Bij uitgeverij Verloren verscheen zonet de handelsuitgave van het Groningse proefschrift van Laurien Hansma. De titel “Oranje driften. Orangisme in de Nederlandse politieke cultuur 1780-1813” wekt de indruk dat er weer eens een modieuze discoursanalyse zit aan te komen, waarbij sympathie voor het huis van Oranje wordt verklaard door een slecht verteerd oedipuscomplex of iets dergelijks. Niet daarvan. Hansma heeft zich ingelaten met ouderwetse deugden, zoals daar zijn archief-, pers- en literatuuronderzoek, en slaagt er op voortreffelijke wijze in een gezicht te geven aan degenen die in de woelige periode na het herstel van Willem V prinsgezind waren en bleven.

Dat mocht ook wel, want auteurs als Van der Aa of Canter de Munck en activisten als Van Stralen en Witte Tulingh waren al zowat twee eeuwen in de schaduw gebleven – met een kleine uitzondering voor “Oranjeman Suideras”, die recent bij dezelfde uitgeverij op een biografie van Bert Koene mocht rekenen. De consensus bestond erin te erkennen dat het Hoge Huis in 1813 was teruggekeerd naar de Nederlanden, maar dat dit gebeurde om het programma van de patriotten uit te voeren – en dat was ook maar goed zo volgens de herauten van de Nederlandse versie van de “Whig interpretation of history”. De prinsgezinden tussen 1787 en 1813 werden bijgevolg per definitie oninteressant, want ofwel onverbeterlijke opportunisten, ofwel – en erger nog – al dan niet bewuste reactionairen.

Cornelis_van_der_Aa

Cornelis van der Aa door Reinier Vinkeles

Dankzij Hansma wordt dat beeld weggenuanceerd, en wordt duidelijk hoe de periode van binnenlandse of buitenlandse ballingschap net een bloeitijd was voor het orangistische verhaal, met dank aan de net eraan voorafgaande confrontatie met het meest gespierde patriottisme.

Wat daarbij misschien nog het meest interessante blijkt, is de vaststelling dat hopeloze zaken soms wel de meest levensvatbare zijn. Net in de nadagen van de Bataafse Republiek, toen de Russisch-Britse invasie in Noord-Holland was mislukt, stadhouder Willem V zijn aanhangers had bevrijd van hun eed van trouw en zijn zoon in Duitsland een toekomst zocht voor zijn geslacht, bleven verstandige lieden verzet plegen tegen “den tuimelgeest der tijden” (naar het woord van Tollius). Evenmin als Aimée de Coigny (Maurras’ mademoiselle Monk) konden zij legers lichten of kranten stichten, maar niemand kon ze beletten de ideeën waarin ze geloofden te verspreiden.

Dat deden ze overigens om de meest uiteenlopende manieren. De enen ondernamen de riskante mars door de instellingen, en namen naar het voorbeeld van Hendrik van Stralen regeringsverantwoordelijkheid op onder Schimmelpenninck of Lodewijk Napoleon. Anderen bleven hovelingen van het ongeluk, en uitten hun loyaliteit aan Oranje door geen enkele aanstelling te aanvaarden – en er evenmin voor gevraagd te worden. Allen droegen ze ertoe bij dat de herinnering aan het Huis bleef leven. En net op het moment dat de tegenstanders van de Prins meenden dat die herinnering louter historisch was geworden, keerde Willem terug naar Scheveningen, naar de plek waar zijn vader achttien jaar eerder het land had moeten verlaten.

Zolang mensen de herinnering levend en geëerd willen houden, leven de Geheime Nederlanden. Ook vandaag.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s