Een late beloning voor de Luikse ballingschap

Het is amper geweten dat gedurende de jaren twintig van vorige eeuw het legitimistische denken in Montenegro werd aangestuurd vanuit de Nederlanden – meer bepaald vanuit Luik. Daar hadden een aantal voormannen van de zogenaamde “groene” partij een toevlucht gevonden na de mislukking van de “Kerst van Cetinje”, de gewapende opstand waarmee zij op Kerstdag 1919 hadden geprobeerd het slechte theater van de Grote Volksvergadering van Podgorica terug te draaien. In Pogdorica werd onder Servische druk beslist (in die volgorde) dat de dynastie Petrovic-Negos haar rechten op de troon had verbeurd, en dat het land zou aansluiten bij Servië. Let wel: bij Servië, en niet bij het in aanbouw zijnde koninkrijk van de Zuid-Slaven, want op die manier kon Belgrado zich erop beroepen het volkrijkste onderdeel van het nieuwe rijk te zijn. De “Hollandse rekenkunde” was duidelijk niet onbekend op de Balkan.

Dat de legitimisten groen als kleur droegen, heeft overigens niets te maken met vroege uitingen van ecologisme en ook niet (wat men wel eens kan lezen) met hun agrarische achterban. Het is een gevolg van het feit dat de kiesbrieven voor de Servischgezinden wit waren en die voor hun tegenstrevers groen.

Waarom had het koninkrijk Servië, onder de dynastie Karageorgevic, het zo gemunt op het “tweede Servische koninkrijk”? Er waren zeker opportuniteitsredenen, zoals grotere invloed op het tot stand komen van het koninkrijk Joegoslavië, en ook recente aanleidingen, zoals het feit dat Montenegro zich in 1916, tegen de zin van zijn vorst, genoopt had gezien een wapenstilstand te sluiten met Oostenrijk-Hongarije.

De fundamentele redenen lagen echter dieper. Op 29 mei 1903 (Oude Stijl) vermoordde een commando van de jacobijnenclub de Zwarte Hand, onder leiding van luitenant Dragutin Dimitrijevic, koning Alexander Obrenovic, zijn echtgenote koningin Draga en aantal ministers en hoge militairen op beestachtige wijze. Vermits het koningspaar kinderloos stierf, was de Montenegrijnse prins Mirko hun legitieme opvolger, maar dat was niet wat de samenzweerders wensten. Zij wensten dat de anti-Oostenrijkse familie Karageorgevic op de troon kwam. Letterlijk betekent die naam “Zwarte Joris”. Het klinkt als een bandiet uit een slecht kinderboek, en dat is ook een van de correcte omschrijvingen voor deze lieden, naast die van “Orléans van de Balkan”.

Dimitrijevic, de leider van de coup, had de smaak kennelijk te pakken. In 1915 smeedde hij plannen om de Montenegrijnse koning Nikola met zijn familie te vermoorden, misschien aangespoord door het succes van zijn actie in Sarajevo in 1914, waarbij de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en zijn echtgenote werden vermoord. De gevolgen van die aanslag zijn bekend, zodat er allicht slechts weinigen een traan gelaten hebben toen Dimitrijevic in 1917 zelf voor een vuurpeloton eindigde.

Niet een putsch, niet een oorlog, maar een goed geregisseerde democratische komedie heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat de Petrovic-Njegosdynastie opzij werd geschoven en dat het gehele Zuidslavendom onder de hoede van de Servische bandietenbende kwam.

800px-Blue_palace

Het Blauwe Paleis in Cetinje, de historische hoofdstad van Montenegro

 

Het was dan ook een vorm van immanente rechtvaardigheid toen in 2006 Montenegro weer onafhankelijk werd, na een interregnum van minder dan een eeuw. Nog sprekender was de beslissing van het Montenegrijnse parlement in 2011 om een wet goed te keuren over het statuut van de afstammelingen van de dynastie. Daarbij erkende het parlement formeel het illegitieme karakter van de beslissingen van de Grote Volksvergadering van Podgorica. Daarnaast worden de afstammelingen van de dynastie bevestigd in hun historische rol, en krijgen zij specifieke rechten inzake de verkrijging van de Montenegrijnse nationaliteit. Met overheidsmiddelen werd verder een Petrovic-Njegosstichting opgericht, onder leiding van het familiehoofd en met de opdracht humanitaire en culturele taken uit te voeren, naar de discretie van de familie.

De Montenegrijnse wet is een mooi voorbeeld hoe historische herstel mogelijk is ten aanzien van de families die door hun landen vaak zo ondankbaar zijn behandeld. Een dergelijk herstel kan ook een stap naar een meer volkomen restauratie zijn, en verdient ook daarom onze aandacht.

Een Alcazar in het land van Aalst

In het collectieve geheugen is prins Filips Willem van Oranje vaak beschouwd als een alleenstaand figuur, een relict uit vervlogen tijden, die de eenheid van de Kerk van Rome met de veelheid van de pre-moderne staat meende te kunnen verzoenen. Dat hij even weinig geestelijke als fysieke erfgenamen zou hebben, stond dan ook in de sterren geschreven.

Werkelijk? Zijn we dan echt het versje van Revius vergeten?

                “Hebdy niet vernomen van

                Den verloren Graef Iohan?”

Revius schreef zijn bijtende strofen na het mislukken van een inval in Zeeland, onder leiding van graaf Johan VIII van Nassau-Siegen in 1631. Sindsdien lijkt deze kleinzoon van graaf Jan de Oude, de jongere broer van de Zwijger, uit ons beeld van het verleden weggevlakt te zijn. En laat net deze Nassauer, geboren op de Dillenburg in 1583 en overleden in Ronse in 1638, zowat de perfecte geestelijke erfgenaam van Filips Willem zijn.

356px-Johann_VIII,_Count_of_Nassau-Siegen,_by_Anthony_van_Dyck

Johan VIII van Nassau-Siegen door Van Dyck

Door de lectuur van Leonardus Lessius’ “Beraedt des gheloofs”, naar het Nederlands vertaald door zijn medejezuïet Thomas Sailly, werd graaf Johan overtuigd van het goede recht van de Moederkerk. Hoewel hij al in 1613 de reformatie verliet, bleef hij nog vier jaar in Staatse dienst. Even leek het erop alsof hij zijn verre neef Frederik Hendrik ook de weg naar Rome zou doen inslaan, maar de geschiedenis liep anders. Pas in 1619 ging Johan over naar de dienst van de Aartshertogen.

In 1623 volgde hij zijn vader Jan de Middelste op als heersend graaf van Nassau-Siegen. Zonder overhaasting, maar toch vastberaden werkt hij aan de herkatholisering van zijn stamland. Franciscanen en jezuïeten worden naar het Rijnlandse graafschap gebracht en zorgen er voor een contrareformatorisch cultureel en religieus klimaat.

In 1630 kocht hij de baronie van Ronse van de laatste afstammeling van Nicolas Perrenot, heer van Granvelle. Deze enclave in het land van Aalst werd een van zijn lievelingsplekken. Hij bouwde er een kasteel dat uiting moest geven aan zijn visie op God, mens en wereld – en dat werd niet toevallig een kopie van het vroegere paleis van Karel V, het Alcazar in Toledo.

Kasteelnassau5wa

Het kasteel van Ronse

 

Als u het kasteel wil bezoeken, zal u van een kale reis terugkomen. In de postnapoleontische warringen probeerde de laatste eigenaar, Alexander Lodewijk van Hove, het gebouw aan het stadsbestuur te verkopen om er een hospitaal of een school in op te richten. Van Hove, die tijdens de Brabantse Omwenteling de plaatselijke statisten aanvoerde en in 1798 door de Fransen was aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de Boerenkrijg, had zijn fortuin dermate zien slinken, dat hij het verdere onderhoud niet meer aankon. Zijn liberale tegenspeler, Eugène Fostier, slaagde er echter in de aankoop tegen te houden en bekeek met genoegen het verdere verval van het gebouw. Toen het in 1823 toch verkocht werd, was het rijp voor sloop. De progressieve geesten van Ronse juichten: het eeuwenoude symbool van religie en feodaliteit ging tegen de grond. Het werd vervangen door zielloze beluiken, een gepast symbool voor de nieuwe tijd. Over graaf Johan werd niet meer gesproken.

Tegen de tuimelgeest der tijden – een laat eerherstel voor de oude Oranjegetrouwen

Bij uitgeverij Verloren verscheen zonet de handelsuitgave van het Groningse proefschrift van Laurien Hansma. De titel “Oranje driften. Orangisme in de Nederlandse politieke cultuur 1780-1813” wekt de indruk dat er weer eens een modieuze discoursanalyse zit aan te komen, waarbij sympathie voor het huis van Oranje wordt verklaard door een slecht verteerd oedipuscomplex of iets dergelijks. Niet daarvan. Hansma heeft zich ingelaten met ouderwetse deugden, zoals daar zijn archief-, pers- en literatuuronderzoek, en slaagt er op voortreffelijke wijze in een gezicht te geven aan degenen die in de woelige periode na het herstel van Willem V prinsgezind waren en bleven.

Dat mocht ook wel, want auteurs als Van der Aa of Canter de Munck en activisten als Van Stralen en Witte Tulingh waren al zowat twee eeuwen in de schaduw gebleven – met een kleine uitzondering voor “Oranjeman Suideras”, die recent bij dezelfde uitgeverij op een biografie van Bert Koene mocht rekenen. De consensus bestond erin te erkennen dat het Hoge Huis in 1813 was teruggekeerd naar de Nederlanden, maar dat dit gebeurde om het programma van de patriotten uit te voeren – en dat was ook maar goed zo volgens de herauten van de Nederlandse versie van de “Whig interpretation of history”. De prinsgezinden tussen 1787 en 1813 werden bijgevolg per definitie oninteressant, want ofwel onverbeterlijke opportunisten, ofwel – en erger nog – al dan niet bewuste reactionairen.

Cornelis_van_der_Aa

Cornelis van der Aa door Reinier Vinkeles

Dankzij Hansma wordt dat beeld weggenuanceerd, en wordt duidelijk hoe de periode van binnenlandse of buitenlandse ballingschap net een bloeitijd was voor het orangistische verhaal, met dank aan de net eraan voorafgaande confrontatie met het meest gespierde patriottisme.

Wat daarbij misschien nog het meest interessante blijkt, is de vaststelling dat hopeloze zaken soms wel de meest levensvatbare zijn. Net in de nadagen van de Bataafse Republiek, toen de Russisch-Britse invasie in Noord-Holland was mislukt, stadhouder Willem V zijn aanhangers had bevrijd van hun eed van trouw en zijn zoon in Duitsland een toekomst zocht voor zijn geslacht, bleven verstandige lieden verzet plegen tegen “den tuimelgeest der tijden” (naar het woord van Tollius). Evenmin als Aimée de Coigny (Maurras’ mademoiselle Monk) konden zij legers lichten of kranten stichten, maar niemand kon ze beletten de ideeën waarin ze geloofden te verspreiden.

Dat deden ze overigens om de meest uiteenlopende manieren. De enen ondernamen de riskante mars door de instellingen, en namen naar het voorbeeld van Hendrik van Stralen regeringsverantwoordelijkheid op onder Schimmelpenninck of Lodewijk Napoleon. Anderen bleven hovelingen van het ongeluk, en uitten hun loyaliteit aan Oranje door geen enkele aanstelling te aanvaarden – en er evenmin voor gevraagd te worden. Allen droegen ze ertoe bij dat de herinnering aan het Huis bleef leven. En net op het moment dat de tegenstanders van de Prins meenden dat die herinnering louter historisch was geworden, keerde Willem terug naar Scheveningen, naar de plek waar zijn vader achttien jaar eerder het land had moeten verlaten.

Zolang mensen de herinnering levend en geëerd willen houden, leven de Geheime Nederlanden. Ook vandaag.

 

De mateloosheid van een Sociëteit

Niet alleen Geheime Nederlanden heeft een maand de stilte beoefend – dat was ook mijn lot, en mijn keuze. De meditatie van de twee standaarden sleep ik mee sinds mijn tienerjaren, en het zou dus blijk gegeven hebben van misplaatste koppigheid om de Geestelijke Oefeningen uit de weg te gaan. Een verandering van werksfeer maakte dit ook mogelijk. Dat deze blog een maand kon zwijgen, was nooit een punt van discussie. Wie de verstilling predikt, moet ze ook durven beoefenen.

Al wie de Geestelijke Oefeningen heeft doorlopen, verklaart een ander mens te zijn. Ik zal mijn verklaringen daartoe beperken, want een geestelijk leven dat onbegrensd in de openbaarheid wordt geworpen, is niet langer innerlijk. Wel maak ik van de gelegenheid gebruik om wat consideraties over die andere erfenis van Ignatius van Loyola, de Sociëteit van Jezus, te delen.

Misschien wel de voornaamste wezenstrek van de heilige Ignatius – Bask en militair – was zijn mateloosheid. Spaans en barok in al wat hij deed – niet in de zin van pronkerig, maar wel in de zin van authentiek en onbeschaamd. Om God te beminnen, bestaat er geen betere werkwijze. Andrea Pozzo’s apotheose van de heilige Ignatius in de Romeinse jezuïetenkerk (hieronder) doet in die zin geen recht aan Ignatius’ persoonlijkheid: apotheose is bij hem zelfgave, geen zelfvervulling. Je mag het in jezuïetenkringen niet luidop zeggen, maar als er in de recente geschiedenis iemand psychologisch gelijkenis vertoonde met de Baskische heilige militair, dan was het de Castiliaanse militant en martelaar Jose Antonio Primo de Rivera.

Triumph_St_Ignatius_Pozzo

Met de jezuïetenorde is het niet altijd goed gelopen. Het enthousiasme van hun stichter maakte de jezuïeten tot dragers van de contrareformatie, misschien wel de meest geslaagde culturele tegenrevolutie van het Oude Continent. Op het Nieuwe Continent realiseerden zijn de utopie bij uitstek, de reducties van Paraguay, waarover Robert Lemm behartenswaardige dingen schreef in zijn boek De Jezuïeten: hun opkomst en ondergang. Uiteindelijk werden zij het slachtoffer van de vorsten die meenden dat het begrip “katholieke verlichting” geen contradictio in terminis was van het type “conservatieve revolutie”. Ze wisten niet beter, want ze hadden 1793 nog niet beleefd. Twintig jaar voordien, in 1773, maakte de breve Dominus ac Redemptor een juridisch einde aan het bestaan van de Sociëteit.

In de luwte van de protestantse en orthodoxe landen waarin ze aanwezig waren, vooral Pruisen en Rusland, bleven er jezuïeten actief, wachtend op betere tijden. Die kwamen er in 1814, en even later kon de Amsterdammer pater Jan Roothaan leiding kon geven aan een ook formeel heropgerichte Sociëteit. Op het eerste gezicht leken de oude tijden terug te keren, en konden jezuïeten een rol spelen in de heropbouw van de Kerk na de crisis van de Franse Revolutie, net zoals ze dat hadden gedaan na de crisis van de Reformatie.

In werkelijkheid bleef er onderhuis iets smeulen, een gevoel van geleden onrecht, een mythe van de oude Sociëteit, die op de slechtste momenten de gedaante aannam van de tempeliersmythe, waarin generaal overste Lorenzo Ricci de rol van Jacques de Molay kreeg opgeplakt.

Recenter is er iets soortgelijks gebeurd met de jezuïeten. Toen in 1981 generaal overste Pedro Arrupe niet langer in staat was de Sociëteit te leiden, besloot de H. Johannes Paulus II niet Arrupes kandidaat, maar een eigen vertrouweling te belasten met de algemene leiding van de jezuïeten. Opzienbarend is dat niet, maar het riep onaangename herinneringen op. In de jezuïtische mythologie heeft deze keuze de gedaante gekregen van een soort martelaarschap van Arrupe, die voor en door de Kerk zou hebben geleden. In de mate het Opus Dei het oor had van Johannes Paulus II, verwerd dit tot een vrij vulgaire partijstrijd, waarbij de gedachtenis van Arrupe werd gebruikt om de eigen achterban te mobiliseren.

Toen paus Franciscus werd verkozen, volgde de ontlading. Het uur van de gerechtigheid (om niet te spreken van wraak) was aangebroken. In het bisdom Rome werd aan ijltempo werk gemaakt van een zaligverklaringsprocedure voor Arrupe, wat het mogelijk maakt hem als “Dienaar Gods” te presenteren – een slimmigheidje dat het Opus Dei destijds ook had gebruikt ten voordele van zijn stichter, vooraleer die zalig en later heilig werd verklaard. Dat provinciaal overste Jorge Maria Bergoglio het destijds niet zo hoog ophad met degenen die rond Arrupes gezondheidstoestand polarisatie wensten te creëren, is inmiddels vergeten.

Dat de Sociëteit er niet in slaagt haar historisch trauma van 1773, en de kleine herhaling ervan in 1981 te overstijgen, is zeer te betreuren. Een vriend van me beweert dat het hoogste eerbetoon dat de huidige jezuïeten aan hun stichter kunnen betuigen, erin bestaat zichzelf vrijwillig op te heffen. Of dat voor de Kerk een goede zaak zou zijn, betwijfel ik, maar het zou in lijn liggen met Ignatius’ mateloosheid.

 

Theodiscotropicalisme – of iets dergelijke

Hoed u voor comfortabele denkers, die u geen strobreed in de weg leggen, en die u met een vaag armgebaar even makkelijk kan afwijzen als omhelzen. Ze zijn waardeloos. Jammer genoeg is de omgekeerde beweging niet altijd even trefzeker, en bestaan er ook ongemakkelijke auteurs die waardeloos zijn. Gilberto Freyre is geen van hen.

Freyre, die opgroeide in het Brazilië dat zich tot republiek had gemaakt uit protest tegen de afschaffing van de slavernij door keizer Pedro II, was een van de heftigste critici van de rassenwaan in de eerste helft van de twintigste eeuw. Zijn lof van het mestiezendom maakte hem echter niet tot een transhumanist, maar hij plaatste zijn visie resoluut in historisch perspectief. Volgens Freyre, die tijdens een verblijf in Parijs grondig was beïnvloed door Charles Maurras, was het kenmerkend voor de Latijnse, en met name voor de Iberische kolonisatoren, dat zij de eigen cultuur niet zonder meer wensten te transponeren naar de tropen, maar daar een specifiek cultureel evenwicht nastreefden, dat het beste van hier en van daar bij elkaar bracht op een manier die geschikt was om beleefd en geleefd te worden in de buurt van de evenaar.

Die gave zou volgens Freyre te enen male ontbroken hebben aan de protestantse Britten en Nederlanders, maar bij uitstek gegeven zijn aan de Portugezen. Freyre noemde die specifieke vorm van doordacht kolonialisme het Luso-tropicalisme, en hij hanteerde het als een argument ter verdediging van Salazars koloniale politiek, tot wanhoop van diegenen die eens zijn bondgenoten waren geweest.

Freyres benadering herinnert op een sympathieke wijze aan die van een andere historicus uit de school van de Action Française, namelijk Philippe Ariès, een van de vaders van de Nouvelle histoire, die de fascinatie van de moderne historici voor de dagjespolitiek enkel kon misprijzen, en dan maar liever de geschiedenis van het echte dagelijkse leven voor zijn rekening nam. Daar vond Ariès de geschiedenis van de lange termijn, die ook Freyre gepassioneerd zocht. Alle sympathie ten spijt kunnen we echter niet ontkennen dat Freyres visie voorbij ging aan zo vele aanzetten tot Europees-tropische synthese van Nederlandsen huize.

De manier waarop het Nederlands een zustertaal liet opbloeien aan de Kaap is daar allicht de mooiste illustratie van – zo ver heeft zelfs het Portugees het niet geschopt. De Kaaps-Hollandse bouwstijl past in het zelfde rijtje, en wie de meubelkunst uit Insulinde bestudeert, maakt een oefening die als twee druppels water gelijkt op de oefening die Freyre zelf maakte over Braziliaanse meubels uit de Portugese tijd. De meest indrukwekkende illustratie is echter nog steeds het voortleven van de Indo-cultuur in Nederland. Lees het onvolprezen tijdschrift Moesson en ga kijken op de Tong Tong fair. U zal zien dat er werkelijk een Nederlands-tropische synthesecultuur bestaat, die een minder bevooroordeelde Freyre misschien had kunnen leiden naar de erkenning van een Nederlands-tropische cultuur, of in zijn vocabularium: het Theodiscotropicalisme.

GrootConstantiaHomestead

Landgoed Groot Constantia, een parel van Kaaps-Hollandse bouwkunst

Een vorstelijk beeld van de schrijver in zijn spiegel

Soms denk je mensen te kennen, en blijkt dat op een onverwachte manier te kloppen. Tjeerd Kapenga blijkt in het leven van de letteren Siard te heten, maar vindt het overbodig daarmee te koop te lopen. Na de Europese verkiezingen verlaat hij Brussel weer voor zijn geboortestad, en pas bij de voorbereiding van zijn afscheidsborrel gaven we er ons rekenschap van dat onze gelegenheidsmedewerker al schreef, lang voor er sprake was van Geheime Nederlanden.

Vijf jaar na het verschijnen van een boek nog recensies laten verschijnen is niet echt hip – maar als de onvolprezen “Uil van Minerva” dat mag doen, mogen wij minstens uw aandacht vragen voor deze merkwaardige tekst. We doen dat bijna zo bescheiden als Siard dat zelf zou doen.

“De vorst als spiegel” draagt als ondertitel “Een theorie van de monarchie voor de 21ste eeuw”. Een theorie naast andere, suggereert de auteur, en niet zozeer van, dan wel voor onze eeuw – zoals wij uiteindelijk ook niet van, maar wel in onze wereld leven.

In dat register is het religieuze ook meer aanwezig in het boek dan een letterlijke lezing doet vermoeden. Het is een filigraan in de bladzijden, dat niet geëxpliciteerd hoeft te worden om aanwezig te zijn. Is het daarom een pleidooi voor de monarchie naar goddelijk recht? Niet noodzakelijk, maar wel voor een monarchie die is afgestemd op de menselijke natuur, zoals die eens werd geschapen.

Het boek is zeker geen pleidooi voor een monarchie die zichzelf een absoluut karakter aanmeet. Integendeel, de relativiteit die de monarchie, zoals elk menselijk handelen eigen is, wordt omgebogen tot een sterkte. Omdat ze menselijk, al te menselijk is, kan de monarchie herkenbaar zijn op een manier die de toevalligheden van het dagelijkse leven te boven gaat. Niet deze of gene royal, zelfs niet Diana, maar Marie-Antoinette en Lodewijk XVI zijn archetypes die iets zeggen over de mens als moeder, of over de zwakke mens die de verantwoordelijkheid voor zijn handelen niet ontvlucht.

Opmerkelijk is ook Kapenga’s veroordeling van de zogenaamde Salische wet en van de identificatie van de vorst met een krijgsheer. Wie het traditionele denken vrouwonvriendelijkheid verwijt, verdient het als straf met Kerstmis een exemplaar van “De vorst als spiegel” cadeau te krijgen.

Allicht de meest opmerkelijke pirouette van Siard is de inzet van een onomstreden denker als Emmanuel Levinas als woordvoerder voor de traditionele monarchie. In een of ander obscuur geschrift vond hij indicaties van Levinas’ vroege sympathie voor het denken van Charles Maurras, en dat spoor heeft hij ernstig genomen. Te ernstig? Mogelijk, maar het feit dat een spoor niet verder werd ingeslagen, hoeft niet te betekenen dat het niet waard was geëxploreerd te worden.

Nu laat Siard Brussel achter zich, als een spoor dat niet verder geëxploreerd zal worden. Misschien biedt het nieuwe leven hem ruimte om de gedachten van zijn boek verder uit te werken? Het minste dat u tegen die tijd gedaan kan hebben, is ervoor zorgen dat u “De vorst als spiegel” gelezen hebt, en positie innemen tegenover Siards beeld van de monarchie.

Het ga je goed, Siard, in de bisschopsstad Leeuwarden, stad van Marijke Meu, die de lancering van onze blog begeleid heeft, en stad van Alexander Cohen, die andere merkwaardige Maurrassiaan die ons soms aan jou deed denken. Stuur ons gauw een nieuw Fries Cabaal, we hebben het nodig!

Vorst als spiegel

 

“De vorst als spiegel. Een theorie van de monarchie voor de 21ste eeuw” van Siard W. Kapenga verscheen in 2014 bij uitgeverij Aspekt in Soesterberg. Voor 113 bladzijden betaalt u 14.95 €. Het boek is nog steeds verkrijgbaar bij de uitgever of via bol.com.

Een bespreking van de hand van Herman de Dijn vindt u op: http://www.hermandedijn.be/viewpic.php?LAN=N&TABLE=PUB&ID=1798

Maria, gravin van Holland

Indien u zich zorgen maakt omdat u deze gravin niet meteen in de chronologie van het graafschap Holland kan onderbrengen, is daar een goede reden voor : ze ontkomt namelijk aan de chronologie. Het is de vorstin die wordt afgebeeld in het meest kenmerkende symbool van het voornaamste gewest van de oude Republiek, te weten in de Hollandse Tuin.

Als u die tuin gaat zoeken in Artis of in een ander park, mist u echter de helft van het verhaal. De Hollandse Tuin waarover wij het hebben, is afgebakend met een vlechtwerk van twijgen, en draagt het gewestwapen. In het midden ervan zetelt de Maagd van Holland, soms van de bijnaam Libertas voorzien, en in latere tijd al eens vervangen door de leeuw, die voorzien van een vrijheidshoed zijn canonieke plaats bij de ingang van de tuin heeft verlaten.

1280px-Heusden_-_Stadshaven_21_-_Gevelsteen_-_De_Hollandse_Tuin

Een wat bazige versie van de Hollandse Maagd in haar Tuin, op een gevelsteen in Heusden (Noord-Brabant)

Bij het begin van de negentiende eeuw werd aan het symbool van de Hollandse Tuin enige subversieve kracht, en wel in republikeinse zin, toegeschreven. Allicht is het ook daarom dat de Tuin geen burgerrecht kreeg in de symbolentaal van het nieuwe Koninkrijk, dat nochtans met veel geestdrift grabbelde in de beeldenton van de Zeven Provinciën. Vandaag vinden we de Hollandse Tuin amper nog terug in de officiële heraldiek, naar men lezen kan dragen enkel nog de gemeentewapens van Geertruidenberg en… Gent dit beeld. Dat laatste is dan een opvallend zuidelijk uitstapje voor een Hollandse leeuw.

Het is maar de vraag of alles wel is wat het lijkt. De als historicus al te bescheiden Pieter Jan van Winter (tijdens zijn Leidse studententijd was hij als kroegcommissaris bij Minerva iets minder onopvallend, wat hem de bijnaam “Dolle Piet” opleverde) beschreef al in 1957 met het mengsel van terughoudendheid en acribie dat hem kenmerkte de herkomst van de Hollandse Tuin. Die mag dan al sinds 1572 het wapen van de Staten van Holland gesierd hebben, inlands was hij in Holland zeker niet.

Het beeld van de omwalde tuin drong de civiele heraldiek binnen aan het einde van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw, en was in onze streken bijzonder schatplichtig aan het denken van Jean Molinet (1453-1507), decennialang een van de huisideologen van het Bourgondische hof. Hij lanceerde het idee van de “vergier de Bourgogne”, de Bourgondische boomgaard, waarin diverse planten- en dierensoorten samen konden leven. De tuin is dus geen plek van eigenheid, maar van lotsverbondenheid – en in die zin is de tuin der Zeventien Provinciën die Valerius’ Liedboek siert een stuk authentieker dan de later zo populaire Hollandse Tuin.

Molinets beeld verspreidde zich langzaam maar zeker door de Landen van herwaarts over. Bij de intrede van Karel V in Bergen werd de “jardin de Haynault” afgebeeld in een toneel, en ook in Antwerpen en Gent kreeg de tuin stadsrecht. In Gent viel dat des te makkelijker, omdat al sinds 1380 het beeld van de Maagd van Gent bekend was – en er banden te bespeuren zijn tussen de Tuin en de Maagd. Dat de Tuin in het Gentse stadswapen Hollands zou zijn, is dus bijzonder onwaarschijnlijk.

De afgesloten tuin wordt traditioneel in verband gebracht met een vers uit het Hooglied, waarin Salomon zijn bruid aanspreekt als “hortus conclusus” en “fons signata” – een besloten tuin en een verzegelde bron. Beide omschrijvingen zouden uitgroeien tot minder populaire, maar wel degelijk gevestigde benamingen van de Moeder Gods. In het hart van de besloten tuin, of die nu Hollands of Henegouws is, zit dus Maria, soms in het gezelschap van een eenhoorn, het symbool van de zonde, die door haar tot rust en rede wordt gebracht. De Maagd van Holland is dus de Maagd bij uitstek, Onze Lieve Vrouw, die niet op zolder, maar in de tuin thuishoort en daar haar plaats als gravin van Holland bevestigd ziet.

The_Mystic_Capture_of_the_Unicorn_(from_the_Unicorn_Tapestries)_–_467654

De Maagd en de Eenhoorn in een omwalde tuin

Met andere woorden: de Hollandse Tuin is bij uitstek een gemeenschappelijk symbool van de Nederlanden, en wel van de katholieke Nederlanden. Dat het in de heraldiek van het Koninkrijk geen plaats heeft gekregen, is dus dubbel jammer, omdat de regionaal-Hollandse en republikeins-regenteske subversie die men erin vermoedde, er helemaal niet in thuishoorde.

Het is wachten op heraldische tuinmannen van het slag van Van Winter om de Tuin zijn ware betekenis, en ook zijn populariteit terug te geven.

Op vraag van George Bergmann: handen af van Malena

Zoals vele lezers van Geheime Nederlanden, heb ook ik me bont en blauw geërgerd aan de manier waarop media en publieke opinie over elkaar heen liepen om de hagescholieren voor het klimaat te verheffen tot de eer der civiele altaren. De verleiding wordt dan soms groot om die ergernis te compenseren, wanneer een coryfee van deze bende uit haar rol valt, en leedvermaak te tonen. Andere dan culinaire verleidingen behoren echter weerstaan te worden, ook als dat moeilijk ligt.

Nu de coryfeeën in kwestie kinderen zijn, geldt dat in nog grotere mate. Ik kan me nu al voorstellen hoe beschaamd een aantal hagescholieren zullen zijn wanneer ze op hun huwelijksdag of vrijgezellenavond geconfronteerd worden met de verklaringen die ze ten aanzien van een of andere journalist hebben afgelegd op een schoolvrije donderdag – en vind dat een gepaste en proportionele straf. Hopelijk hebben hun ouders zich inmiddels al de vraag gesteld of dit allemaal wel wijs is. “Liberation now, education later” is de slogan die aan de basis ligt van een groot deel van de problemen van het actuele Zuid-Afrika. En eigenlijk is het verschil niet zo groot.

Toen de moeder van Greta Thunberg werd geciteerd als zou zij beweerd hebben dat haar dochter met het blote oog CO2 kunnen zien, werd dat bij velen op hoongelach onthaald. Naar verluidt zou dit hele verhaal teruggaan op een foute vertaling of een onvolledig citaat. Eigenlijk interesseert me dat niet. Zelfs als het citaat correct was, waren de reacties smaakloos en misplaatst. En daar zijn vier redenen voor.

Dat een ouder, en zeker een moeder, trots is op haar kinderen, volgt uit de natuurwet. Dat die trots soms wat overdreven vormen aanneemt, volgt uit de onvolmaaktheid van het menselijke wezen. Wie de dingen een plaats weet te geven, beperkt commentaar hierop tot een glimlach.

Dat kunstenaars domme dingen doen wanneer ze hun comfortzone verlaten, is een bekend fenomeen. Wetenschappers hebben trouwens dezelfde neiging, zeker wanneer zij rector geworden zijn. Een mezzosopraan een boek laten schrijven, is geen goed idee, en haar dan nog commentaar laten leveren bij andere onderwerpen dan muziek, is meestal enkel vanuit commercieel oogpunt interessant. Dat er blijkbaar een markt bestaat voor dit soort boeken, zegt meer over het boekenvak van vandaag dan over de kunstenaars die zich lenen tot dit soort exercities. Opnieuw is een reactie die de glimlach te boven gaat niet nodig.

Sveriges_nationaldag_3518_(27446746831)

Malena Ernman

Dat commentaren op dames nog steeds sneller de grens overschrijden dan commentaren op heren (en andere mannen) is een bekend feit. Ongelukkigerwijze klonken ook ditmaal kreten en uitroepen die eerder pasten in de bek van de sansculotten die Marie-Antoinette naar het schavot begeleidden dan in de mond van verdedigers van het Avondland. Onze eerdere ervaringen werden dus bevestigd: met een bepaald soort bondgenoten hebben de ijveraars voor het behoud van de Westerse beschaving geen vijanden meer nodig.

En ten slotte: van Malena Ernman blijf je af. Haar verdienste ligt op het muzikale vlak, en die is groot. Zij was bijvoorbeeld een van de eersten die muziek uit de Restauratietijd met gitaar- in plaats van pianobegeleiding opnam, en zo een klank herstelde die de voortschrijdende moderniteit ons ontnam. Vader Bergmann schreef in zijn gedenkschriften over de muziekcultuur onder Willem I:

“Arme gitaar! De lawaai makende piano heeft uw zacht gemurmel vervangen; thans bestaat gij niet meer tenzij als een herinnering uit het verleden. Welnu, al mocht men mij voor een nijdige laudator temporis acti uitschelden, ik wil u nog heden mijn hulde brengen en luidop verklaren dat ik uw verdwijnen diep betreur.”

Bergmann kon niet weten dat het moment zou komen dat het geluid dat hij zo miste, opnieuw te horen was. Vermits hij het niet meer kan doen, doen wij het in zijn plaats, en danken we mevrouw Ernman daarvoor. Zij heeft, allicht ongewild, bijgedragen tot een vorm van culturele restauratie, en dat is stukken belangrijker dan gelijk welke ongelukkige uitspraak die ze al dan niet gedaan heeft. Als ze al onvoorzichtig is geweest, is het gezelschap van deze laudator temporis acti een gepaste en proportionele straf.

BergmannGeorge Bergmann

Dewez, de veelgesmade

De hele discussie over de heropbouw van de Notre Dame riep oude herinneringen bij ons op. In december 2017 hadden we het hier al over de grenzen van de stijleenheid, en als we heel eerlijk mogen zijn, is het feit dat een torenspits werd ontworpen door Viollet le Duc voor ons eerder een argument om het ding niet, dan wel opnieuw op te bouwen. Anderzijds, als die heropbouw erger kan vermijden, zullen we niet nalaten met beide handen te applaudisseren.

Met de identificatie tussen gotiek, of erger nog neo-gotiek en oprecht christelijke bouwkunst hebben we het altijd moeilijk gehad. Is de Sint-Pieters in Rome dan geen getrouw beeld van de Moederkerk? Of de San Carlo van Borromini? Of Coeberghers basiliek in Scherpenheuvel?

Als er in de Zuidelijke Nederlanden een architect is die vaker het verwijt krijgt dat zijn bouwkunst niet aansluit bij de religiositeit van zijn opdrachtgevers, is dat wel Laurent Benoît Dewez (1731-1812). Dewez, afkomstig uit Petit-Rechain in het hertogdom Limburg, studeerde in Italië onder meer bij Vanvitelli en werd uiteindelijk hofarchitect van Karel van Lorreinen. Een groot deel van zijn opdrachten voerde hij uit voor de grote abdijen van onze landen, met name als architect van nieuwe abtskwartieren. Gembloers en Heylissem zijn daar mooie voorbeelden van.

Gembloux_(ancienne_abbaye_palais_abbatial_et_cour_d'honneur)

Het abtskwartier van Gembloers

Opheylissem_Ab3JPG

De abdij van Heylissem

Dewez stond overduidelijk in de traditie van de classicerende bouwkunst. Die stijlrichting wordt soms geassocieerd met Verlichting en Revolutie, maar die identificatie gaat slechts ten dele op. Het achternalopen van Grieken en Romeinen in de revolutietijd heeft meer weg van een pastiche van de werkelijk klassieke kunst, en het is allicht geen toeval dat een vooraanstaand theoreticus van het Franse neoclassicisme als Quatremère de Quincy zowel tijdens de Revolutie als na de Restauratie een heraut van de overgeleverde orde was. Zijn landgenoot Charles de Wailly, architect van het paleis van Laken, sloeg dan weer de andere richting in en ontpopte zich tijdens de eerste jaren van de Franse bezetting in de Zuidelijke Nederlanden als een talentvol kunstdief in bevolen dienst.

Ook aan Dewez’ opvattingen kan moeilijk getwijfeld worden. In tegenstelling tot zijn jongere broer Joseph, die zijn talent als architect in de Boheemse landen ging uitleven en jozefist werd, voelde Laurent Benoît zich thuis in de wereld van clerus en adel, waar zijn laagburgerlijke afkomst hem niet bij stoorde. Het is geen toeval dat zijn tegenstanders Fisco en Guimard hem in de laatste levensmaanden van Karel van Lorreinen wisten opzij te schuiven. Guimard was de man die de maçonnieke symboliek in het Warandepark bracht – als Dewez het park had mogen ontwerpen, zoals de bedoeling was, zou het er allicht anders hebben uitgezien. En Fisco was tijdens de Brabantse Omwenteling een geëxalteerd vonckist, die na de Franse inval voluit voor de collaboratie zou kiezen. Dewez was dan wijselijk uitgeweken naar Praag, waar hij zijn laatste grote werken kon verwezenlijken. Over zijn visie op de Brabantse Omwenteling hebben we minder informatie maar zijn broer Michel, een zilversmid met wij hij in goede verstandhouding leefde, stond in ieder geval achter het gedachtengoed van de statisten en ontwierp een penning ter ere van Hendrik van der Noot.

Wie wil voelen hoezeer de katholiciteit doorleeft in het werk van Dewez, moet maar eens een eucharistieviering bijwonen in de abdijkerk van Vlierbeek. Ook wanneer de liturgie niet bepaald inspirerend is, corrigeert de architectuur wat fout loopt of ontbreekt. Dewez’ classicisme bouwt voort op de meer klassieke tendensen in de barok, en staat uiteindelijke in continuïteit met de bouwmeesters van de Paltskapel van Karel de Grote in Aken, die ook de klassieke inspiratie niet versmaad hebben. Laat ons dat dan evenmin doen met zijn werk, want ook op de Dewez slaat het Wagnerwoord:

“Verachtet mir die Meister nicht!”

42590-Abdij_van_Vlierbeek_kerk_5

Abdij_van_Vlierbeek_-_Kerk

Tweemaal Vlierbeek

Stamslot of familieportret?

Je zou het niet verwachten, maar ook in kringen die de traditie een warm hart toedragen, sluimert het marxisme onder de tafel. Zonder te goochelen met begrippen als suprastructuur en infrastructuur, heeft het historische materialisme zijn posities ingenomen. Een van de meer verspreide waanwijsheden uit die stal is de bewering dat het met de traditionele elites is misgelopen, zodra zij de stabiliteit van het onroerende patrimonium lieten lopen voor de vluchtigheid van het roerende.

Bij die stelling valt wel wat op te merken. Vooreerst viel het nog wel mee met die stabiliteit van het onroerende patrimonium. Het beeld van het stamslot dat van generatie naar generatie werd overgedragen en eeuwenlang in een zelfde familie bleef, is minder courant dan wordt verondersteld, en geldt zeker niet voor het onroerende patrimonium in het algemeen. Het volstaat de geschiedenis van een willekeurige heerlijkheid in onze landen erop na te slaan, om te zien dat sommige goederen aan een ijzingwekkend hoog tempo werden overgedragen.

Overigens was de eigenaar van een stamslot vaak een reiziger, die slechts een deel van het jaar op de voorvaderlijke burcht verbleef. De rest van de tijd verbleef hij bij het leger, aan het hof of op een ander landgoed. De traditionele elites wisten een opmerkelijk evenwicht te vinden tussen geestelijke stabiliteit en lichamelijke mobiliteit, en waren vaak beter thuis in een ruime wereld dan degenen die vandaag koketteren met hun wereldburgerschap.

Ten slotte werd het in de loop der tijden perfect mogelijk onroerend patrimonium te gebruiken om afscheid te nemen van de traditie, ook in materiële zin. Hoeveel landgoederen zijn niet ontsierd omdat hun eigenaars ontdekten dat er onder de bodem grotere rijkdommen te vinden waren dan erboven? En als een kasteel als steengroeve werd gebruikt, gebeurde dat zelden buiten het weten of de instemming van de eigenaar.

Neen, geef mij dan maar de families die de roerende goederen koesteren die de huidige generatie in verbinding brengen met vorige generaties. Een relikwie van een familielid dat tot de eer der altaren werd verheven, een stapel documenten, een deel van een collectie boeken of schilderijen, maar vooral de familieportretten. De dwingende blik van de voorvader, en zeker de voormoeder, maken het de nakomelingen onmogelijk om te doen alsof zij de eersten van hun geslacht zijn. Als zij afwijken, zullen ze het niet onwetend doen. Zo’n blik heeft nog geen onroerend goed op een mens kunnen werpen.

454px-François_Joseph_Kinson_-_Portrait_of_Jeanne_Bauwens-van_Peteghem_-_WGA12190Jeanne Bauwens-van Peteghem door Frans Jozef Kinsoen (1770-1839)