Mozart, een medicijn tegen temporisme

Het moest ervan komen. Zelfs het referentiewerk van de weldenkende muziekliefhebber, de Toverfluit, is het voorwerp van controverse geworden, met dank aan het gilde van de regisseurs.

Operaregisseerwerk is vandaag namelijk heel eenvoudig geworden. Vermijd vooreerst elke kennis van de context en de ontstaansgeschiedenis van het werk dat je gaat vertonen. Verplaats de handeling naar vandaag, of als dat niet kan, minstens naar de Tweede Wereldoorlog. Zorg voor een aantal gags, die niets te maken hebben met het libretto. En vergeet vooral de morele boodschap niet. Gevolg: ook het publiek zal zich niet genoopt voelen enige moeite te doen om te weten waarover het gaat, zal een vrolijke avond beleven op gemene kosten en zich na afloop gesterkt voelen in het eigen morele superioriteitsgevoel. Iedereen blij dus, op de oprechte muziekliefhebber na. Maar die is dermate minoritair dat zij (want vaak is de liefhebber een dame) statistisch irrelevant werd. En de musici die niet zichzelf, maar wel de werken die ze uitvoeren ernstig nemen, lijden in stilte, op een zeldzame uitzondering na. Uiteindelijk moeten zij kunnen functioneren in een op hol geslagen omgeving.

In de kolommen van Trouw speelde zich enkele weken geleden een weinig verheffend spektakel af. Aanleiding was de weigering van een perfecte vertegenwoordigster van het dominante regisseerwerk om Mozarts Toverfluit in zijn geheel te regisseren – dat wil zeggen, zonder te gaan knippen in de teksten van Emmanuel Schikaneder, zoals haar contract dat oplegde. In eerste instantie was er geen vuiltje aan de lucht, want de kunstenares in kwestie had wel het contract, maar niet het libretto gelezen. Toen ze zich ook aan dat laatste waagde, barstte de bom. De tekst die Mozart op muziek heeft gezet, blijkt passages te bevatten die naar de hedendaagse normen seksistisch en racistisch zijn, en moest volgens haar dus herschreven worden. De vraag of dergelijke concepten kunnen worden toegepast op een libretto uit de late achttiende eeuw, zou interessant zijn geweest, maar kwam niet aan bod. Uiteindelijk is onze kunstenares geen wetenschapster, maar een militante, zoals blijkt uit de naam van haar club “Operafront”. Geheime Nederlanden heeft het niet met groepen die zich “front” noemen, en dat is deze keer niet anders.

Een paar modieuze opiniemakers haastten zich om hun bewondering voor de voorgenomen herschrijfoefening den volke kond te doen. De opera moet immers naar onze tijd gebracht worden. Alleen al de uitdrukking spreekt boekdelen. Werken uit het verleden kunnen pas relevant zijn, als ze binnen de comfortzone van het hedendaagse publiek worden gebracht. Pas een soortgelijke redenering toe op werken uit een ander land of continent, en je ziet meteen waar het schoentje knelt. Welke regisseur maakt zich eens sterk tegen het dominante “temporisme”, dat ontstaat uit en volkomen gebrek aan respect voor mensen die in het verleden hebben geleefd?

Toen er voorzichtig weerwerk kwam tegen de adoratie, was de reactie van de auteurs in kwestie even minabel als belachelijk. Er werd gesuggereerd dat Anton Bakx, de musicus en tekstschrijver die bedenkingen had geuit over de herschrijfoefening, niet bestond. De deskundige auteurs kenden hem niet, kon hij dus wel bestaan ? Opmerkelijk, hoe snel de discussie persoonlijk wordt, zodra enig inhoudelijk weerwerk wordt geboden. “Und willst Du nicht mein Bruder sein, so schlag’ich Dir den Schädel ein” – het is een oud verhaal.

Toch ontlokt het hele debat Geheime Nederlanden nog een glimlach. Net als vele anderen ontwaarde Bakx de waarde van de Toverfluit in de morele boodschap van de tekst, die uiteindelijk toch een “magnum opus van de vrijmetselarij” is. Werkelijk ?

Wie de Toverfluit aandachtig beluistert, ontdekt vooral spanningen in het werk. Harmonische spanningen, maar ook spanningen tussen tekst en muziek. Laat ons even de oefening doen. Wie is de meest bekende figuur uit de opera? Papageno. En de bekendste aria wordt zonder enige twijfel gezongen door het symbool van het obscurantisme, de Koningin van de Nacht – in die mate zelfs dat de opera voetstoots met deze aria wordt geassocieerd. Voor de petite histoire: de eerste Koningin van de Nacht was Josepha Weber, de zus van Mozarts echtgenote Constanze (de dame op de afbeelding hieronder, die het gezelschap van Schikaneder voorstelt).

 

SchikanedersTroupe1791

 

Met andere woorden, wat beklijft in dit werk, is net wat niét past in de morele boodschap van het libretto, maar wat door intrinsieke muzikale kwaliteiten waardevol is. Ook de Toverfluit wordt geconfronteerd met de grenzen van belerende kunst: ze wordt getranscendeerd door wat er werkelijk toe doet. En dat is ook de troostende gedachte bij de wat dwaze debatjes die in de krant en op het net worden gevoerd. Als over een eeuw of twee iemand per vergissing zal ontdekken wat modieuze regisseurs vandaag met de Toverfluit willen uitspoken, zal dat het gevolg zijn van grondig bronnenonderzoek en op de spits gedreven eruditie, met andere woorden van attitudes die haaks staan op die van het gilde der regisseuren. Het zal hun gepaste straf zijn.

Het IJzeren Gordijn in ons hoofd – denkend aan Viacheslav Lypynsky

Volgend jaar is het dertig jaar geleden dat de Muur viel, en toch is er midden in ons hoofd nog een IJzeren Gordijn. Nog om de andere dag horen we een land uit Centraal-Europa situeren in “het Oostblok”, en onze intellectuele geschiedenis van Europa blijft vooral een Atlantische geschiedenis. Dat geldt ook onverkort voor wie graag verkondigt een hekel te hebben aan de Verenigde Staten en elke vorm van Angelsaksische dominantie op politiek en academisch vlak, een neiging die Geheime Nederlanden overigens zonder al te veel moeite weet te bedwingen.

Een van de boeiende denkers die op basis van deze vervelende vorm van bijziendheid onbekend blijven in onze streken, is de Oekraïense ideoloog van het “statisme”, Viacheslav Lypynsky, een tijdgenoot van Ivan Ilyin, waarover we het al eerder hadden. Net als een reeks andere denkers uit Centraal- en Oost-Europa onderging Lypynsky de invloed van Charles Maurras, wiens honderdvijftigste geboortedag eerder dit jaar werd herdacht.

Over Maurras kan veel worden gezegd. Op de keper beschouwd is zijn talent meer dat van een stilist dan dat van een denker, en zijn zin voor scherpe formuleringen kreeg vaak de overhand op de precisie van de inhoud. Voeg daarbij zijn antisemitisme, altijd een feilloze indicator van intellectuele luiheid, en zijn haast pathetische poging om nationalisme en monarchaal denken tot een synthese te brengen, in de beste vroeg-revolutionaire traditie, en er lijken niet zo veel redenen te zijn om zijn werk te lezen. Als echter de boom aan de vruchten moet worden beoordeeld, dan valt het op hoeveel boeiende denkers de school van Maurras hebben gevolgd. Om maar een paar namen te noemen: Pierre Boutang in Frankrijk, Ernst Karl Winter in Oostenrijk en Viacheslav Lypynsky in Oekraïne.

Vycheslav_Lypynsky,_Rayhenau_1926

Lypynsky in 1926

 

Naast Franse invloed onderging Lypynsky ook invloed van de zogenaamde school van Krakau, een groep historici en filosofen die in de Habsburgse Dubbelmonarchie reflecteerden over de Poolse geschiedenis en het betere uit de Poolse traditie wensten te distilleren. Het resultaat was een oefening in zelfkritiek, die de nationale elites een spiegel voorhield, en daaruit bleek dat hun palmares van opstand en onderling conflict de beste weg naar zelfvernietiging was.

Ook Lypynsky hield zich ver van allerhande vormen van nationaal messianisme, die in de late negentiende en vroege twintigste eeuw zo populair waren. Zijn “statisme” was dus vooral een antwoord op het courante “populisme” van toen en moet ook in die context worden begrepen. Vandaag is “populisme” weliswaar verworden tot een scheurmandbegrip, maar dat neemt niet weg dat de tijdsgeest inderdaad voor een deel vorm wordt gegeven door even ongeloofwaardige als hardnekkige verwijzingen naar de gezonde inzichten die de gewone man zouden kenmerken. Lypynsky’s antwoord op dat soort kreten is dus alleen al om die reden actueel.

Opmerkelijk is de nadruk die hij in dat kader legt op het belang van de staat. Zijns inziens kan een (nationale) gemeenschap maar tot ontwikkeling komen in de dialectiek tussen staat en maatschappij, waarbij het eerste element het actieve en het tweede het passieve of reactieve beginsel is. Anders gezegd: de staat is de motor van verandering, terwijl de maatschappij eerder statisch mag heten. Terminologisch bekeken, komen we zo in een wat verwarrend verhaal terecht: “statisme” gaat dus niet alleen over de staat, maar ook over het statische karakter van de niet-staat…

Lypynsky’s benadering is dus zeker geen staatsafgoderij in de slechtste traditie van jacobijns nationalisme, maar wel een dialectische benadering die waarschuwt tegen een overwaardering van de maatschappij. “Dialectisch” impliceert ook dat er behoefte is aan bemiddelaars, en die ziet hij in de intelligentsia, terwijl hij aan de aristocratie een dialectische taak bij uitstek toewijst: het actief doorgeven van de (essentieel passieve) traditie. Voor iemand die tot beide sociale groepen behoorde, was de uitdaging niet min. Dat geldt des te meer omdat Lypynsky familiaal afkomstig was uit de Poolssprekende lagere adel, en toch een rol opnam in de beweging voor autonomie van Oekraïne, met behoud echter van de katholieke traditie.

Na de catastrofe van 1917 en de daaropvolgende periode van verwarring moest ook Lypynsky uitwijken naar de vrije wereld. Hij vestigde zich eerst in Oostenrijk en later in Berlijn, waar hij zich hoegenaamd niet thuis voelde en zich ergerde aan de kleinheid en het brallerige radicalisme van de emigrantenpolitiek. Hij overleed in Wenen in 1931. Van zijn werk is niet zo heel veel vertaald in talen die hier courant toegankelijk zijn en zijn archieven liggen momenteel in Rome, ontoegankelijk voor onderzoek. Het IJzeren Gordijn in ons hoofd wordt goed onderhouden.

Het clavecin speelt door – net als de gamba

Er is iets paradoxaals aan wat ik “cultureel conservatisme” zou noemen. Elk geïnformeerd conservatief zal het gauw met u eens zijn dat de essentie van zijn ideaal te maken heeft met cultuur, en niet met politiek. Toch bestaat het leeuwendeel van de literatuur van, voor en over conservatieven uit teksten over politiek. Uitingen van conservatief denken met betrekking tot de kunsten zijn een zeldzaamheid (met misschien een kleine uitzondering voor het terrein van de architectuur, en dan nog). Als er dan eens een tekst opduikt die een dergelijke reputatie heeft, blijken er bij nader inzien toch haken en ogen aan te zitten.

Abbé Hubert le Blanc, jurist en gambist, moet een wat excentriek iemand zijn geweest. Toen hij eindelijk een uitgever had gevonden voor zijn Défense de la basse de viole, een pleidooi voor de aloude gamba, nam hij – zo gaat de legende – meteen de diligence naar Amsterdam, de stad waar die uitgever was gevestigd. Dat het avond was, en hij nachtkleed, slaapmuts en pantoffels droeg, deed niet ter zake.

De anekdote is bekend, en wordt trouwens voor rekening van meer dan één auteur verteld. Minder bekend is de inhoud van Le Blancs verdedigingsrede, die ontstond op het kantelpunt tussen de barokke en de verlichte cultuuropvatting. De niet gewaarschuwde lezer zal allicht raar opkijken als hij merkt dat Le Blanc naar de vorm resoluut modern is, en spot met de klassieke Franse muziekvorm van de “pièces”. Geef hem maar de moderne sonate, die hij eigenaardig genoeg omschrijft als de meer vrije vorm van musiceren.

Volkomen terecht is Le Blanc echter vooral bekend gebleven voor zijn visie op de instrumentenkeuze. Niet alleen de teloorgang van de gamba betreurt hij, maar ook die van andere instrumenten als de gitaar, de luit, de blokfluit en het clavichord. En wat hebben al die instrumenten gemeen ? Dat zij minder luide tonen voortbrengen als hun rivalen, de dwarsfluit, de viool of de pianoforte. Zij zijn het slachtoffer geworden van een muziekcultuur die decibels verkiest boven densiteit, die kwantiteit belangrijker vindt dan kwaliteit, die massa laat domineren over passie.

Le Blanc verbindt daarmee trouwens een muzieksociologische analyse avant la lettre. De vergeten instrumenten konden gedijen in een cultuur van huiselijk musiceren, waarbij de amateurs ook zelf musiceerden, en de beroepsmusici in de eerste plaats leraren waren. In de plaats daarvan kwam een muziekcultuur die amateurs en professionelen strikt van elkaar scheidde. Voor emulatie was er geen plaats meer, enkel voor eenzijdige bewondering in het kader van de concertzaal. Zou het kunnen dat de romantiek hier al om de hoek kwam kijken ?

Marin Marais

Marin Marais, de referentiegambist in de dagen van Le Blanc

In de tijd van onze grootouders wist hoogstens nog een erudiete melomaan wat een viola da gamba was. De generatie van onze kinderen weet, als ze tenminste iéts weet, hoe een clavecimbel klinkt. Meteen een ervaringsbewijs van het feit dat de geschiedenis niet lineair verloopt, en dat het verleden wel degelijk terugkomt, zij het vaak op een onverwachte manier. Hier is een halve eeuw historische uitvoeringspraktijk voorbijgekomen, die ons bracht tot nieuwe reflectie over de barok en haar Terrassen-Dynamik, in plaats van de romantische Schwell-Dynamik.

Zo werd de ergernis van Le Blanc, met eeuwen en eeuwen vertraging, gestild door het vers van Wilfred Smit, die zijn gedicht “Rococo” afsloot met een reminiscentie aan zo’n vergeten instrument:

 

Gracielijk en licht sterven,

een kleine zucht in de paniers

en ’t is niet meer.

 

Dien avond heeft men ons

gekleed te bed gelegd,

als in een rose medaillon

voor iedereen te kijk –

 

en o bepoederde horreur,

het clavecin speelt door.

 

 

 

P.S.: Wie in ’s Hage heeft geleefd, hoort in dat laatste vers een volmaakt rijm.

Hugo von Hofmannsthal over 1 mei

De lieden die Bismarck omschreef als kerels zonder vaderland, en Helmut Kohl – preciezer – als kerels zonder geschiedenis, vieren vandaag feest. Ze doen dat in triomfmodus, wat altijd een slecht voorteken is. De overwinning is vaak een gelegenheid voor slechte poëzie; het is in tijden van nederlaag, verdrukking en bedreiging dat de Muzen te hulp komen. Finem lauda, wist Don Alfonso al.

Het zal sommigen geen plezier doen, maar een van de betere verzen over 1 mei is van de hand van de jonge Hugo van Hofmannsthal, die op 1 mei 1890 zijn gevoelens over de rode stoet op papier zette. Het eerste deel van het derde vers is daarbij een akelige voorspelling van wat werkelijkheid is geworden in de twintigste eeuw .

 

Tobt der Pöbel in den Gassen, ei, mein Kind, so lass ihn schrei’n.

Denn sein Lieben und sein Hassen ist verächtlich und gemein.

Während sie uns Zeit noch lassen, wollen wir uns Schönerm weih’n.

Will die kalte Angst dich fassen, spül sie fort in heissem Wein !

Lass den Pöbel in den Gassen: Phrasen, Taumel, Lügen, Schein,

Sie verschwinden, sie verblassen – Schöne Wahrheit lebt allein.

 

naamloos (3)

De jonge Hugo von Hofmannsthal

Oratores, laboratores, bellatores

Wat hebben Leuven, Scherpenheuvel, Temse, Sint-Niklaas, Veurne, Oostende, Ronse en Mechelen met elkaar gemeen ? Tot de Grote Franse Furie werd in elk van deze steden onderwijs verstrekt door de oratorianen – of zoals ze hier werden genoemd, de Oratoren. Waar de jezuïeten vaak de objectieve bondgenoten waren van het centrale gezag, waren de oratorianen dat van het lokale en regionale gezag. De huizen in de Zuidelijke Nederlanden waren opgericht door de Congregatio Oratorii Iesu et Mariae, de sociëteit van apostolisch leven die de Franse kardinaal Pierre de Bérulle in 1611 had opgericht naar het model van de oudere Congregatio Oratorii van de Heilige Filippus Neri. Het “Franse oratorium” werd opgeheven tijdens de revolutiejaren, en na de heroprichting in 1852 beperkte de congregatie haar activiteit tot het Franse grondgebied.

Dat lag en ligt anders voor het “Italiaanse oratorium”, zoals blijkt uit een recent bericht. De Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns kende onlangs een bijzondere erepenning toe aan de oratoriaan pater John Newton Johnson voor zijn uitzonderlijke bijdrage tot de bevordering van de Afrikaanse taal in de Rooms-katholieke Kerk in Zuid-Afrika.

Zuid-Afrika staat niet bepaald bekend als een centrum van katholiciteit, maar kent toch niet minder dan drie vestigingen van het oratorium: in Oudtshoorn, Bloemfontein en Port Elisabeth. Waar de katholieken in Zuid-Afrika grotendeels Engelstalig zijn, hebben de oratorianen resoluut gekozen te werken met Afrikaanstaligen. Pater Johnson ligt aan de basis van de vertaling van het missaal, het lectionarium en meerdere rituales naar het Afrikaans. Als zinspreuk houden zij (onder meer op hun webwerf www.dieoratorium.org) “God is ons erns” aan, een allusie op de leuze “Dit is ons erns”, die in de taalstrijd voor het Afrikaans werd gehanteerd. Het huis in Oudtshoorn telt vijf priesters en twee broeders.

Dichter bij huis, in Londen, staat Brompton Oratory (www.bromptonoratory.co.uk – zie ook de foto hieronder). In deze kerk traden Stéphane Mallarmé, Edgard Elgar en Alfred Hitchcock in het huwelijk – om meerdere redenen natuurlijk niet met elkaar. Vandaag staat de communauteit bekend voor haar verzorgde liturgie, zowel in het Engels als in het Latijn, en zowel in de gewone als in de buitengewone vorm van de Romeinse liturgie. Dat liturgisch pluralisme niet enkel een mooie traditie van de Moederkerk is, maar ook praktisch werkt, wordt in Londen dagelijks aangetoond.

 

800px-Brompton_Oratory-1

 

Het zou een goede zaak zijn als de Oratoren, zij het dan in hun Italiaanse variant, de weg naar de Lage Landen zouden terugvinden. Een experiment loopt blijkbaar in Tilburg, en het valt te hopen dat dit experiment succesvol zal blijken. Op het moment dat het klassieke parochiale model van kerkorganisatie onder druk staat, past het opnieuw te kijken naar beproefde vormen als het oratorium of een grotere betrokkenheid van regulieren in de parochiepastoraal (zoals de norbertijnen eeuwenlang in grote delen van het hertogdom Brabant die beoefenden).

Lessen van de Munkaczer rebbe

Een fraai zicht was het zeker niet. Iets zegt “Geheime Nederlanden” dat de expliciete verwijzing naar huwelijkstrouw, als de basis voor specifieke keuzes inzake het al dan niet schudden van handen, de druppel was die de emmer deed overlopen. Voor sommige prominenten is dat woord gaan klinken als een persoonlijk affront – wat eigenlijk hun probleem is, maar inmiddels werd verheven tot een geloofspunt in de samenleving. Het zij zo.

Voor de godvrezende Joden in Antwerpen is zo opnieuw, en op een pijnlijke manier duidelijk geworden dat een deel van hun buren niet echt gesteld is op hun aanwezigheid. Bij wijze van rechtzetting herinneren wij graag aan wat ons verbindt met het orthodoxe Jodendom, met name dan in zijn antizionistische variante.

Voor alle duidelijkheid: met antizionisme bedoelen we iets heel anders dan een bepaalde linkerzijde, die haar antisemitisme graag in een antikapitalistisch manteltje hult. Eens noemde de Duitse socialist August Bebel het antisemitisme het “Sozialismus des dummen Kerls” – met andere woorden de juiste opvatting om de foute redenen. Vandaag is het linkse antizionisme vooral een poging om op een meer gesofisticeerde wijze de oude hobby van het antisemitisme te beoefenen.

Daartegenover staat een antizionisme dat boven elke verdenking staat en wortels heeft in de Joodse orthodoxie zelf. Het verwerpt het zionisme als een vorm van nationalistisch constructivisme, als een besmetting van de Joodse identiteit met een moderne Europese ketterij. Die strekking binnen de Joodse orthodoxie staat sterk in Israël zelf, verenigd rond het rabbinale gerechtshof van de Edah HaChareidis. In de Verenigde Staten is New York het bolwerk van het orthodoxe antizionisme. In Europa is dat Antwerpen.

De banden tussen het antizionisme en de Lage Landen zijn trouwens opmerkelijk. De eerste martelaar van de antizionistische beweging was de Nederlandse schrijver Jacob Israël de Haan, die na zijn emigratie naar Israël een van de voormannen van de beweging rond Edah HaChareidis werd (foto hieronder). Op 30 juni 1924 werd hij bij klaarlichte dag doodgeschoten door een moordcommando van de zionistische en anti-Britse Haganamilitie.

JI de Haan

 

Nog vroeger, in 1908, ontmoette Koningin Wilhelmina in het Boheemse Marienbad de Munkaczer rebbe, Chaim Elazar Spira , die haar zegende met het oog op de spoedige geboorte van een troonopvolger of troonopvolgster. Toeval of niet, maar ongeveer een jaar later werd prinses Juliana geboren. In orthodoxe kringen werd ruim aangenomen dat er een relatie van oorzaak tot gevolg bestond, en dat het overleven van het Huis van Oranje aan de rebbe te danken was. (Op de foto hieronder staat de rebbe afgebeeld tijdens een ontmoeting met een minder aanbevelenswaardig iemand, namelijk de Tsjecho-Slowaakse president Benes.)

SpiraBenes

Naast dichters als De Haan en mystici als de Munkaczer rebbe, bracht de antizionistische orthodoxie ook stevige denkers voort. Een daarvan is de Duitse godsdiensthistoricus Hans-Joachim Schoeps, die onder meer publiceerde over de relatie tussen de barok en een vorm van filosemitisme. Politiek gezien viel Schoeps op door zijn poging en synthese tot stand te brengen tussen de erfenis van de Duitse jeugdbeweging en het orthodoxe Jodendom. Ook was hij een pleitbezorger van een herstel van de Pruisische monarchie, in haar pre-Bismarckiaanse en contrarevolutionaire variante, in het spoor van zijn geloofsgenoot Julius Stahl.

Kortom, de Joodse orthodoxie verdient beter dan het amalgaam dat vorige week met groot enthousiasme werd beoefend. Een orthodoxie die zich onderscheidt door zin voor nuance en traditie is misschien gewoon te subtiel voor een samenleving die brutaliteit tot huismerk aan het maken is.

Luxe, kalmte en volop thee

Wie tijdens een zondags noenmaal de vraag opwerpt welk type bouwwerk nu het meest kenmerkend is voor de Lage Landen, zal allicht om de oren geslagen worden met belforten en kathedralen. Zo leren inderdaad de ketters, maar zij dolen.

Als één structuur typisch is voor de Nederlanden, is dat de theekoepel – het stijlvolle tuinhuis dat met name bij de landhuizen aan de Vecht, maar ook in stille stadjes als Franeker, rust biedt die in de hoofdwoning een schaars goed is geworden.

In de zeventiende en achttiende eeuw werden deze huisjes in de Verenigde Provinciën verzelfstandigd tot ware kunstwerken. Die verzelfstandiging was trouwens een feit in de meest letterlijke zin van het woord, want de koepels maakten zich los van de tuinmuur, en werden vrijstaande gebouwtjes. Waar een groot deel ervan aansluiting vond bij de dominerende stijl van de klassieke barok, waren er ook heel wat koepels die exotische modes weerspiegelden. Met name Chinese en Japanse bedenksels kwamen meermaals voor.

Afbeeldingsresultaat voor theekoepel

In de negentiende eeuw overleefde de theekoepel ternauwernood. Hier en daar kwam een neogotisch monstertje om de hoek kijken, maar meestal bleef de vormentaal van de barok domineren. Vooral echter verloor de theekoepel aan populariteit, terwijl het gewone tuinhuis de uiterste grenzen van de lelijkheid ging opzoeken.

In de Zuidelijke Nederlanden zijn de theekoepels minder talrijk. Uit het tijdvak dat hun bloeiperiode in het Noorden was, zijn er daar maar twee bewaard gebleven, eentje in het kasteelpark van Mariakerke bij Gent, en eentje in het kasteelpark van Reet (hieronder).

450px-Theehuis,_Kasteel_Laarhof,_Reet

 

Het meest indrukwekkende voorbeeld is het paviljoen de Notelaar in het kasteelpark van de hertogen d’Ursel in Hingene (hieronder) – maar over de vraag of dit nog een theekoepel is of een zelfstandig bouwwerk, lopen de meningen uiteen.

 

Afbeeldingsresultaat voor notelaer hingene

 

In Herentals is dan weer het allicht enige voorbeeld te vinden van een Zuidelijke theekoepel uit de periode van het Koninkrijk der Nederlanden.

Vooral de late negentiende eeuw zag het Noordelijke model naar het Zuiden afzakken – niet voor de eerste keer nam het Zuiden Noordelijke ideeën over op het moment dat die daar werden verlaten. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in de kasteelparken van Lebbeke en Jabbeke, en in een villatuin in Baarle-Hertog. Kort na de Eerste Wereldoorlog werd in Zedelgem nog een theekoepel gebouwd. De voorbeelden die nadien ontstonden, passen meer in de traditie van het exotisme dan in de continuïteit van het Noord-Nederlandse model.

Net zoals het wachten is op de couturier die op een frisse manier nieuw leven geeft aan de regionale Trachten van de diverse Nederlanden, kijken we uit naar de architect die in de hectiek van deze eeuw weer aanknoping vindt bij het symbool van luxe en rust dat de theekoepel is. Dan wordt Bomans’ Baudelaireparafrase uit de titel van dit stukje weer een tijdloze werkelijkheid.

Filips Willem, tussen Egmont en Alva

Dit jaar is het vierhonderd jaar geleden dat in Brussel Filips Willem, Prins van Oranje, oudste zoon van de Zwijger overleed. Vanochtend werd in Diest het jaargetijde opgedragen waarom hij in zijn testament had gevraagd. Het siert de plaatselijke deken Felix van Meerbergen dat hij dit verzoek weer is gaan uitvoeren, na eeuwen van vergetelheid.

Naast de jaarlijks terugkerende plechtigheid, verantwoordt de ronde verjaardag een aantal bijkomende uitingen van belangstelling voor de Prins. In Diest zijn er lezingen en tentoonstellingen, en bij de Utrechtse uitgeverij Omniboek verscheen een monumentale biografie van de Prins, van de hand van P.J. Schipperus.

Filips Willem

Prins Filips Willem

 

Bij het werk van deze Rotterdamse jurist past eerbied (om eens niet het zo vaak misbruikte woord “respect” te hanteren), maar eerbied hoeft niet in de weg te staan van kritische zin. Het boek is moeilijk leesbaar, en zwijmelt onder de ordeloos aaneengeregen citaten uit de uitgegeven briefwisseling van de protagonisten van de Opstand. Daarenboven is het onevenwichtig opgebouwd: de eerste helft van het leven van Filips Willem wordt besproken op 300 bladzijden, de tweede helft moet het stellen met amper vijftig pagina’s. Nochtans is net die tweede helft de meest actieve periode in het leven van de Prins, in tegenstelling tot zijn jeugdjaren en de jaren die hij in gevangenschap in Spanje doorbracht.

Het probleem is echter dat de auteur zich niet helemaal (of, als we heel eerlijk zijn: helemaal niet) heeft weten los te maken van het stereotiepe beeld dat hij allicht overhoudt uit zijn verblijf op de basisschool. Die visie kan worden samengevat als een amper geactualiseerde versie van de Zwarte Legende, die Filips Willem reduceert tot “de zoon van zijn vader” en een slachtoffer van de booswichten in het westernverhaal dat de Opstand in die visie is, namelijk Alva en Filips II.

Van een biograaf mag worden verwacht dat hij zich kan inleven in zijn onderwerp. Dat lukt Schipperus hoegenaamd niet. Hij heeft wel sympathie voor Filips Willem, heeft er zelfs medelijden mee, maar moet meermaals zijn toevlucht nemen tot het afdoen van uitspraken van de Prins als “gedaan onder dwang” of zelfs het product van hersenspoeling. Dat een Prins van Oranje oprecht trouw kan zijn aan de Kerk van Rome en de Spaanse Habsburgers, is voor deze auteur een ondenkbare gruwel.

Dat is jammer, want het is precies die genuanceerde positie die Filips Willem tot een bijzonder boeiend figuur in onze geschiedenis maakt. Schematisch, al te schematisch is de Prins erin geslaagd afstand te houden van het wanstaltige dilemma dat de protagonisten van de Opstand in de greep hield. Wie vasthield aan het overgeleverde geloof, en niet mee wenste te lopen met de herauten van de reformatie, die onder de roep voor religieuze vrijheid vooral de persoonlijke drang naar dominantie verborgen, bevond zich binnen de kortste keren in het kamp van de hertog van Alva. Alva was een gecultiveerd man, die behoorde tot de oude adel, maar slechts matig trouw was aan de waarden van zijn stand en bereid bleek bij te dragen tot verspreiding van die andere nieuwlichterij, het centralisme. En wie de verdediging opnam van het oude recht, vond ongewenste bondgenoten in degenen die de grondslag van dat recht, namelijk de religie, onderuit wensten te halen. Dat een houwdegen als Egmont er het noorden bij verloor, mag niet verbazen. Enkel een politieke condottiere als de Zwijger kon, met behulp van het betere bochtenwerk, zijn eigen positie handhaven, tot die noodlottige zomerdag in Delft.

Schipperus’ conclusie, dat Filips Willem een monument verdient voor zijn standvastigheid, is dus correct, maar om de foute redenen. Niet dat hij in de Zuidelijke Nederlanden “weigerde een pion van Spanje” te worden, maar dat hij weigerde over te gaan tot de keuze tussen het traditionele geloof en de traditionele staatsinrichting, maakt deze Prins van Oranje het herdenken waard. Symbolisch, want ogenschijnlijk ingehaald door de feiten, vertegenwoordigde hij de erfenis van de Unie van Atrecht, dat betere, maar vergeten alternatief voor de Utrechtse Unie.

Prins Frederik

Prins Frederik

 

Ter zijde: op een bepaald ogenblik ontstond in het Noorden grote, maar onterechte paniek, omdat werd gevreesd dat Filips Willem de plaats van aartshertog Albrecht zou innemen als landsheer van de Zuidelijke Nederlanden. Op die manier zouden Zuid en Noord zo niet formeel, dan toch feitelijk geregeerd worden door twee broers uit het zelfde Huis en zou de verhouding tussen beide landstreken fundamenteel geregeld zijn door een familiepact. Onwillekeurig denkt men daarbij aan de piste die 175 jaar later in de Nederlanden opgeld maakte, en waarbij Willem, de oudste zoon van stadhouder Willem V zijn vader zou opvolgen in de Verenigde Provinciën, terwijl zijn jongste zoon Frederik landsheer zou worden over de Zuidelijke Nederlanden, op dat moment kortstondig samengebracht in de Verenigde Nederlandse Staten.

 

Turba

Wie oprecht gelooft in the wisdom of the crowds, moet op Goede Vrijdag met dubbele aandacht luisteren naar het Lijdensverhaal. De ongeordende en ongeleide massa blinkt uit in onredelijkheid en wreedheid. Wanneer Pilatus, uitgerekend Pilatus, haar vraagt waarom zij toch voor Barabbas kiest, komt zij niet verder dan haar haat en woede nog luider uit te schreeuwen.

Tegenover de wreedheid van het groepsdier mens, staat zijn individuele afgunst. Combineer de beiden, en de erfzonde grijnst je toe in alle akeligheid. Voeg er de zonde van Pilatus, de lafheid, aan toe en je begrijpt waarom het droevige verhaal van N.P. van Wyk Louws gedicht “Raka” een onontkoombare waarheid is. In de strijd tussen schoonheid en slechtheid in de wereld, wint de laatste. Niet door ongelukkig toeval, maar door de aard van het beest “mens”.

Met de consequentie die het protestantisme in zijn betere verschijningsvormen eigen is, schreef de Overijsselse dichter Jacobus Revius in de vroege zeventiende eeuw:

 

’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten,

Noch die verraderlijk U togen voor ’t gericht,

Noch die versmadelijk U spogen in ’t gesicht

[…]

Ik ben ‘t, o Heer, ik ben ’t die U dit heb gedaan,

Ik ben de zware boom die U had overlaân,

Ik ben de taaie streng waarmee Gij ging gebonden.

 

In de natuurlijke orde staan de dingen er niet vrolijk voor. Maar net in deze tijd worden we eraan herinnerd dat de wetten van de (menselijke) natuur niet het laatste woord hebben.

 

Resurrexit, sicut dixit.

 

En daar valt niets aan toe te voegen.

Immanente gerechtigheid

Als ik dezer dagen in Mechelen kom, probeer ik dat op het halve uur te doen. De beiaard van Sint-Rombouts laat dan een aantal oude melodieën horen, en eindigt op het vrolijke toontje van “De koekoek”.

Met die vogel heb ik niets, en met het lied eigenlijk ook niet. Maar pater Boones standaardwerk over het Nederlandstalige volkslied leert ons dat de melodie onder een andere naam bekend staat in de Zuidelijke dan wel in de Noordelijke Nederlanden. Wat in Mechelen “De koekoek” heet, zou in Delft “Al is ons Prinsje nog zo klein” genoemd worden. Met andere woorden: om het halve uur klinkt over de Mechelse daken een aloud Oranjelied:

 

“Al is ons Prinsje nog zo klein, vivat !

Alevel zal het Stadhouder zijn, vivat !

Al buigt de stam, al kraakt het riet,

Alevel treurt Oranje niet !

Vivat Oranje, hoezee !”

 

Dat is overigens niet de eerste keer. In de herfst van 1830 speelde de blinde stadsbeiaardier de zelfde melodie vanop de zelfde toren, en dat is hem slecht bekomen. De plaatselijke vertegenwoordigers van het nieuwe Belgische bewind, wier vakkundigheid inzake relschoppen en plunderen door niemand werd betwijfeld, stormden de toren op en gaven de arme man een stevig pak slaag. Het gegeven dat hij er niet aan dacht om zijn muziekkeuze aan te passen aan de gewijzigde politieke omstandigheden maakte hem tot een verdacht sujet, dat hardhandig moest worden herinnerd aan het feit dat anderen nu de plak zwaaiden.

Dat de geliefde melodie van de oude beiaardier 188 jaar na datum weer vanop de toren klinkt, is een vorm van historisch rechtsherstel, of zoals men dat vroeger in het nabijgelegen bisschoppelijk paleis zou hebben genoemd: van immanente gerechtigheid. Als dit het tempo is waarop in Mechelen historische vergissingen worden gecorrigeerd, ligt het in de lijn van de verwachtingen dat de stad in het jaar 2203 overgaat tot het omdopen van een van de stedelijke pleinen tot Aartsbisschop André Jozef Léonard-esplanade.