Een onvermoed slachtoffer van het verlichte despotisme

Wanneer kunstenaars of wetenschappers maatschappelijke analyses beginnen te maken, ben ik vaak op mijn hoede. Als kind had ik het genoegen vioolles te krijgen van een begenadigd musicus, die ook grote pedagogische gaven had. Maar telkens hij begon over de omstandigheden waarin een compositie was ontstaan, volstond mijn kinderkennis van de geschiedenis om te begrijpen dat hij – oprecht en overtuigd – uit zijn nek aan het kletsen was. Als dezer dagen een viroloog op radio of televisie maatschappelijke epidemieën komt toelichten, denk ik vaak terug aan mijn vioolleraar.

Een strijker die niet aan dit euvel lijdt, is de Amerikaanse contrabassist Duane Rosengard, sinds vele jaren verbonden aan het Philadelphia Orchestra. Parallel met zijn orkestwerk schreef hij een indrukwekkende bibliografie bij elkaar over de geschiedenis van de strijkinstrumenten. Hij doet dit aan de hand van degelijk onderzoek, waarbij hij hulp vraagt aan deskundigen van alle slag en zorgvuldig de hand houdt aan een degelijke bronnenkritiek. Vanzelfsprekend bracht zijn zoektocht hem naar Cremona, het mekka van de vioolbouw, het vaderland van Stradivarius, Amati, Guarneri del Gesu en anderen. Hun instrumenten staan symbool voor een niveau dat onevenaarbaar is.

Net als vele anderen vroeg Rosengard zich af hoe het dan mogelijk was dat zo’n kwaliteitsproduct plots uit de aanbieding was verdwenen, en waarom de tweede helft van de achttiende eeuw ook het einde van de Cremonese vioolschool betekende. In een wat ouder, maar – neem me niet kwalijk: en dus – bijzonder leesbaar artikel in het “Journal of The Violin Society of America” over “Cremona after Stradivari” onderzocht hij de periode van de laatste Cremonese vioolbouwers van de glorietijd, de Bergonzi’s en de Storioni’s. Zij gaven langzaam maar zeker de vioolbouw op voor de productie van het nieuwe mode-instrument van de vroege negentiende eeuw, de gitaar, of zelfs voor de textielhandel.

 

Stradivarius_violin,_Palacio_Real,_Madrid

Een Stradivarius uit de Spaanse koninklijke collecties

 

Je hoeft geen marxist te zijn om een economische achtergrond voor die evolutie te vermoeden. Rosengard wijst er echter op dat de achtergrond eigenlijk minder economisch dan institutioneel en religieus is. De Cremonese vioolbouwers verloren langzaam maar zeker het publiek dat bereid was te investeren in instrumenten van superieure kwaliteit. Dat waren geen individuele amateurs, maar wel instellingen die wisten dat hun investering zinvol was voor meerdere generaties. In Cremona zelf waren dat onder meer de jezuïeten – zodat de opheffing van de Sociëteit in 1773 een stevige klap was voor de opvolgers van Stradivarius. Toen Jozef II (Cremona was een deel van Lombardije, dat werd geregeerd door de Habsburgers) even later schoon schip wilde maken in de gilden, broederschappen en religieuze confrérieën, was het hek van de dam. Net deze “nutteloze” instituties vormden de markt voor de topviolen die Cremona op de markt zette. Hun opheffing betekende ook het einde van de historische continuïteit van de Cremonese school – de officiële erkenning van het Cremonese ambacht door de UNESCO in 2012 ten spijt. Soms consacreren internationale instellingen welgemoed kadavers.

Ik kan het niet helpen, maar monkel even, telkens een zelfbenoemde Mozartkenner met heftigheid oreert over het begin van een nieuwe tijd, toen Wolfgang Amadeus de banden met Salzburgse prinsbisschop Hiëronymus Colloredo verbrak, en zich ging vestigen als zelfstandig musicus. Dank zij het invidivualisme van de Verlichting, kwam er ook plaats voor superieure muziek, zo heet het dan. Het verhaal van de Cremonese viool maakt alvast ruimte voor wat meer nuance.

 

Een restauratie voor de Restauratie: de Jointe van Valencijn

Het voornaamste kenmerk van een restauratie is dat ze erin slaagt de effectieve macht te verwerven. Dat maakt vele restauraties oninteressant, omdat ze in minstens dezelfde mate als andere vormen van machtsuitoefening het product zijn van wat morsige compromissen. Wie ervan overtuigd is dat het van wijsheid getuigt om rechtsomkeer te maken op het pad dat na de grote revoluties werd ingeslagen, kan zich echter niet de luxe veroorloven weg te kijken van eerdere pogingen in dezelfde richting.

De restauratiebeweging van 1814-1815 is in die zin obligaat studiemateriaal, net als de Engelse restauratie van 1660 of de Portugese van 1640. Daarnaast zijn er echter nog andere, min of meer succesvolle en min of meer langdurige voorbeelden te vinden. Een ervan vond plaats op de bodem van de Lage Landen en is alleen al om die reden opmerkenswaard.

Inderdaad werd tussen het voorjaar van 1793 en dat van 1794 een relevant deel van het Franse territorium gecontroleerd door Oostenrijkse, Pruisische en Nederlandse troepen. Nederland droeg de verantwoordelijkheid over de streek rond Oorschie. Het Nederlandse leger deed echter weinig meer dan wat gebruikelijk was in geval van militaire bezetting. Dat lag anders in de zone rond Valencijn en Konde aan de Schelde, waar het Oostenrijkse leger het gezag uitoefende. Was het omdat het enthousiasme van de van de revolutionairen bevrijde bevolking zo groot was? Of had opperbevelhebber Josias van Saksen-Coburg-Gotha of zijn burgerlijke rechterhand von Bartenstein een aanval van historisch besef?

Als het al dat laatste was, was het zeker vermengd met een gezonde dosis opportunisme. Inderdaad installeerden de Oostenrijkers eerst in Konde en later in Valencijn een burgerlijk bestuur voor de heroverde gebieden, dat gemodelleerd werd op het jozefistische bestuursmodel dat in de Zuidelijke Nederlanden werd aangehouden, en de naam “Jointe” kreeg. Op die manier werd niet alleen vooruitgelopen op een verhoopte terugkeer van de honderd jaar voordien door Lodewijk XIV veroverde delen van Vlaanderen, Henegouwen en het Doornikse. Tegelijkertijd werd vermeden dat in het noordwesten van Frankrijk een soort royalistische enclave ontstond. Bijgevolg dienden de plaatselijke bestuurders de eed van trouw aan keizer Frans af te leggen, en werden geëmigreerde Fransen enkel op het grondgebied toegelaten, indien zij ook uit de streek afkomstig waren. Dat op 21 januari 1794 een plechtige requiemmis voor Lodewijk XVI werd gezongen in Valencijn, was dan ook meer een blijk van respect voor de legitimiteit als dusdanig, dan voor de koning van Frankrijk.

Voor het overige was de korte restauratie in de Franse Nederlanden een interessante voorafspiegeling van wat twee decennia op Europese schaal zou gebeuren, namelijk een evenwichtsoefening tussen herstel van het oude en verwerking van het revolutionaire gedachtengoed. Op religieus vlak werden de rechtmatige priesters opnieuw geïnstalleerd, en verdwenen de droevige komedianten die meenden hun religieuze plicht te kunnen vervullen in het kader van een antireligieuze revolutie. Aangeslagen kerkelijke goederen werden echter enkel teruggegeven indien zij nog niet doorverkocht waren. Kloosterorden die in de Zuidelijke Nederlanden niet hersteld waren na de opheffingen onder Jozef II, kregen ook in de veroverde gebieden geen nieuwe kans.

Ook de burgerlijke instellingen werden voor een groot deel teruggebracht op de oude voet, inclusief de feodale bestuursorganisatie. Om principiële én om praktische redenen behield het Oostenrijkse gezag echter het beginsel van de gelijkheid voor de fiscus, en werd de fiscale vrijstelling van adel en clerus niet hersteld – evenmin als een groot deel van de opdrachten die vooral de adel in ruil voor die vrijstelling vervulde.

Het orgelpunt van de herstelbeweging was ongetwijfeld de beslissing van 12 januari 1794, die het hoger beroep tegen de beslissingen van de lokale rechtbanken toevertrouwde aan de Raden van Henegouwen en het Doornikse, en in laatste instantie dus aan de Grote Raad in Mechelen. Mede onder impuls van aartshertog Karl, op dat moment gouverneur-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden, werd een opvallende stap gezet in de richting van een re-integratie van de veroverde gebieden in de Nederlandse ruimte.

De alea’s van het militaire gebeuren zouden deze beslissing echter weinig effect gunnen. In de lente van 1794 trokken weer Franse legers op naar het noorden, en ditmaal met succes. De Jointe van Valencijn volgde de terugtrekkende Oostenrijkse legers, eerst naar Roermond, dan naar Eupen en uiteindelijk naar het Rijnland, waar ze op 25 juli 1794 ontbonden werd.

Over de Jointe is amper onderzoek gebeurd, maar het lijkt duidelijk dat haar functioneren erg vergelijkbaar was met de krachtlijnen van de restauratie uit de dagen van het Weense Congres. Herstel van het oude, zeker, maar dan vooral van de situatie die net voorafging aan de revolutie en dus schatplichtig was aan het denken van het verlichte despotisme. Combineer dat met de integratie van een aantal verlicht revolutionaire gedachten, en van een echter terugkeer naar de oude bedeling is amper nog sprake – voor zover dat al tot de mogelijkheden zou hebben behoord.

 

Ursulinen Valencijn

 

In de Franse Nederlanden betaalde de bevolking, die haar ware gevoelens had getoond tijdens het korte Oostenrijkse bestuur, haar verzet tegen het jacobinisme duur. Vuurpeletons en guillotine deden hun werk ter bevordering van de rechten van de mens en de burger. Met name de geestelijkheid kreeg het hard te verduren, wat de Kerk elf zalige martelaressen opleverde.

Op 17 en 23 oktober werden in Valencijn tien ursulinen en een claris gehalsrecht, uit haat voor het christendom, maar formeel-juridisch bekeken op basis van een neutrale beschuldiging. Het misdrijf dat hen op het schavot bracht heette “port d’habit prohibé”, het dragen van een verboden (religieus geïnspireerd) kledingstuk. Er bestaat kennelijk ook een vorm van continuïteit tussen de blinde godsdiensthaat van toen, en de hardnekkigheid waarmee sommigen vandaag vrijheid en gelijkheid willen verdedigen door het bevorderen van vestimentaire intolerantie.

Comes de Montis

Hem omschrijven als een grote staatsdenker, zou misplaatst zijn. Hendrik, graaf van den Bergh, werd door Simon Groenveld treffend omschreven als “een edelman van de oude snit”. Hij schreef een approximatief, wat Duits gekleurd Nederlands, maar was welbewust van zijn zwakten op dat vlak – net als van zijn sterkten op andere vlakken. Die gave wordt weinig mensen gegund, en betekent ook voor historici vaak een opgave.

In retrospectief komt de heer van Bergh, wiens naam soms werd verlatijnst tot “comes de Montis”, ons voor als een van de meer oprechte en nuchtere figuren in de tweede helft van de Tachtigjarige Oorlog. Waar de strijdende partijen steeds meer inspanningen deden om zichzelf te overtuigen van hun grote gelijk, had hij de moed achteruit te kijken en in te zien wat verloren was gegaan in zestig jaar radicalisering. Het bracht hem ertoe in 1632 het kamp van Aartshertogin Isabella te verlaten voor dat van Prins Frederik Hendrik.

Hendrik van den Bergh

 

De samenzwering, of preciezer de samenzweringen van de edelen uit 1632 zijn in de historiografie vaak onderbelicht gebleven. De ene, die waarin Bergh een rol speelde samen met zijn in het moderne bestuur meer beslagen, maar ook minder voorspelbare spitsbroeder René van Renesse van Warfusée, was het minst succesvol. Tot grote verbazing van de heer van Bergh vond zijn overgang naar het kamp van de Zeven Provinciën geen enkele navolging. Misschien kwam zijn gebaar daarvoor wel te laat, en werden de Noordelijke Nederlanden op dat moment al te zeer waargenomen als een bastion van calvinisme en burgerheerschappij, om voor katholieke edelen een aantrekkelijk alternatief te zijn? Misschien was het ook geen toeval dat net Bergh, de gouverneur van Gelderland, een landprovincie, ver van de koopmansgeest van de kusten, toch hoopte dat er nog toekomst was voor de traditionele elites in het Noorden ? Overigens zou er dringend werk moeten worden gemaakt van een geschiedenis van de Opstand uit het perspectief van de oostelijke provinciën. Die oefening zou ongetwijfeld tot even boeiende als verrassende conclusies leiden – maar daarover later meer.

Met de andere samenzwering, bedacht door de familie Carondelet en gesteund door de heren van Ligne en Arenberg, liep het nauwelijks beter af. Enkele kleine militaire bewegingen werden zonder grote moeite bedwongen door het centrale gezag. De alliantie die deze heren hadden gesloten met het Frankrijk van Lodewijk XIII en Richelieu maakte hun project al even verdacht als dat van Bergh en Warfusée: hoe zou een gallicaanse en centralistische mogendheid oprechte steun kunnen geven aan een verhaal dat trouw aan Rome en plaatselijke autonomie centraal stelde?

Want hoewel er vanuit het oogpunt van de organisatie en de gesloten allianties twee samenzweringen waren, was de achterliggende geest één enkele: verzet tegen de geest van het centralisme, die de traditionele elites verwijderde uit het centrum van de macht. De hertog van Bournonville, een van de spilfiguren in de samenzwering van de Carondelets, herhaalde het te pas en te onpas: de enige uitweg was “se cantonner”, lees: naar Zwitsers model een confederatie van autonome katholieke kantons te organiseren in de Zuidelijke Nederlanden.

Stel u zo’n constructie voor in de vroege zeventiende eeuw, in strategische alliantie met de wat vastere federatie van autonome protestantse kantons in het Noorden – zij het dan in deze fase nog met een stevig katholiek bevolkingsaandeel in de Zeven Provinciën. Zou dat geen aantrekkelijker perspectief zijn geweest dan de blinde adoratie voor het Placcaet van Verlaetinghe – of zou het de aankondiging zijn geweest van een Sonderbundoorlog op Nederlands territoor ?

Stefan George en Albert Verwey, of de gemiste kans

Over enkele dagen, op 12 juli, zal de honderdvijftigste geboortedag van een van de meest invloedrijke dichters van de twintigste eeuw enkel nog worden herdacht door een paar zonderlingen. Geheime Nederlanden sluit zich graag aan bij die zonderlingen, want zonder Stefan George (1868-1933) zouden er allicht geen bedenkingen onder deze titel verschijnen.

Later dit jaar komen we ongetwijfeld nog terug op de Meester van Bingen, maar vandaag proberen we vooral onze eigen verbazing meester te worden. Waarom moest het tot 2017 duren eer iemand de woorden Geheime Nederlanden heeft gemunt?

Die vraag is niet zo futiel als ze lijkt te zijn. Georges erfenis werd onder meer bewaard door het toedoen van de uitgeverij Castrum Peregrini, gevestigd in Amsterdam. Een van de voornaamste herauten van zijn vroege dichtwerk was Albert Verwey, die als meest academische onder de Tachtigers een groot gezag genoot in het literair-culturele leven van het vooroorlogse Nederland. Toch kwam het niet tot een Laaglands equivalent van Georges visioen van een geestelijk rijk.

Allicht is de sleutel van het raadsel precies te vinden bij Verwey, wiens relatie met George langzaam maar zeker verwaterde zodra George de maatschappelijke implicaties van zijn dichterschap preciezer begon te formuleren. De cultuursocioloog en George-leerling Erich von Kahler maakte een pertinent onderscheid tussen een George-Kreis waarin al wie door de dichter werd beïnvloed een plaats kan krijgen – inclusief Verwey – en een Bund um George die beperkt bleef tot wie hem ook wilde volgen in zijn streven naar een geestelijk rijk. Die laatste stap zette Verwey niet.

Allicht kon hij dat ook niet: de horizontalistisch ingestelde Verwey zocht de essentie van de Nederlandse cultuur in een samengaan van wereldbevestiging, calvinisme en kunst – een op zichzelf genomen al bijzondere combinatie, die hoe dan ook op gespannen voet moest staan met het Romeinse verticalisme van George. Die laatste zag zichzelf voornamelijk als een “Erzieher eines erhofften Volkes”. Bevestiging van de werkelijkheid van het bestaande volk was aan hem dus niet besteed – wat hem ook immuun maakte voor het ziektebeeld van het nationalisme.

Het zou echter te ver gaan om Verweys weigering zonder meer af te wijzen, om een totale keuze voor Georges visie aan te prijzen. Diens aankondiging van een geestelijk rijk klinkt aantrekkelijk, maar staat zij niet haaks op het gegeven dat het Rijk dat niet van deze wereld is, niet ons, maar de Drie-Ene God toekomt?

Toch blijft het egalitarisme dat logisch voortvloeit uit Verweys horizontalisme ons vermoeien. Dat de hiërarchisch denkende George afstand nam van de Duitse spellingsregel die oplegt substantieven met een hoofdletter te schrijven, is in dat kader misschien minder relevant dan de irritante inflatie van hoofdletters in Verweys dichtwerk. Als elke Gedachte van de Dichter over de Wereld een hoofdletter behoeft, relativeert dat zowel de gelijkheid als de overtuigingskracht van het vers.

De verleiding van het “wat als” kan dus rustig de kop opsteken. Wat indien Verwey en George in dialoog waren gebleven, en indien Verwey zijn calvinistische en socialiserende vooroordelen had kunnen overwinnen? Zou dan honderd jaar eerder nagedacht zijn over zin en onzin van de Geheime Nederlanden? We zullen het nooit weten, en beperken ons dus maar tot dat beeld dat meer zegt dan duizend woorden: Toorops (niet toevallig Toorops) dubbelportret van George en Verwey.

VerweyGeorge

De adel van de Nazarener

Het overkomt Point de Vue, beter bekend als “le journal des altesses et des concierges” zelden goed geïnspireerd te zijn. Als het dan toch gebeurt, is dat een reden te meer om er melding van te maken, en dat geldt zeker als er een excellente aanleiding toe bestaat, namelijk de priesterwijding van aartshertog Johannes van Oostenrijk op 16 juni in het Zwitserse Véroliez.

In het gesprek dat hij met het Franse weekblad had naar aanleiding van zijn wijding, verklaart de aartshertog, in verband met de inspiratie die hij vond in het leven van zijn overgrootouders, de Zalige Karl van Oostenrijk en de Dienares Gods Zita van Oostenrijk: “De echte edelman is Jezus.” Point de Vue maakte van dit citaat de titel van het artikel, en geeft ons zo een mooie gelegenheid om wat te mijmeren over christendom en adel.

Natuurlijk is er een gemakkelijke manier om deze uitspraak te duiden, namelijk te bedenken dat titels en afstamming er niet toe doen, en dat enkel een groot hart leidt tot ware adel. Fout is dat niet, maar leert het ons echt iets? Een meer radicale invulling zou kunnen zijn dat niet enkel elke macht en adeldom van God komt, maar ook alle macht en adel aan God toekomt, zodat er geen ruimte is voor andere titularissen van adeldom. Het gebruik van het woordje “echt, waarachtig”, laat toe die stelling aan te houden zonder in ongezonde vormen van radicalisme te verzeilen. Misschien is dat dus wel de correcte lezing.

Een derde lezing blijft echter mogelijk, en lijkt voor onze tijd de meest interessante. Het is dat Christus, volkomen God en volkomen mens, ons zo vreemd is geworden, dat de metafoor van de adel ons kan helpen te begrijpen wie Hij is.

Het is immers een kenmerk van onze tijd dat hij niet overweg kan met adel. We relativeren het fenomeen, lachen het weg of ergeren ons aan zijn overleven. Ten aanzien van de adel veroorloven we ons meer dan tegenover anderen, in flauwe grapjes of in haatcampagnes in de media. Blauw bloed lijkt vandaag vooral een aantrekkingskracht uit te oefenen op bloedhonden die kwijlen en bijten in naam van de gelijkheid.

En toch is de Zoon van God ter wereld gekomen in het gezin van Jozef “de domo David”. De Evangelist Lucas vindt het relevant de afkomst van Jezus’ voedstervader te vermelden. Wij niet. Wij noemen hem “de timmerman”, en brengen hem zo binnen handbereik. De Heilige Familie interesseert ons maar in de mate ze op onze familie lijkt. Is dat niet zo, kan ze ophoepelen.

Die verschuiving heeft trouwer oudere en talige wortels. Kort nadat hij melding heeft gemaakt van “het Huis van David”, tekent Lucas het Magnificat op. Daarin lezen we: “Heersers ontneemt Hij hun troon, maar verheft de geringen. Die hongeren overlaadt Hij met gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen.” Het valt op dat in de Nederlandse tekst de winnaars wel, en de verliezers geen recht hebben op een lidwoord: alle geringen worden verheven, maar het is niet uitgesloten dat sommige heersers hun troon behouden. In onze kerken wordt de tekst echter vaak anders geduid, namelijk dat wie heerst, zijn troon zal verliezen aan de geringen. Van een hulde aan Gods almacht wordt het Magnificat een revolutionaire boodschap.

Dat de Latijnse tekst ons hierbij niet erg behulpzaam is, ligt in de lijn van de verwachting – een spel van lidwoorden begrijp je minder aan de hand van een taal het niet zo op lidwoorden heeft begrepen. Dat ligt echter anders in het Grieks, en de Griekse grondtekst blijkt in deze passage ook geen lidwoorden te hanteren. Winnaars en verliezers worden met andere woorden in abstracto aangegeven, het komt God toe concrete keuzes te maken. Geen voorspelbare revolutie dus, maar Goddelijke souvereiniteit.

Ook in die zin is Christus inderdaad de echte edelman, de zoon van de enige Soeverein. Jawel, Christus Koning. In een tijd die zo graag lacherig doet over vorsten allerhande, is dat een last die niet makkelijk te dragen is. Maar boven Zijn Kruis stond al geschreven “Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum.” Ook de Romeinen hielden niet van Koningen, of hun Rijk nu van deze wereld was of niet.

Onwaarschijnlijk gezelschap: Hans Axel Fersen en Willem Bilderdijk

Net vooraleer de zomer begon, op 20 juni, dachten we met respect terug aan graaf Hans Axel von Fersen, Rijksmaarschalk van Zweden en vroege martelaar van de legitimiteit. Fersen is vooral gekend door zijn vriendschap met koningin Marie-Antoinette en zijn rol in de vlucht van het Franse koningspaar naar Brussel, die zo jammerlijk eindigde in Varennes. Aan Varennes en wat eraan voorafging, houden we een beeld over van een mondaine, doch dappere jongeling – die in 1791 toch al 36 was, en daarenboven kolonel-eigenaar van het eerbiedwaardige regiment Royal-Suédois, dat in die dagen gelegerd was in de omgeving van Landeschie, in het door Frankrijk bezette deel van Henegouwen.

Minder bekend is de Fersen van na Varennes. Vanuit Brussel speelde hij een sleutelrol in de diplomatieke en politieke contacten die aan de oorsprong lagen van de coalities tegen het revolutionaire Frankrijk. Met enige moeite kon hij ook zijn eigen vaderland bij de coalitie betrekken, hoewel ook daar het revolutionaire venijn diep was doorgesijpeld in de beleidsmakende kringen.

Fersens uur leek te slaan toen in 1796 prins Gustav Adolph, zoon van de in 1792 vermoorde Gustav III (bekend uit Verdi’s Ballo in Maschera) meerderjarig werd en de Zweedse internationale positie helder werd samengevat in een politieke lijn die gebiedsuitbreiding in Noorwegen, een goede verstandhouding met Rusland en een principieel verzet tegen het revolutionaire Frankrijk combineerde. Fersen, die mede de architect van die lijn was, werd een van de nauwste raadgevers van koning Gustav Adolph IV.

Hans_Axel_von_Fersen2

Graaf Hans Axel Fersen als Rijksmaarschalk van Zweden

In 1807 wisselden de Russen echter van kamp, en bleven Zweden en Portugal als enige mogendheden op het continent trouw aan de anti-revolutionaire coalitie. Hun trouw werd niet beloond: de Fransen bezetten Zweeds Pommeren en de Russen veroverden Finland op de Zweden. Binnenlands was dit de aanleiding voor openlijke of heimelijke Fransgezinden om een staatsgreep te plegen, en de koning tot troonsafstand te dwingen. Als zijn opvolger werd zijn oom en voormalige voogd, regent Karl, naar voren geschoven, van wie werd vermoed dat hij niet onwetend was over de plannen om zijn broer Gustav III te vermoorden. Dat de afgezette koning ook een zoon had, werd gemakshalve over het hoofd gezien, en later bevestigde de Rijksdag vrolijk dat de persoonlijke troonsafstand van Gustav Adolph IV geacht moest worden ook betrekking te hebben op zijn afstammelingen. Om helemaal zeker te zijn, werden de legitieme vorst en zijn familie gedeporteerd naar Duitsland.

Fersens antipathie voor deze gebeurtenissen was een publiek geheim en velen gingen ervan uit dat hij betrokken was bij plannen voor een tegencoup. De complottheorieën bereikten een hoogtepunt toen de kinderloze Karl (intussen Karl XIII) de Deense prins Karl August adopteerde, maar deze minder dan een jaar later overleed aan een hartaanval. Volgens de stadslegende was de prins echter vergiftigd, en wel op instructie van Fersen.

In zijn hoedanigheid van Rijksmaarschalk nam Fersen op 20 juni 1810 deel aan de begrafenisplechtigheid van Karl August, wat door het revolutionaire gepeupel als een provocatie werd gezien. Zijn koets werd met stenen bekogeld, en de garde van de nieuwe koning vond het hoegenaamd niet nodig in te grijpen – ook niet toen de massa probeerde Fersen uit zijn voertuig te slepen, en daar na verloop van tijd in slaagde. De Rijksmaarschalk, in de steek gelaten door leger en ordediensten, werd op de meest beestachtige manier mishandeld, en stierf uiteindelijk toen een zeeman op en neer ging springen op zijn borstkas. De dappere zeeheld kreeg na een symbolische straf genade van Karl XIII en mocht een nieuw leven beginnen in Amerika.

685px-Fersenska_mordet_1810

De moord op Fersen, Stockholm, 20 juni 1810

Fersen was zeker niet de enige die lak had aan het verbreken van de legitimiteit in Zweden. In zijn vaderland was de legitimistische “gustaviaanse” partij sterk genoeg om gevreesd en gehaat te worden. Met name de provincie Schonen was een legitimistisch bolwerk. Zelfs na het overlijden van Karel XIII was zijn opvolger maarschalk Jean-Baptiste Bernadotte (“Karel XIV”) zo beducht voor een gustaviaanse restauratie, dat hij erop aandrong Noorwegen voldoende autonomie te geven binnen het rijk – kwestie van toch een toevluchtsoord over te houden in de hypothese van een restauratie van de legitieme dynastie.

Ook in de Nederlanden was er sympathie voor de afgezette koning Gustav Adolph IV. Vanuit zijn ballingsoord Bazel bezocht hij onder zijn schuilnaam kolonel Gustaffson meermaals het Koninkrijk van Willem I. Dacht hij erover zich in onze streken te vestigen? In ieder geval streefde hij naar een huwelijk van zijn zoon met prinses Marianne, en op 25 juni 1828 kwam het effectief tot een verloving. Die leidde echter tot hevig diplomatiek protest vanuit Zweden, met name omdat de aanstaande bruidegom in de officiële communicatie als “prins van Zweden” werd betiteld. De discussie escaleerde en leidde er uiteindelijk toe dat de verloving werd verbroken.

Voor de legitieme vorsten van Zweden bewaarde nog menig Nederlander een plaatsje in zijn hart. Op de eerste plaats prinses Marianne, wier uiteindelijke huwelijk met Albrecht van Pruisen onder meer vergald werd door de herinnering aan de charmante Zweedse prins. Maar ook in Haarlem woonde een dichter die “kolonel Gustaffson” waardeerde. Bilderdijk ontmoette de afgezette Zweedse koning meermaals en wijdde in 1829 een gedicht ”Aan den zwervenden koning van Zweden”, dat begint met de verzen “Laat vrij een wuft gevoel met kroon en scepter spelen/Het echte Koningshart erkent geene aardsche macht.”

Het was een hulde aan de legitimiteit, die Fersen met genoegen zou hebben onderschreven.

De blinde vlek in het zuidoosten – over de Camino de Flandes

Een van de basisintuïties van Koning Willem I bij de inrichting van zijn Koninkrijk der Nederlanden, was het combineren van de sterktes van Noord en Zuid. Het meest bekende voorbeeld is te vinden in zijn economisch beleid, dat een industrieel sterk Zuiden de steun wou geven van een mercantiel talentrijk Noorden en vice versa. Jammer genoeg werkt die logica ook omgekeerd, en bestaat er iets als de gecombineerde zwakte van Noord en Zuid.

Een treffende illustratie daarvoor is te vinden op het terrein van de geopolitiek. Eigenlijk is die wetenschap in de Lage Landen bovenal onderbelicht gebleven. Dat mag niet verbazen, want geopolitiek is nauw verbonden met de realistische school in de internationale betrekkingen, die in onze streken de voorrang heeft moeten afstaan aan allerhande idealistische scholen – en dat is geen goede zaak geweest voor die streken. Als er dan al eens een poging was om geopolitiek te denken, liep die in Noord en Zuid telkens om een andere reden mis.

In het Noorden belette de nostalgie naar de Gouden Eeuw velen te begrijpen dat Nederland zeker een maritieme mogendheid was, maar dat dit niet belette dat het op het continent was gelegen. Een beleid van splendid isolation, naar Brits model, kende dus onvermijdelijke grenzen, zoals 1940 pijnlijk heeft aangetoond.

Wie in Vlaanderen probeerde Nederlands te denken, lukte er slechts zelden is los te komen van de mythologie van de Vlaamse Beweging, ook op het terrein van de internationale betrekkingen. Een in essentie niet onverantwoord, maar tot karikaturale hoogten verheven anti-Frans sentiment werd vaak gecombineerd met ideologisch geïnspireerd gebazel over de opstand der verdrukte volkeren. Waartoe dat kan leiden, werd recent nog geïllustreerd door de aanvallen van acuut catalanisme in Vlaanderen. Voordien gaf het aanleiding tot de weinig consistente combinatie van een aanschurken tegen Schotland (aloude bondgenoot van Frankrijk) in combinatie met het ondersteunen van pro-Duitse groeperingen in de Elzas en elders.

Het is een kenmerk van geopolitiek dat gegevens worden geanalyseerd die slechts langzaam evolueren. Rivieren en bergketens hebben de onhebbelijke gewoonte zich niet van verkiezing tot verkiezing of van generatie tot generatie te verleggen, al doen grenzen dat wel eens een keer. De stabiliteit van de geografie maakt het wel mogelijk lessen te trekken uit fenomenen die al wat ouder zijn, en zorgen ervoor dat schijnbaar gedateerde analyses verrassend actueel blijken te zijn.

Een tekst die daarbij van groot nut kan zijn, is de studie van militair historicus Geoffrey Parker over The Army of Flanders and the Spanish Road uit 1972. Zij beschrijft de logistieke en organisatorische moeilijkheden waarmee de Spaanse Habsburgers werden geconfronteerd tijdens de Tachtigjarige Oorlog, met name in het licht van de troepenbewegingen naar de Lage Landen. Onderstaand kaartje maakt duidelijk wat hij bedoelde:

Camino_Español
Kort gezegd komt het erop neer dat de continentale ader voor de Lage Landen liep langs de grens van het Middenrijk uit de dagen van de Karolingers, over Savoye, Zwitserland, beide Bourgondiën en Lotharingen. Op Zwitserland na, hebben al deze streken gemeen dat zij sinds de zeventiende eeuw hun zelfstandigheid aan Frankrijk zijn kwijtgeraakt. De vanuit geopolitiek perspectief voor de Nederlanden essentiële Noord-Zuidas is dus afgesloten geraakt.

Waarom Laaglandse dwepers met regionalisme in Frankrijk hun energie zo graag investeren in Baskenland, Bretagne en een wat schimmig Occitanië, en geen interesse hebben voor de Camino de Flandes, valt rationeel niet te bevatten. Nu sinds kort in Lotharingen met de Parti Lorrain een interessant specimen van evenwichtig regionalisme van zich laat horen, is het moment misschien gekomen om daar iets aan te doen en de blik te richten naar het zuidoosten. Niet om andere cruciale assen van de Nederlandse ruimte uit het oog te verliezen, maar wel om een blinde vlek te corrigeren.

 

Âne, bête, triste et – en plus – vilain

Als je goed luistert, kan je de kreten en kreetjes al horen. Ze zijn ontstaan in het café op de hoek, op een uur waarop de laatste bezoekers er beter aan hadden gedaan vroeger naar huis te trekken. In Antwerpen roept men om “ander en beter”, in Frankrijk klinkt het stelliger als “sortez les sortants”. Wie beseft dat stabiliteit naar menselijke normen een wonder mag heten, vermijdt liever mee te lopen in een dergelijk opbod. Dat neemt echter niet weg dat een aantal uittredende lokale magistraten er goed aan zouden doen de eer aan zichzelf te houden. Als dat niet lukt, kan de bevolking allicht een handje helpen.

Zo iemand is de burgemeester van Lede. We zullen de man niet bij naam noemen, want eigenlijk staat hij model voor een categorie van bestuurders die het kompas kennelijk verloren is. Om dat correct te begrijpen, moeten we enkele eeuwen het verleden in.

De aloude heerlijkheid Lede was het land van de familie Bette, een van de vier families die er aanleiding toe gaven dat de spotters vertelden dat om iets te betekenen in de omstreken van Gent, men “Âne, bête, triste ou vilain” moest zijn – een allusie op de families d’Hane, Bette, Triest en Vilain XIIII.

In 1635 werd Lede tot markizaat verheven. Halfweg de achttiende eeuw deed Emmanuel-François Bette, markies van Lede, een beroep op de Frans-Italiaanse architect Giovanni Niccolo Servandoni om het vervallen kasteel nieuwe luister te geven in de mooiste traditie van Andrea Palladio.

Door allerhande omstandigheden is het kasteel deerlijk vervallen geraakt. Wat de neogotische aangroeisels betreft, die aan het kasteel werden toegevoegd in de periode waarin het als school werd gebruikt, is dat niet eens zo erg. Inmiddels is echter ook wat rest van het werk van Servandoni grotendeels gesloopt, en voor een stukje dan nog ingestort. Het resultaat ziet u hieronder.

Markizaat_Lede

 

Wanneer gebeurde dit ? Gedurende de periode van weelde en civilisatie aan het einde van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw. Het “hoogtepunt” werd bereikt toen in 2015 de hierboven vermelde burgemeester de sloopmachines aan het werk zette, met als argument dat jongeren en minder jongen er een sport van maakten de gedestabiliseerde ruïnes bij nacht en ontij te bezoeken. Er zou eens een ongeluk moeten gebeuren. Het ongeluk is gebeurd: het kasteel is afgebroken – zij het niet helemaal. Blijkbaar is Lede inspiratie gaan zoeken in het façadisme van de hoofdstad, want de voorgevel van het classicistische deel mag bewaard blijven, en zal worden ingepast in een “evenementenplein”. De term alleen doet het ergste vermoeden.

Er is blijkbaar niet zo heel veel veranderd in het graafschap Vlaanderen. Âne, bête, triste, vilain is men er nog steeds – maar je hoeft niet meer te kiezen tussen de epitheta, combineren mag.

Misschien moeten we niet eens te streng zijn voor de burgemeester die erfgoed opoffert aan het wangedrag van straatjeugd. Hij bevindt zich in gewaardeerd gezelschap. Was het niet Thorbecke, de nefaste Thor, die de uitsprak muntte volgens dewelke “Kunst geene regeringszaak [is], in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst.”

O neen? Met Thorbeckes tegenstrevers van toen, met Jacob van Lennep op kop, en met Willem de Brauw, zijn wij van oordeel dat de Regering niet alleen een gezag, maar ook een taak heeft op het gebied der kunst. Zij dient ervoor te zorgen dat stabiliteit en continuïteit, die in artistieke en culturele aangelegenheden al even hooggestemde ambities zijn als in politieke, een kans krijgen, zodat de dialoog tussen generaties niet beperkt blijft tot de drie of vier generaties die het geluk hebben elkaar op aarde te mogen ontmoeten, maar over de eeuwen wordt getild. Daarom is de afbraak van het kasteel van Lede erger dan een vergissing: ze gaat immers in tegen datgene waarover cultuur en staatsmanschap eigenlijk gaan.

Mozart, een medicijn tegen temporisme

Het moest ervan komen. Zelfs het referentiewerk van de weldenkende muziekliefhebber, de Toverfluit, is het voorwerp van controverse geworden, met dank aan het gilde van de regisseurs.

Operaregisseerwerk is vandaag namelijk heel eenvoudig geworden. Vermijd vooreerst elke kennis van de context en de ontstaansgeschiedenis van het werk dat je gaat vertonen. Verplaats de handeling naar vandaag, of als dat niet kan, minstens naar de Tweede Wereldoorlog. Zorg voor een aantal gags, die niets te maken hebben met het libretto. En vergeet vooral de morele boodschap niet. Gevolg: ook het publiek zal zich niet genoopt voelen enige moeite te doen om te weten waarover het gaat, zal een vrolijke avond beleven op gemene kosten en zich na afloop gesterkt voelen in het eigen morele superioriteitsgevoel. Iedereen blij dus, op de oprechte muziekliefhebber na. Maar die is dermate minoritair dat zij (want vaak is de liefhebber een dame) statistisch irrelevant werd. En de musici die niet zichzelf, maar wel de werken die ze uitvoeren ernstig nemen, lijden in stilte, op een zeldzame uitzondering na. Uiteindelijk moeten zij kunnen functioneren in een op hol geslagen omgeving.

In de kolommen van Trouw speelde zich enkele weken geleden een weinig verheffend spektakel af. Aanleiding was de weigering van een perfecte vertegenwoordigster van het dominante regisseerwerk om Mozarts Toverfluit in zijn geheel te regisseren – dat wil zeggen, zonder te gaan knippen in de teksten van Emmanuel Schikaneder, zoals haar contract dat oplegde. In eerste instantie was er geen vuiltje aan de lucht, want de kunstenares in kwestie had wel het contract, maar niet het libretto gelezen. Toen ze zich ook aan dat laatste waagde, barstte de bom. De tekst die Mozart op muziek heeft gezet, blijkt passages te bevatten die naar de hedendaagse normen seksistisch en racistisch zijn, en moest volgens haar dus herschreven worden. De vraag of dergelijke concepten kunnen worden toegepast op een libretto uit de late achttiende eeuw, zou interessant zijn geweest, maar kwam niet aan bod. Uiteindelijk is onze kunstenares geen wetenschapster, maar een militante, zoals blijkt uit de naam van haar club “Operafront”. Geheime Nederlanden heeft het niet met groepen die zich “front” noemen, en dat is deze keer niet anders.

Een paar modieuze opiniemakers haastten zich om hun bewondering voor de voorgenomen herschrijfoefening den volke kond te doen. De opera moet immers naar onze tijd gebracht worden. Alleen al de uitdrukking spreekt boekdelen. Werken uit het verleden kunnen pas relevant zijn, als ze binnen de comfortzone van het hedendaagse publiek worden gebracht. Pas een soortgelijke redenering toe op werken uit een ander land of continent, en je ziet meteen waar het schoentje knelt. Welke regisseur maakt zich eens sterk tegen het dominante “temporisme”, dat ontstaat uit en volkomen gebrek aan respect voor mensen die in het verleden hebben geleefd?

Toen er voorzichtig weerwerk kwam tegen de adoratie, was de reactie van de auteurs in kwestie even minabel als belachelijk. Er werd gesuggereerd dat Anton Bakx, de musicus en tekstschrijver die bedenkingen had geuit over de herschrijfoefening, niet bestond. De deskundige auteurs kenden hem niet, kon hij dus wel bestaan ? Opmerkelijk, hoe snel de discussie persoonlijk wordt, zodra enig inhoudelijk weerwerk wordt geboden. “Und willst Du nicht mein Bruder sein, so schlag’ich Dir den Schädel ein” – het is een oud verhaal.

Toch ontlokt het hele debat Geheime Nederlanden nog een glimlach. Net als vele anderen ontwaarde Bakx de waarde van de Toverfluit in de morele boodschap van de tekst, die uiteindelijk toch een “magnum opus van de vrijmetselarij” is. Werkelijk ?

Wie de Toverfluit aandachtig beluistert, ontdekt vooral spanningen in het werk. Harmonische spanningen, maar ook spanningen tussen tekst en muziek. Laat ons even de oefening doen. Wie is de meest bekende figuur uit de opera? Papageno. En de bekendste aria wordt zonder enige twijfel gezongen door het symbool van het obscurantisme, de Koningin van de Nacht – in die mate zelfs dat de opera voetstoots met deze aria wordt geassocieerd. Voor de petite histoire: de eerste Koningin van de Nacht was Josepha Weber, de zus van Mozarts echtgenote Constanze (de dame op de afbeelding hieronder, die het gezelschap van Schikaneder voorstelt).

 

SchikanedersTroupe1791

 

Met andere woorden, wat beklijft in dit werk, is net wat niét past in de morele boodschap van het libretto, maar wat door intrinsieke muzikale kwaliteiten waardevol is. Ook de Toverfluit wordt geconfronteerd met de grenzen van belerende kunst: ze wordt getranscendeerd door wat er werkelijk toe doet. En dat is ook de troostende gedachte bij de wat dwaze debatjes die in de krant en op het net worden gevoerd. Als over een eeuw of twee iemand per vergissing zal ontdekken wat modieuze regisseurs vandaag met de Toverfluit willen uitspoken, zal dat het gevolg zijn van grondig bronnenonderzoek en op de spits gedreven eruditie, met andere woorden van attitudes die haaks staan op die van het gilde der regisseuren. Het zal hun gepaste straf zijn.

Het IJzeren Gordijn in ons hoofd – denkend aan Viacheslav Lypynsky

Volgend jaar is het dertig jaar geleden dat de Muur viel, en toch is er midden in ons hoofd nog een IJzeren Gordijn. Nog om de andere dag horen we een land uit Centraal-Europa situeren in “het Oostblok”, en onze intellectuele geschiedenis van Europa blijft vooral een Atlantische geschiedenis. Dat geldt ook onverkort voor wie graag verkondigt een hekel te hebben aan de Verenigde Staten en elke vorm van Angelsaksische dominantie op politiek en academisch vlak, een neiging die Geheime Nederlanden overigens zonder al te veel moeite weet te bedwingen.

Een van de boeiende denkers die op basis van deze vervelende vorm van bijziendheid onbekend blijven in onze streken, is de Oekraïense ideoloog van het “statisme”, Viacheslav Lypynsky, een tijdgenoot van Ivan Ilyin, waarover we het al eerder hadden. Net als een reeks andere denkers uit Centraal- en Oost-Europa onderging Lypynsky de invloed van Charles Maurras, wiens honderdvijftigste geboortedag eerder dit jaar werd herdacht.

Over Maurras kan veel worden gezegd. Op de keper beschouwd is zijn talent meer dat van een stilist dan dat van een denker, en zijn zin voor scherpe formuleringen kreeg vaak de overhand op de precisie van de inhoud. Voeg daarbij zijn antisemitisme, altijd een feilloze indicator van intellectuele luiheid, en zijn haast pathetische poging om nationalisme en monarchaal denken tot een synthese te brengen, in de beste vroeg-revolutionaire traditie, en er lijken niet zo veel redenen te zijn om zijn werk te lezen. Als echter de boom aan de vruchten moet worden beoordeeld, dan valt het op hoeveel boeiende denkers de school van Maurras hebben gevolgd. Om maar een paar namen te noemen: Pierre Boutang in Frankrijk, Ernst Karl Winter in Oostenrijk en Viacheslav Lypynsky in Oekraïne.

Vycheslav_Lypynsky,_Rayhenau_1926

Lypynsky in 1926

 

Naast Franse invloed onderging Lypynsky ook invloed van de zogenaamde school van Krakau, een groep historici en filosofen die in de Habsburgse Dubbelmonarchie reflecteerden over de Poolse geschiedenis en het betere uit de Poolse traditie wensten te distilleren. Het resultaat was een oefening in zelfkritiek, die de nationale elites een spiegel voorhield, en daaruit bleek dat hun palmares van opstand en onderling conflict de beste weg naar zelfvernietiging was.

Ook Lypynsky hield zich ver van allerhande vormen van nationaal messianisme, die in de late negentiende en vroege twintigste eeuw zo populair waren. Zijn “statisme” was dus vooral een antwoord op het courante “populisme” van toen en moet ook in die context worden begrepen. Vandaag is “populisme” weliswaar verworden tot een scheurmandbegrip, maar dat neemt niet weg dat de tijdsgeest inderdaad voor een deel vorm wordt gegeven door even ongeloofwaardige als hardnekkige verwijzingen naar de gezonde inzichten die de gewone man zouden kenmerken. Lypynsky’s antwoord op dat soort kreten is dus alleen al om die reden actueel.

Opmerkelijk is de nadruk die hij in dat kader legt op het belang van de staat. Zijns inziens kan een (nationale) gemeenschap maar tot ontwikkeling komen in de dialectiek tussen staat en maatschappij, waarbij het eerste element het actieve en het tweede het passieve of reactieve beginsel is. Anders gezegd: de staat is de motor van verandering, terwijl de maatschappij eerder statisch mag heten. Terminologisch bekeken, komen we zo in een wat verwarrend verhaal terecht: “statisme” gaat dus niet alleen over de staat, maar ook over het statische karakter van de niet-staat…

Lypynsky’s benadering is dus zeker geen staatsafgoderij in de slechtste traditie van jacobijns nationalisme, maar wel een dialectische benadering die waarschuwt tegen een overwaardering van de maatschappij. “Dialectisch” impliceert ook dat er behoefte is aan bemiddelaars, en die ziet hij in de intelligentsia, terwijl hij aan de aristocratie een dialectische taak bij uitstek toewijst: het actief doorgeven van de (essentieel passieve) traditie. Voor iemand die tot beide sociale groepen behoorde, was de uitdaging niet min. Dat geldt des te meer omdat Lypynsky familiaal afkomstig was uit de Poolssprekende lagere adel, en toch een rol opnam in de beweging voor autonomie van Oekraïne, met behoud echter van de katholieke traditie.

Na de catastrofe van 1917 en de daaropvolgende periode van verwarring moest ook Lypynsky uitwijken naar de vrije wereld. Hij vestigde zich eerst in Oostenrijk en later in Berlijn, waar hij zich hoegenaamd niet thuis voelde en zich ergerde aan de kleinheid en het brallerige radicalisme van de emigrantenpolitiek. Hij overleed in Wenen in 1931. Van zijn werk is niet zo heel veel vertaald in talen die hier courant toegankelijk zijn en zijn archieven liggen momenteel in Rome, ontoegankelijk voor onderzoek. Het IJzeren Gordijn in ons hoofd wordt goed onderhouden.