor hedendaagse consumptie geschikt werd geacht, kon dus enkel de “protestant” zijn, veeleer dan de “hervormer” – of anders gezegd: de nadruk kwam onevenredig te liggen op het negatieve aspect van de reformatie. Toegegeven, over aflaten, simonie en inbreuken op het celibaat is het makkelijker smeuïge verhalen te vertellen dan over predestinatie of gemene gratie. Wie van Luther en zijn medestanders een verontwaardigde christen maakt, die de misstanden in de Kerk van zijn tijd niet meer kon aanzien, reduceert hem tot een karikatuur die weliswaar oppervlakkige sympathie kan uitlokken, maar die geen bron van controverse kan zijn. Dan wordt het mogelijk in een katholieke kathedraal een “dankviering” voor de reformatie te organiseren, die dan gelukkige en minder gelukkige vormen van protest uitlokt.

Wie ik in de herdenkingen gemist heb, was de theoloog Luther. De gestampte reductionist, die aan de hand van de slagzinnen “sola scriptura”, “sola gratia” en “sola fide” afscheid nam van het synthetische denken dat zo eigen is aan de katholiciteit. Geen “complexio oppositorum” bij hem, maar een duidelijke keuze voor een van de polen binnen een binaire structuur. Geen hervormer binnen de katholieke continuïteit, maar een religieus denker die met kennis van zaken breekt met die denkstijl. Niet omdat een of andere kanunnik ergens in Saksen zich misdraagt, maar omdat Martin Luther de traditie niet als een bron van openbaring kan beschouwen naast de Bijbel. Wie dit soort debatten weggomt uit een herdenking van de reformatie, doet Luther en de zijnen onrecht – ook al moet de uitkomst van dat debat zijn dat Luther fout zat.

Het voorgaande doet overigens geen afbreuk aan de merites van individuele en collectieve vertegenwoordigers van het hedendaagse protestantisme, die er soms beter dan hun geprotestantiseerd-katholieke gescheiden broeders in slagen recht te doen aan de volkomen alteriteit van God. In het spoor van Lord Acton heeft de progressieve vleugel van de Kerk van Rome dermate voorrang gegeven aan een agenda van politieke nivellering, dat zij zelfs aarzelt God aan te duiden met zijn aloude epitheton “de Almachtige” – want is macht niet slecht ? Een aantal erfgenamen van Luther en Calvijn zijn blijkbaar beter gewapend tegen dit slag kinderstreken dan de hoofdstroom van de katholieke Kerk in onze streken.

De grenzen van de stijleenheid

Een van de dogmata van de actuele kunstscène, waarvan algemeen geweten is dat zij van elk dogma vrij is, is de verwerping van het beginsel van de stijleenheid. Goede smaak herken je vandaag aan een collectie die elke grens overstijgt, en oud en nieuw, lage en hoge cultuur, Westers en niet-Westers combineert en onderling confronteert. Het resultaat mag vaak niet gezien worden.

Toch valt er wat te zeggen voor een afscheid van de stijleenheid. Als beginsel is het immers bijzonder weinig organisch, in zoverre het geen ruimte laat voor natuurlijke groei. Wie wil weten wat ik bedoel, nodig ik graag uit om tijdens de komende Kerstdagen eens te letten op de barokke kranskapellen in onze gotische kerken. Aan de andere kant is stijleenheid vaak een argument geweest voor de meest kortzichtige vormen van tabula rasa.

En toch is er een vorm van stijlcombinatie die me al sinds heel lang ongemakkelijk maakt.

bruxelles_eglise_st_jacques_sur_coudenberg_cpa_2

 

De oorspronkelijke kerk van Sint-Jacob in Brussel, werk van het classicistische architectentrio Barré, Guimard en Montoyer, raakte de hemel met een Grieks aandoend fronton. Zuiverder classicisme was amper denkbaar. Het torentje is driekwart eeuw later toegevoegd door een andere classicist, de vaak onderschatte Tielman Frans Suys. Mij overtuigt noch de ene, noch de andere oplossing. De oorspronkelijke versie zondigt door overmatige zuiverheid, en mist het evenwicht van bijvoorbeeld de Madeleine in Parijs. Het torentje lost het probleem niet op. Is het allicht de combinatie van twee varianten van eenzelfde vormentaal die de harmonie op de vlucht jaagt ?

Geslagen hond of erfgenaam ?

Het was mijn voornemen te zwijgen over Catalonië na het stukje dat ik er hier over schreef. De hardnekkigheid waarmee zowat elke tendens binnen de Vlaamse Beweging er werk van maakt zich radicaal af te zetten van het beleid van Madrid ter zake vraagt echter om een pedagogische herhaling. En daar beginnen we mee: de alliantie van de Vlaamse Beweging met separatistische stromingen van minderheden overal ter wereld is principieel discutabel, en strategisch nefast.

Als het over internationale politiek gaat, heeft de Vlaamse Beweging een erfenis van strategische dwaasheden. De collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog is daarvan de meest bekende.

Op het eerste gezicht gaat het toen en nu om volstrekt tegengestelde keuzes. Toen de alliantie met de nationaalsocialistische geweldstaat, nu de vriendschap met het arme kleine Catalonië. Wie de feiten in een context ziet, moet echter vaststellen dat de psychologische gelijkenis groter is dan men zou denken.

Het Duitsland dat in 1940 tot veler verbazing als overwinnaar uit de Blitzkrieg kwam, was immers niet het economisch, militair en intellectueel dominante keizerrijk uit de Gründerzeit. Het was het land dat twee decennia voordien vernederd was in Versailles en dat tien jaar voordien door de zwaarste economische crisis ooit was gegaan. Het was de David onder de naties, die de Franse en Britse Goliaths uitdaagde – al was dat beeld om vanzelfsprekende redenen niet zo populair in het Berlijn van de Böhmische Gefreiter, de Boheemse korporaal, zoals president Hindenburg, die vertegenwoordiger van de oude elites, Hitler neerbuigend placht aan te duiden.

Ook Vlaanderen zag zichzelf toen (en voor een groot deel ook nu) als een David onder de naties, een underdog die de kaarten zou willen schudden om een betere positie te verwerven maar daar zelf niet de middelen voor heeft. Dat was en is het Vlaanderen van de Frontbeweging, dat rechten wil ontlenen aan de onrechtvaardige behandeling die het in de loopgraven en elders heeft ondergaan. De geschiedenis als compensatie van geleden onrecht met andere woorden.

Dat is een heel ander Vlaanderen dan het Vlaanderen dat Hugo Verriest groot wilde zien worden. Dat land was immers eertijds al groot geweest. Verriests Vlaamse Beweging, en het gros van de Vlaamse Beweging van voor 1914, wenste geen compensatie voor geleden onrecht, maar herstel van oude prominentie.

Het is dan ook geen toeval dat de eerste golf van de Vlaamse Beweging zonder al te veel moeite allianties kon sluiten met delen van de plaatselijke en regionale elites, en wars was van revolutionair pathos. De erfenis van de Fronters heeft dat pathos met karrevrachten binnengebracht in het bewegingsdiscours, en Jozef Simons Eer Vlaanderen vergaat was allicht de laatste echo van de poging om Vlaanderen niet los te snijden van de eigen elites.

Verderdenken voor Vlaanderen betekent vandaag bijgevolg in de eerste plaats afstand nemen van een discours van afgunst of frustratie, en nagaan hoe een regio zich binnenlands naar eigen aard en traditie vorm kan geven. Eenvoudig is deze oefening niet, omdat zij een hoge graad van heroriëntering impliceert, en uiteindelijk iets zelfdestructiefs heeft, in de mate de Vlaamse Beweging van vandaag op een aantal punten een positie heeft ingenomen die dichter staat bij door België gemedieerde Franse tradities dan bij de eigen tradities van de Lage Landen.

Internationaal dient dan weer nagegaan hoe Vlaanderen verstandige allianties kan smeden. Daarbij blijft de aloude wijsheid van de Britse diplomatie, dat een land geen vrienden, maar enkel bondgenoten heeft, een zinvolle leidraad.