Clémence en Félicie, twee beelden van de legitimiteit

Een kleine maand na Waterloo, allicht niet toevallig op 14 juli 1815, misdroeg een horde Franse militairen zich op de manier die zo kenmerkend is voor verslagen en ongedisciplineerde legers. Het verschil was dat de slachtoffers van dit wangedrag geen inwoners van door Frankrijk bezette gebieden waren (die waren er op dat moment al even niet meer), maar wel Franse burgers, die het ongeluk hadden een stad te bewonen die de reputatie had de revolutie geen warm hart toe te dragen. Op de place Bellecour, in het hart van het oude Lyon, werden de woningen bestormd van degenen die het hadden gewaagd bij de eerste Restauratie van de Bourbons hun vreugde te tonen door feestverlichting of het hijsen van de vlag met de lelies. Alweer op de manier die eigen is voor muitende soldateska, koelden de Bonapartegezinde troepen hun woede bij voorkeur op uitingen van cultuur, zoals muziekinstrumenten, kunstwerken of verfijnde meubels.

Een van de slachtoffers van de Lyonese muiterij was Clémence de Sermézy, een 48-jarige weduwe die niet onverdienstelijk was als beeldhouwer. Ze had het vak geleerd van haar stadsgenoot Chinard, die een zachte variante van het neoclassicisme was toegedaan, op veilige afstand van het kille heroïsme van de geliefkoosde beeldhouwers van de revolutietijd. In haar landhuis in Charentay richtte ze enkele vertrekken in met eigen werk, vaak portretten van de vrienden die ze moest missen tijdens haar verblijf op het land. Gedurende de winters in de stad verzamelde ze de mensen die haar dierbaar waren in haar salon, ook nadat het zo had geleden onder de plundering van 1815. Tot de vaste gasten behoorde onder meer Pierre-Simon Ballanche, de filosoof van de wedergeboorte na de revolutionaire woelingen.

Révoil_-_Propertia_-_sous_les_traits_de_Madame_de_Sermézy

Clémence de Sermézy afgebeeld door haar stads- en tijdgenoot Révoil

Evolueerde mevrouw de Sermézy mee met haar tijd? Ja en neen. De waan van haar tijd volgde ze niet, en ze was ongetwijfeld trots toen haar zoon in 1830 werd afgezet als burgemeester van Charentay, wegens onvoldoende garanties van loyaliteit aan de usurperende Orléansclan. Tien jaar tevoren had ze voor één keer de huiselijke thematiek verlaten om een beeld te wijden aan de moord op de hertog van Berry, en zijn echtgenote af te beelden wanneer ze wordt getroost door de hertogin van Angoulême, de laatste overlevende van het gezin van Lodewijk XVI. Anderzijds is in haar latere werk onmiskenbaar invloed te merken van de zogenaamde troubadourstijl, die sommigen als een vroege fase van de romantiek beschouwen.

Met twee voeten in die troubadourstijl stond Félicie de Fauveau, een andere vrouwelijke beeldhouwer met dezelfde diepgewortelde legitimistische overtuigingen als de Sermézy. De Fauveau nam zelfs deel aan de vooralsnog laatste opstand van de Vendée, toen onder leiding van diezelfde hertogin van Berry de wapens werden opgenomen tegen Louis-Philippe en zijn pseudo-monarchie “millésime 1830”. Félicie de Fauveau zag na het iconoclasme van de revolutietijd geen andere mogelijkheid om de schoonheid te herstellen, dan zelf te gaan beeldhouwen. “Si tu refuses d’abandonner le passé, tu dois le recréer”, voegde een andersdenkende vriendin haar toe. Félicie maakte dat dilemma tot haar levenskeuze.

420px-Félicie_de_Fauveau

Félicie de Fauveau door Ary Scheffer

Die weg bracht haar in ballingschap naar Firenze, en leidde haar vormentaal naar eigenzinnige neo-middeleeuwse beelden. Net zoals de Sermézy bouwde de Fauveau voort op de troubadourstijl. Hun thematiek was met andere woorden allicht romantisch, hun wereldbeeld stond mijlenver van dat van Lord Byron of Lamartine.

Félicie_de_Fauveau_-_Monument_Bonnechose

Ontwerp door Félicie de Fauveau van een grafmonument voor Louis de Bonnechose, geboren te Nijmegen en op 20-jarige leeftijd gesneuveld in dienst van de hertogin van Berry te Montaigu (Vendée)

Tot 1934 bleef het kasteel van Charentay zijn oude glorie bewaren, hoewel het meermaals van eigenaar wisselde. De opeenvolgende eigenaars koesterden de inrichting die Clémence de Sermézy aan haar buitengoed had gegeven. Toen werden kasteel en inboedel openbaar verkocht, in afzonderlijke loten. Meerdere werken zijn sindsdien onvindbaar.

Félicie de Fauveau kreeg in 2013 een overzichtstentoonstelling in het Musée d’Orsay.

800px-Château_de_Sermezy                Het kasteel van Charentay vandaag

De taal van Dusnus

Op Tweede Kerstdag 1777 overleed Dorothy Pentreath, vijfentachtig jaar oud, in het vissersdorpje Mousehole, diep in Cornwall. Met haar stierf ook het Cornish uit als courant gesproken taal.

Het riedeltje dat het verleden nu eenmaal niet terugkomt, was niet besteed aan een jongere streekgenoot van Dorothy, Henry Jenner. In 1904 publiceerde hij zijn Handbook of the Cornish Language, met de expliciete bedoeling de verdwenen taal weer tot leven te wekken. Vandaag zeggen ongeveer 2000 mensen vloeiend Cornish te spreken, een kleine zeshonderd beschouwen de taal als hun voornaamste communicatiemiddel en zowat driehonderd zien zichzelf als moedertaalsprekers. Ook het Manx kan beschouwd worden als een verrezen taal, die uitstierf maar terugkeerde.

328px-Portrait_of_Dorothy_Pentreath_of_Mousehole_in_Cornwall_(4673319)

Dorothy Pentreath

Bij sommige lezers zal de naam van Jenner allicht een belletje doen rinkelen. Op 1 februari 2018 herdachten we King Charles the Martyr met een neolatijns vers van Jenner, die even hardnekkig was in zijn gehechtheid aan Cornwall met zijn taal en cultuur, als getrouw aan het huis Stuart en de legitieme troonopvolging.

Als er nog een taal is die naar de verrijzenis begeleid zou mogen worden, is dat zonder enige twijfel het West-Jiddisch. Je hoeft niet de hele weg te gaan met de Joodse orthodoxe anti-nationalisten die het gebruik van het Hebreeuws als taal van het dagelijkse leven en de politiek als een vorm van heiligschennis beschouwen, om het Jiddisch te koesteren. Al was het maar om haar muzikaliteit, verdient deze taal onze liefde. En ook omdat zij de familie der Germaanse talen verrijkt met een onverwacht geluid en een bijzondere traditie. Er is allicht geen diepere vorm van Wiedergutmachung te bedenken dan de taal van de Joodse bevolkingen in Noordwest Europa te respecteren en groeiruimte te geven.

Alleen vergeten we dat het Jiddisch zoals we dat vandaag kennen geamputeerd is van een van haar ledematen, het West-Jiddisch. En laat dat net de taal zijn die eeuwenlang het Joodse leven in de Lage Landen haar eigen stem gaf. De varianten van het Jiddisch die vandaag gesproken worden, ook in Antwerpen, zijn wezenlijk van Oost-Europese komaf. Zo wordt in degelijk orthodoxe kringen vaak Hongaars Jiddisch gesproken.

Het verdwijnen van het West-Jiddish is, in tegenstelling tot wat sommigen allicht denken, geen gebeurtenis van de twintigste eeuw. Toen op 31 januari 1886 de Friese opperrabbijn Baruch Bendit Dusnus overleed, was het afgelopen met het West-Jiddisch als preektaal in de Nederlanden, tot grote opluchting van Dusnus’ modernistische tegenstanders, binnen en buiten de synagoge. De acolieten van Mozes Mendelssohn en andere verlichte geesten hadden al lang gekozen voor “echte cultuurtalen” als Frans, Duits en zo nodig ook Nederlands boven het sociaal gestigmatiseerde “taaltje” dat in de weg stond van integratie en sociale klim.

402px-Voorgevel_van_de_voormalige_synagoge_te_Leeuwarden_-_Leeuwarden_-_20132790_-_RCE

De oude synagoge van Leeuwarden, waar opperrabijn Dusnus predikte in het West-Jiddisch

Alleen al om mensen als Dusnus te eren, die de eigenheid van religie en culturele tradities verdedigden in moeilijke tijden, maar ook om de Lage Landen te herstellen in hun veelheid aan nuances, valt te hopen dat ooit een Jenner van het West-Jiddisch zal opstaan.

Een zalige orangist – Mgr Victor Scheppers (1802-1877)

In februari schreven we over “Nassau-heiligheid” en de alom erkende deugden van de Luxemburgse groothertogin Maria Adelheid. Vandaag bewandelen we een ander pad dat afwijkt van de grijsgedraaide associatie tussen het Huis van Oranje en de hervorming.

In de geschiedschrijving van het orangisme na de muiterij van 1830 vallen meerdere fasen te onderscheiden. De eerste fase was die van de negatie. Er waren nooit orangisten geweest, zeker niet in onze stad, laat staan in onze familie. We zullen het straks nog hebben over een weinig smakelijk voorbeeld van die historiografie. In een volgende fase werd het orangisme gemarginaliseerd en gereduceerd tot een gelegenheidscoalitie tussen voltairiaanse papenvreters en ambitieuze zakenlieden uit de textielsector. Pas het standaardwerk van professor Els Witte Het Verloren Koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie 1828-1850 (2014) slaagde erin die beide karikaturen opzij te schuiven en duidelijk te maken hoe breed het verzet tegen de muiters in 1830 wel werd gedragen, tot in de kleinste dorpen van Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Luik en Luxemburg.

Ook in kerkelijke kringen werd de revolutie meer verworpen dan gedragen, in tegenstelling tot wat de mythe ons sinds de dagen van de droevige kardinaal Engelbert Sterckx ons wil doen geloven. Alleen al in Mechelen zag aartsbisschop de Méan met lede ogen de flauwe remake aan van de Luikse revolutie die hij in 1789 als coadjutor van de Prins-bisschop had meegemaakt. Kanunnik François de Nieulant de Pottelsberghe, eens het laatst benoemde lid van het nobele kapittel van Doornik, las in zijn nieuwe residentie dagelijks de scherpe analyses van zijn Luikse confrater Guillaume Moens, die geen spaander heel liet van de liberaal-katholieke romance met de revolutie. In Antwerpen hadden de lokale orangisten zelfs een officieuze aalmoezenier in de persoon van Petrus Willems, onderpastoor van Oevel. Willems’ pastoraal der getrouwen ergerde Sterckx dermate dat hij hem wegpromoveerde als pastoor van Balen-Hulsen. Als u niet weet waar dat ligt, hoeft u zich niet te schamen, u bent niet alleen.

Victor_Scheppers

Mgr Scheppers

Het is in dat Mechelse milieu dat Victor Scheppers opgroeide, een milieu dat niet meeliep in het doorbreken van de logische band tussen vroom katholicisme en principiële verwerping van de revolutie. Zijn vader was schepen van Mechelen onder Willem I en zijn oom J.F.X. Estrix was in dezelfde periode burgemeester en lid van de Tweede Kamer. Aan hun regeringsgezindheid viel niet te twijfelen. Dat vader Scheppers ook na 1830 lid van het stadsbestuur kon blijven, zegt meer over de invloed van het katholieke orangisme in Mechelen dan over een gebrek aan principes van Corneel Scheppers sr.

4879058471_3168c6d136_b

De woning van burgemeester Estrix in haar huidige staat

In de biografie die ene pater Nimal in 1906 aan Mgr Scheppers wijdde, is over dit alles niets te lezen. Integendeel, zelfs deze redemptorist slaagde erin om het aantreden van Paus Gregorius XVI, van Engelbert Sterckx en van Leopold van Saksen-Coburg als een gelukkige trilogie te beschouwen, die de voorwaarden schiep voor het werk van Mgr Scheppers. Sterker nog, Nimal (en sommigen met hem) suggereert dat Sterckx het beleid voerde dat zijn voorganger aartsbisschop de Méan uit angst en zwakte niet durfde te voeren, maar wel ondersteunde. Negatie, we wezen er al op.

De roeping van Mgr Scheppers was gevormd toen hij begin 1830, onder het koningschap van Willem I, het Mechelse seminarie binnenstapte. Aan politiek deed hij niet, maar zijn biotoop was die van het katholieke orangisme. Wij sluiten ons dus graag aan bij het gebed om zijn zaligverklaring te bekomen. Hij is uiteindelijk iemand van de familie.

Makkers, staakt uw wild geraas!

De dagen die ons het neologisme “blokkeerfriezin” opleverden, liggen al even achter ons, maar over de knecht van de emeritus-bisschop van Myra blijven de meningen verdeeld. Roetpieten, roetveegpieten en zwarte pieten in soorten en nuances verhitten de gemoederen. Recent werd blijkbaar een kliklijn geopend om al te donkere exemplaren in de knechtenbent van de Goedheiligman aan te geven.

Van ons hoeft deze lijn niet op enige melding te rekenen, maar eerlijk gezegd beginnen de stoottroepen van de échte zwarte Piet ons behoorlijk de keel uit te hangen. Want wie beweert dat de veerkracht van het christelijke Avondland afhangt van de pigmentatie van Piet, zou beter nog eens nadenken.

De fixatie op de knecht van de Sint leidt de aandacht af van de echte held van 6 december, namelijk Nikolaas van Myra, bisschop, heilige en wonderdoener. De bisschop die jonge meisjes een bruidsschat schonk om ze voor ontucht te behoeden. De heilige die krijgsgevangen christenstrijders bevrijdde uit heidense ballingschap. De prediker die waarschuwde voor het verkiezen van aardse goederen boven het eeuwige Goed. De patroon van de Orde van Nicolaas de Thaumaturg, in 1920 door generaal baron Wrangel ingesteld als hoogste onderscheiding in de Witte Legers.

 

Pyotr_Wrangel_1920_(large)

Pjotr baron Wrangel, opperbevelhebber van de Witte Legers in 1920, vermoord in Brussel in 1928

 

Als de discussie over Zwarte Piet ertoe leidt dat ze de aandacht afleidt van de religieuze boodschap van Sinterklaas, en het feest reduceert tot een commerciële bedoening waarin een gekke knecht de show steelt, hebben de “Kick out Zwarte Piet”-adepten om de verkeerde reden gelijk. In ieder geval is een samenleving die haar essentie enkel kan benoemen met behulp van schoensmeer duidelijk de pedalen kwijt. De roe voor wie niet beter kan!

Sinter-claes-saint-nicolas-dam800

Een provinciaal bij Richelieu

Het is een herinnering uit de kindertijd, die me dezer dagen niet wil loslaten. We reisden met onze ouders naar Italië, en stopten halfweg in een Provençaals landhuis, dat tot hotel was omgebouwd. Het kon een likje verf gebruiken, maar de wind in de platanen en de krekels zorgden voor een symfonie die amper kon worden verbeterd.

Ook aan tafel was er geen reden tot klagen. De eigenaars deden hun best om iedereen deelgenoot te maken in de geest van het huis, en boven de haard deed Philippe de Champaignes portret van Richelieu alles om te doen vergeten welke gewetenloos sujet de kardinaal wel was.

Cardinal-Richelieu

De heer des huizes had met de kardinaal enkel de vorm van zijn snor gemeen. Zijn huidskleur was merkelijker meer getaand, en zijn gelaatstrekken herinnerden aan de traditionele manier waarop Algerijnse spahi’s werden afgebeeld in de negentiende en vroege twintigste eeuw.

Pastel_26,_Algerian_Spahi,_Mohamed_Osman_from_Oran

Op een avond vroeg een andere gast waar de gastheer eigenlijk vandaan kwam. Hij kreeg niet het verwachte antwoord, het was noch Algiers, noch Constantine, noch Oran. “Je suis originaire de la province du Berry” antwoordde de man. Ik denk dat de beste vertaling is “Mijn wortels liggen in de provincie Berry”, in het hart van landelijk Frankrijk dus.

Niet de verwijzing naar deze of gene streek is het meest treffend in zijn antwoord, wel het feit dat hij zijn identiteit koppelde aan een structuur die sinds de dagen van de revolutie is afgeschaft. Niet het departement van de Cher, de Indre of de Loiret, wel de aloude provincie, waarvan de laatste hertog in 1820 laffelijk werd vermoord.

Als er vandaag wordt gekibbeld over integratie van nieuwkomers of over omvolking, denk ik graag terug aan de gastheer van toen, die in woorden en daden meer gestalte gaf aan de traditie van het land waarin hij woonde dan generatiegenoten wiens voorouders al veel langer ter plaatse waren. Traditie is een werkwoord, en gaat over het doorgeven van wat waardevol is. Dat de provincie Berry daartoe behoort, kan ik sinds veertig jaar niet meer vergeten.

 

Een discrete heer uit Lyon

Als er in Frankrijk een stad is met een grootburgerlijke katholieke traditie, zal het wel Lyon zijn. In de herensociëteit Cercle de l’Union heerst nog steeds de sfeer van de werkelijk sociaal bewogen, en dus paternalistische ondernemers die wel eens ironisch worden omschreven als de variante “Rooms, Rechts, Rijk”. Onderhuids leeft nog steeds de herinnering aan het bloedbad van 1793, toen de gematigd hervormingsgezinde stad werd belegerd door horden sansculotten – met meer dan tweeduizend doden, en de dure eed van Fouché dat de stad zelf met de grond gelijk zou worden gemaakt.

431px-(Le_Monument_religieux_des_Brotteaux_élévé_à_la_mémoire_des_victimes_du_siège_de_Lyon)

Het (eerste) monument voor de slachtoffers van de belegering van 1793

Lyon heeft niet de reputatie een intellectueel centrum te zijn, maar was wel de biotoop van een van de meest sympathieke figuren van de Franse intellectuele rechterzijde in de eerste helft van de twintigste eeuw. Antoine Lestra (1884-1963) was de geestelijke erfgenaam van decaan Lucien Brun, de vriend van de graaf van Chambord (de rechtmatige koning Henri V) die aan de basis stond van de juridische strijd tegen de antiklerikale republiek.

Ook Lestra was jurist en publiceerde onder meer over de onderwijswetgeving en de (beperkte) mogelijkheden om in de Derde Republiek ruimte te scheppen voor religieuze opvoeding. Het leeuwendeel van zijn oeuvre bestaat echter uit biografieën van heiligen en priesters. Zijn meest bekende werk is de postuum verschenen Histoire secrète de la Congrégation de Lyon (1967) waarin hij schildert hoe gedreven priesters en leken zorgden voor het overleven van het religieuze leven in de woelige tijden van de belegering tot de Restauratie. Het boek verscheen op initiatief van de redactie van het onvolprezen tijdschrift Itinéraires van Jean Madiran.

thumb_151_default_large

Hoewel Lestra in zijn jonge jaren meewerkte aan de Action Française, hield hij toch steeds enige afstand van de beweging van Maurras. Het primaat van de politiek was aan hem niet besteed, hij kende de hiërarchie van de waarden en plaatste het religieuze resoluut boven de politiek. Daarenboven was Lestra te diep geworteld in de legitimistische traditie om zonder bijgedachten te pleiten voor het “herstel” van een koning uit het huis Orléans. In 1946 voerde hij de pen voor prins Xavier de Bourbon, die toen net was teruggekeerd uit de nationaalsocialistische kampen. Onder de titel La république de tout le monde probeerden de prins en Lestra een nieuwe adem te geven aan de erfenis van de graaf van Chambord, namelijk een religieus geïnspireerd en sociaal bewogen traditionele monarchie.

Antoine Lestra was geen tafelspringer en geen tonredenaar. Hij ijverde voor het behoud van de monumenten van zijn stad, bezocht armen en zieken, publiceerde artikelen en hield toespraken. Zo verankerd als hij was aan zijn stad en zijn appartement      aan de oever van de Rhône, zo ruim was zijn blik, die inspiratie zocht in de liturgie van de geünieerde katholieken of in de oude Franse tradities die enkel in Québec bewaard waren gebleven. Het is goed de herinnering te koesteren aan discrete voorbeelden als Lestra.

Rankes gemoedsrust

Het ronden van de kaap van veertig heeft zo van die vervelende nevenverschijnselen. Als wordt gevraagd naar jonge lieden in de zaal, sta je spontaan op, om spoedig te merken dat je actie door de omstaanders als weinig geloofwaardig wordt beoordeeld. Meer en meer ontmoet je ook generatiegenoten die je er enigszins boosaardig op wijzen dat het standpunt dat je zonet met brio hebt verdedigd, niet helemaal in eenklank is met wat je placht te beweren als je twintig was. Als je de eigen schrijfsels van toen herleest, had dat erger gekund, maar het valt niet te ontkennen dat je de dingen vandaag anders onder woorden zou brengen.

Voortschrijdend inzicht? Ach wat. Het excuus van wie de continuïteit in het eigen levensverhaal vooral vervelend vindt, en niet liever zou hebben dan grote breuken in de eigen wereldvisie te ontwaren. Dat valt echter vaker tegen dan mee.

Vooral behoede de Heer ons echter voor het leeftijdsgebonden schoolmeesterschap, dat staat tot paternalisme zoals snobisme tot aristocratie staat. “Je zal nog wel ontdekken, jongeman…” En zelfs als dat zo zou zijn, wat doet het ertoe?

Leopold von Ranke, de vader van de wetenschappelijke geschiedschrijving, waarschuwde al voor het beoordelen van andere tijden vanuit de vooroordelen van de eigen tijd. Hij deed dat in manende termen: “Jede Epoche steht unmittelbar zu Gott” – en onttrekt zich dus aan het oordeel van de latere generaties. In het leven van personen is het niet anders: “Jedes Lebensstadium steht unmittelbar zu Gott”, en het is ongepast in het ouder worden een excuus te zoeken om het jongere zelf te gaan veroordelen of vergoelijken. Dat die zelfdiscipline ook gemoedsrust met zich mee kan brengen, is een gepaste compensatie voor de inspanning die ze vergt.

Stufenalter_01

Een volksprent over de levensfasen uit de tijd en het land waarin Ranke leefde

Jaroslav Durych – zonder evenknie

Van de Boheemse essayist en romanschrijver Jaroslav Durych (1886-1962) is – behoudens vergissing – nooit een werk in Nederlandse vertaling verschenen. Dat is bijzonder jammer, want als er een auteur uit Bohemen voor onze landen leerzaam is, zal hij het wel wezen. We behelpen ons dus met de Duitse en Engelse vertalingen van zijn teksten, in afwachting van een wat vlottere kennis van het Tsjechisch…

De renaissance van de Boheemse en Moravische nationaliteit wordt klassiek geassocieerd met het Tsjechoslovaakse intermezzo, en sujetten als Masaryk en Benes, de apothekers Homais van het lokale subnationalisme. Wij, en velen ter plaatse met ons, vergeten dat er nog een andere denktraditie bestond in die kroonlanden, namelijk een katholieke, barokke en adellijke traditie. Tegen alle modeverschijnselen in, probeerde Durych in het begin van de vorige eeuw weer gestalte te geven aan dat erfgoed. Dat hij het aandierf te betwijfelen of zijn land beter af was geweest met een protestantse zege in de Dertigjarige Oorlog, deed de halfopgevoeden van zijn generatie twijfelen aan zijn geestelijke gezondheid. In Praag iets positiefs zeggen over Tilly, de keizerlijke veldheer die geboren werd in Brabant, klonk al even iconoclastisch als in onze landen kanttekeningen plaatsen bij het diaboliseren van de hertog van Alva.

367px-Jaroslav_Durych_1930

Niet ten onrechte merkte Durych overigens op dat de Habsburgse overwinning bij de Witte Berg Bohemen had gered van de volkomen verduitsing – dat net hij na de verdrijving van de Sudetenduitsers in zijn novelle “Gods regenboog” zou pleiten voor verzoening met de verdrevenen, maakte duidelijk dat hij er een gewoonte van maakte op het foute moment zinvolle dingen te zeggen.

Ware Durych in de Lage Landen beter geïntroduceerd geweest, zou er ruimte zijn voor een boeiende dialoog. Daar en hier is de geschiedenis van land en taal, van Kerk en Rijk bron geweest van talloze spanningen, die makkelijk tot conflicten konden worden, maar veel rijker tot synthese konden worden gebracht. Daar en hier zijn kansen gemist om die synthese te verwezenlijken. Durych zocht ze, wij ook – met zijn hulp.

De angst voor de lege kleerkast

Niet enkel de dames onder ons overkomt het, ook een heer van stand staat wel eens voor zijn kleerkast met het onaangename gevoel dat hij niets heeft om aan te trekken. Stijlvolle vrijetijdskledij, bijvoorbeeld, het lijkt wel een contradictio in terminis. Keer op keer bekruipt je de verleiding inkopen te gaan doen in een Alpenland en terug te keren in een versgemaakte variante op de Trachtenmode.

15235227902_64aa85c2fa_c.jpg

Wat probleemloos kan in Oostenrijk of Beieren, is in de Lage Landen anathema. Links of rechts is er wel een werknemer van een Duits bedrijf die zich vertoont in iets Trachtenachtigs, maar hij heeft dan het excuus van het exotisme. Dat is niet iedereen gegeven.

Het blijft me soms verbazen dat geen enkele ontwerper de inval heeft gehad om inspiratie te zoeken bij de eigen traditionele klederdrachten van de Lage Landen. Bij nader toezien verbaast dat echter helemaal niet. We hebben onze klederdrachten opgesloten in de folklore. De witte kapjes uit de Hollandse vissersdorpen en de blauwe boerenkiel uit Brabant wekken enkel de lachlust op. Laatstgenoemde is overigens dermate verbonden met de muiterij van 1830, dat die lachlust volkomen terecht is. Enkel in Staphorst, het Asterixdorpje in Overijssel, lijkt de traditionele klederdracht nog wat stand te houden, maar eerlijk gezegd vind ik daar geen geschikte inspiratie in.

Staphorster_klederdracht_(04)

Dat ligt anders bij de oude Hindelooper klederdrachten. Een beetje couturier, met zin voor geschiedenis en innovatie, vindt hier een grabbelton aan motieven en beelden.

3640257627_5ea9d0c17c_n

Straks, in 2033, is het honderdvijftig jaar geleden dat Maria Dirkje Husser, de laatste inwoonster van deze Friese stad die dagelijks de traditionele klederdracht droeg, overleed. Wie durft het aan tegen die datum nieuw leven te schenken aan een oud gebruik – niet enkel in Hindeloopen, maar in al de Nederlanden?

De trouwe Walen van Prins Frederik

Geef een Vlaming vormen, en hij gaat er slordig mee om – behalve wanneer hij een primitief is. Een land dat er niet in slaagt een wapenschild van een vlag te onderscheiden, moet niet komen klagen wanneer het daar een prijs voor betaalt. Medelijden met vendelzwaaiers en IJzertorenbewoners moet u hier dus niet verwachten. Maar het misprijzen delen ze met degenen die het te pas en te onpas over collaboratievlaggen hadden, ongehinderd door enige historische kennis, en vaak met de tersluikse bedoeling te vermijden dat iemand in het eigen familieverleden zou gaan roeren.

Want collaboreren is door Zuid-Nederlanders wel vaker tot een van de schone kunsten verheven. Al in 1855 viel het kolonel Guillaume op dat zijn historiograferende landgenoten sinds 1815 ruimhartig papier hadden besteed aan het beschrijven van de exploten van de Belgen in dienst van het revolutionaire of keizerlijke Frankrijk, terwijl niemand het de moeite waard had gevonden na te gaan wat de loyale Waalse regimenten hadden uitgericht in diezelfde periode.

En die loyale regimenten waren er: de namen van Clerfayt, Ligne, Murray, Beaulieu en Latour stonden voor evenveel eenheden die met name in de romaanse delen van Zuid-Nederland rekruteerden, en tot in 1801 het Huis Habsburg trouw bleven dienen – eerst in eigen land, later in Duitsland en Italië. Uiteindelijk hadden ze zo lang ver van huis gevochten, dat het niet meer mogelijk bleek rekruten uit eigen land aan te trekken, en hun specificiteit verloren ging. Ze werden linieregimenten naast anderen.

Clerfayt, Karl Graf

Guillaumes boek vertoont alle kenmerken van een regimentsgeschiedenis, die individuele en collectieve vormen van dapperheid tot voorbeeld wil stellen. De grote achterliggende lijn, de loyaliteit, blijft zo wat onderbelicht. Toch komt het ons voor dat de strijd tegen het revolutionaire Frankrijk mee aan de basis heeft gelegen aan de loyaliteit aan het Huis van Oranje van menig officier. Met name in het regiment-Latour, dat geregeld vocht aan de zijde van Nederlandse eenheden, bleek dat gevoel voor te komen. Het is allicht geen toeval dat generaal François de Kerckhove uit Gent, een oud-officier van Latour, ook na 1830 in Nederlandse dienst bleef.

De mooiste illustratie van de gezamenlijke strijd van de Lage Landen tegen de geest van 1789 heeft helaas niet lang mogen duren. Op 14 november 1798 werd Prins Frederik van Oranje, jongere zoon van stadhouder Willem V, aangesteld als opperbevelhebber van de Oostenrijkse troepen in Italië. Tijdens de winter van 1798 op 1799 bereidde hij een groot offensief voor tegen de Fransen in Noord-Italië, maar het mocht niet zijn: in de nacht van 5 op 6 januari 1799 stierf de Prins aan moeraskoorts in Padua, betreurd door zijn hele leger. Tot dat leger behoorden ook de Waalse regimenten. Is het overdreven te denken dat daar een deel van de Oranjeliefde is ontstaan, die de trouwe officieren in 1815 in Waterloo, in 1830 in Brussel, in 1831 in Leuven en in 1832 in Antwerpen zo sierde?

Ring_met_portret_van_Willem_George_Frederik,_prins_van_Oranje-Nassau_Rijksmuseum_SK-A-4457.jpeg   Prins Frederik