Een wereldvreemde Vooroostenrijker

Elk oorlogsslachtoffer is er een te veel, elke ziel die Mars voor zich opeist is een aanfluiting van Gods schepping. Maar de dood van Dr Konrad Josef Heilig op 6 mei 1945 in de buurt van Belluno lijkt wel bedoeld te zijn om de zinloosheid ten top te drijven. Twee dagen voor het einde van de oorlog stierf een 38-jarige vader van vijf, tijdens een poging zijn eenheid terug te vinden, in een uniform dat hij om meer dan één reden verafschuwde: het was Duits en droeg het hakenkruis.

800px-Cimitero_Militare_tedesco_sul_Pordoi

Het oorlogskerkhof bij de Pordoipas, waar Konrad Josef Heilig zijn laatste rustplaats vond

Over dat symbool van barbarij had Heilig in 1936 een brochure geschreven, die hem voor altijd ongewenst had gemaakt in het rijk van Hitler en de zijnen. Hij ontzegde het hakenkruis zelfs de aanspraak op het kruis-zijn, maar omschreef het aan de hand van bronnen en documenten als een “gestileerde werveling” van Aziatische oorsprong, een symbool van chaos en anarchie.

Het was zeker niet Heiligs eerste aanvaring met de nazi’s, en ook niet zijn laatste. In 1937 publiceerde hij in de acta van de “Österreichische Akademie”, de legitimistische zomeruniversiteit in Salzburg, een lange bijdrage over de Rijksgedachte en Oostenrijk tot 1806. Voor Heilig was dit een ultieme gelegenheid om de combinatie van zijn vakkennis als mediëvist en zijn polemisch talent uit te leven, en duidelijk te maken hoe het Duizendjarige Rijk in het beste geval een slechte karikatuur van het “imperium christianum” van Karel de Grote kon zijn.

Wie was die Heilig, wiens historische werk verder vooral bestond uit uitgaven van oorkonden en studies over de interactie van het middeleeuwse Oostenrijk met Byzantium? Heilig beschouwde zichzelf als een kind van “Vorderösterreich”, de Habsburgse landen westelijk van Beieren, en dus niet als een Württemberger, laat staan als een Duitser. Na een verblijf in het seminarie van Freiburg im Breisgau ruilde hij de theologische studie in voor de historische, om meteen na zijn promotie onderzoek te gaan doen in Wenen. Daar werd hij ontdekt door Hans Zessner-Spitzenberg, een van de huisideologen van de legitimistische beweging, die ervoor zorgde dat de soms al te perfectionistische Heilig een vaste werkplek kreeg. Zessner nam hem namelijk mee in het zogenaamde Traditionsreferat, de dienst binnen de politieke eenheidsbeweging van de autoritaire standenstaat die Habsburgsgezinde Oostenrijkers aan de regering van de kanseliers Dollfuss en Schuschnigg moest verbinden.

Wien19_Ettingshausengasse001_2017-04-14_GuentherZ_GD_Zeßner-Spitzenberg_0874

Gedenkplaat voor Hans Zessner-Spitzenberg, Heiligs steun en toeverlaat in zijn Weense tijd

Met de bezetting van Oostenrijk door nazi-Duitsland in 1938 verdween natuurlijk dat kader. Gelukkig voor hem hoefde Heilig niet het lot van Zessner-Spitzenberg te delen, die meteen na de Anschluss werd afgevoerd naar Dachau en daar binnen de kortste keren het leven liet. Contraïntuïtief, zoals veel in het denken van Heilig, keerde hij terug naar Duitsland. Na een korte onderduiktijd werd hij als archivaris aangenomen door het aartsbisdom Freiburg. Hij schreef opnieuw over historische thema’s, en redigeerde onder meer een geschiedenis van het begrip “nationaal”, die in amper verbloemde termen de vloer aanveegde met de nationaal-socialistische dogma’s.

Toen de oorlog uitbrak, werd Heilig ondergebracht bij de marine. Hij kreeg zijn basisopleiding op het kasteel van Breda en werkte dan een tijdlang op de centrale administratie van de zeemacht in het Berlijnse Bendlerblock – waar in 1944 de voormannen van de reactionaire putsch tegen Hitler zouden worden omgebracht. Heilig was dan al verplaatst naar een ander garnizoen. Zijn laatste verplaatsing ging richting Italië – waar hij ook zijn graf vond.

Heilig was een doordrijver, een piet precies, een twijfelaar, en ongetwijfeld wereldvreemd. Die wereldvreemdheid behoedde hem ervoor mee te lopen in de stoet van waanwijsheden die de twintigste eeuw zo driftig achterna kon lopen. Met een scherpe pen en een opmerkelijke precisie verwoordde hij de beginselen van het imperium christianum, dat Europa groot had gemaakt. Zijn teksten waren niet aangepast aan zijn tijd, en daarom zijn ze nu nog het lezen waard.

Consecratiesonate

Zelf hoorde ik er maar eentje, en dan nog niet in optimale omstandigheden. Het was Allerheiligen, en we waren in Venetië. In een oude, wat verwaarloosde parochiekerk was de organist tijdens de preek nog snel een koffie gaan drinken in de bar aan de overkant. Hij kwam net op tijd terug om het doksaal op te snellen en de suonata all’Elevazione te spelen, terwijl de priester de Instellingswoorden uitsprak. Niet alleen de omstandigheden, ook het liturgische kader had iets onwezenlijks. Als het orgel wat luider ging spelen, moest ook de priester de stem verheffen om verstaanbaar te blijven.

Toch waren we getuige van een zeldzaam voortleven van een eerbaar fenomeen van religieuze cultuur. Van oudsher waren de katholieke liturgen bewust van de spanning tussen het onzegbare van de Transsubstantiatie en de versterking van dat dagelijkse mirakel die kon uitgaan van de muziek. Vocale muziek werd al spoedig ongepast geacht op het hoogtepunt van de H. Mis; een louter instrumentale ondersteuning werd echter niet alleen getolereerd, maar kon ook stevige adelbrieven voorleggen. In de meeste kerken nam die ondersteuning de vorm aan van zacht orgelspel. Bij plechtige vieringen waarin de Paus zelf celebreerde, waren het de koperblazers van de Pauselijke Nobelgarde die “un grave e melodiose concerto” lieten horen. Is het toeval dat de Nobelgarde werd afgeschaft in periode die ook het dieptepunt bleek te zijn van de liturgische verdwazing?

Bladerend in mijn muziekhistorische collectie vind ik de “Consecratiesonate” vooral terug in het Italië van de zeventiende en achttiende eeuw, met componisten als Girolamo Frescobaldi, maar ook de Romein Francesco Gasparini en de door Mozart zo bewonderde franciscaan en organist Giambattista Martini. Tot diep in de negentiende eeuw werd het genre in Italië beoefend, onder meer door de Noord-Italianen Giovanni Quirici en Vincenzo Petrali. In Frankrijk kende het genre eveneens succes, onder meer door de composities van Ignace Leybach, een Elzasser die organist werd in de kathedraal van Toulouse. Nadien lijkt het genre weggedeemsterd te zijn – althans dat vermoed ik, want een studie die naam waardig over het genre is me niet bekend.

De meest bekende Consecratiesonates zijn van de hand van Domenico Zipoli (1688-1726), een leerling van Allessandro Scarlatti, die na een jaar organist te zijn geweest aan de Gesù in Rome koos voor een verdergaand engagement in het spoor van Sint-Ignatius en zelf jezuïet werd. Hij werd naar de reducties in Paraguay gestuurd, waar hij zocht naar raakpunten tussen de Europese barokmuziek en de muzikale gevoeligheid van de lokale Guaranibevolking.

Zipoli_-_Sonate_d%u2019intavolatura

Een pagina uit Zipoli’s bundel met orgelwerk, inclusief twee werken “All’Elevazione”

Voor wie, zoals ik, een diepe allergie heeft ontwikkeld aan televisietoestellen is het in de huidige omstandigheden niet vanzelfsprekend zijn zondagsplicht te vervullen. De teksten van de zondag en de geestelijke communie zijn vanzelfsprekend een grote hulp. Maar tijdens het gebed bij de geestelijke communie komt pater Zipoli me even gezelschap houden met zijn “grave e melodioso concerto”. Evenmin als in Venetië zijn de omstandigheden optimaal. Net dan is elke hulp welkom.

De grote angst van baron de Thier

800px-Panorama_Jekerdal_en_Louwberg,_1836Zicht op de Jekervallei in 1836, met links kasteel Neerkanne

Met de visser op de voorgrond en de naïeve stijl van de tekening lijkt de Jekervallei in 1836 een oord van arcadische rust. Misschien voor velen, maar zeker niet voor de bewoner van het fraaie kasteel aan de linkerzijde. Vandaag is het kasteel van Neerkanne een gereputeerde eetgelegenheid, toen was zij de residentie van baron Ignace de Thier die op het ogenblik dat deze prent werd gemaakt, zijn zeventigste verjaardag zag naderen.

Een geruste oude dag werd baron de Thier niet gegund. Hij had één grote vrees, namelijk dat hij onder het gezag zou komen van het stelletje muiters dat in Brussel de plak zwaaide. Tussen koning Willem I en de opstandige provincies was het tot een soort drôle de paix gekomen, die ooit wel tot een vredesverdrag zou leiden.

In 1839 was dat ook werkelijk het geval, en baron de Thier zag al zijn angsten werkelijkheid worden. De nabijgelegen provinciehoofdstad Maastricht, die onafgebroken in koninklijke handen was gebleven, zou definitief toekomen aan Nederland, net als Limburg op de rechter Maasoever. Samen met de andere gemeenten van de linkeroever zou Kanne echter deel gaan uitmaken van het revolutionaire België, en dat zag de Thier niet zitten. Hij bewoog hemel en aarde en slaagde er uiteindelijk in het onmogelijke mogelijk te maken: de gemeente Kanne, die onder Frans bewind was ontstaan uit de fusie van Opkanne en Neerkanne werd weer uit elkaar gehaald, en Neerkanne bleef Nederlands. Baron de Thiers nachtmerrie was voorbij, hij kon gerust sterven als onderdaan van koning Willem, ook al deed het hem pijn dat zijn oudste zoon de kant van de muiters had gekozen. Toen hij in 1848 effectief overleed, regeerde koning Willem II en de Voorzieningheid gunde de baron te sterven in januari, vooraleer een maand later een nieuwe revolutiegolf Europa overspoelde.

De grote lijnen van het lot van Neerkanne in de nadagen van de muiterij van 1830 zijn genoeglijk bekend. Minder geweten is dat baron de Thier een uitgebreid palmares kon voorleggen als tegenstander van revoluties van alle slag. Als jongeman beleefde hij de opstand van de Luikenaars tegen hun prinsbisschop, Cesar-Constantijn van Hoensbroeck. De Thier had het niet zo hoog op met de revolutionairen, en over hem ging de mare dat hij in een vlaag van woede zijn jachtgeweer had leeggeschoten op een patrouille revolutionairen die poolshoogte kwam nemen in zijn dorp – gelukkig genoeg zonder veel erg voor alle betrokkenen. Bij de eerste Franse invasie emigreerde hij over de Rijn, maar toen de Fransen in 1795 ten tweeden male grote delen van de Nederlanden kwamen bezetten, verkoos hij het binnenlandse exil van zijn kasteel.

In de herfst van 1798, tien dagen voor de slag bij Hasselt die het einde van de Boerenkrijg zou inluiden, kreeg het kasteel van Neerkanne onverwacht bezoek. Vier ambtenaren en zes gendarmes wensten te weten wat er aan was van de geruchten dat de Thier het samenscholingsverbod aan zijn laars lapte en meerdere gasten had ontvangen op zijn kasteel. Het klopte. In het kasteel was een feest met een veertigtal genodigden aan de gang, waaronder notoire contrarevolutionairen en ondergedoken dienstplichtigen. De Thier verloor zijn koelbloedigheid niet, en beweerde geen idee te hebben of het samenscholingsverbod ook betrekking had op privéfeesten zoals het zijne.

Uiteindelijk volgde op 18 december 1798 een huiszoeking, die echter niets opleverde. De Thier werd wel gearresteerd, want er waren aanhoudende geruchten dat hij in de mergelgrotten onder en rond het kasteel een heus reservekorps voor het Boerenkrijgleger had ondergebracht. Bewijzen daarvan werden nooit gevonden, maar de Franse bezettingsoverheid vond het toch raadzaam de Thier naar Parijs over te brengen. Na een zestal maanden werd hij onverrichterzake vrijgelaten, en kon hij terugkeren naar Kanne. In 1807 werd hij burgemeester van zijn dorp, wat hij bleef tot 1818. In 1815 stemde hij als notabele voor de nieuwe grondwet. Ongetwijfeld dacht hij dat een nieuwe tijd van orde en welvaart begonnen was. Dat klopte, maar niet voor zo heel lang.

Als straks Nederlanders uit Noord en Zuid weer ongestoord bij elkaar op visite kunnen gaan, zullen we niet nalaten in Neerkanne het glas te heffen op de trouwe baron!

Eén keizer uit het Oosten – over Uriel Birnbaum

In 1955 bezocht de Oostenrijkse keizer Otto discreet de Lage Landen. Voor het te laat was wou hij nog een bezoek brengen aan een van zijn trouwste onderdanen, de eigenzinnige schrijver en schilder Uriel Birnbaum. Otto had het spoor van de kunstenaar teruggevonden naar aanleiding van een artikel dat het jezuïetenblad De Linie aan hem had gewijd. Amper een jaar later overleed Birnbaum, 52 jaar oud. Zijn inzet aan het Italiaanse front tijdens de Eerste Wereldoorlog en zijn onderduiken voor de vervolging van de nationaal-socialisten tijdens de Tweede waren hem uiteindelijk fataal geworden.

De nazi’s hadden meer dan voldoende reden om het op Birnbaum gemunt te hebben, die werkelijk alle gebreken had: hij was zowel Jood als legitimist. Natuurlijk waren de Birnbaums Joods. Vader Nathan stond aan de wieg van het culturele zionisme, dat toen nog geen imitatie van het Europese nationalisme van de negentiende eeuw was geworden. Toen dat wel gebeurde, bepleitte Nathan Birnbaum een terugkeer naar de wortels van de religieuze orthodoxie.

Zoon Uriel had niet de wetenschappelijke aard van zijn vader, maar een vurige kunstenaarsnatuur. Zonder enig complex verklaarde hij zichzelf antisocialist, antizionist, antipacifist en antiprogressief. In zijn opstel Volk zwischen Nationen verduidelijkte hij waarom naar zijn mening het Joodse volk enkel kon aarden in een imperium als dat van de Habsurgers. Toen dat imperium vervangen werd door een Alpenrepubliekje probeerde de invalide officier Birnbaum zijn collega’s te overtuigen de politiek van het voldongen feit af te wijzen en trouw te blijven aan hun eed op de keizer. Hij stond alleen met zijn “altösterreichische Einstellung”, die sindsdien niet afzwakte, maar jaar na jaar scherper werd. Was het dan toeval dat de eerste die een zelfstandig essay aan Birnbaums werk wijdde graaf Polzer Hoditz was, niet enkel een scherpzinnig kunstkenner, maar ook de laatste secretaris van de Zalige Keizer Karl?

Als Birnbaum iets was, was hij anti-utopist. Zijn tegengif tegen utopisme in al zijn vormen was het messianisme, dat hij beschouwde als respect voor Gods Schepping, ook in het onvolmaakte. In een essay over Mozes verduidelijkte hij zijn wereldvisie, die ernaar streefde de wereld te ordenen, zonder hem innerlijk te veranderen. Die visie was zijns inziens verloren gegaan in het Westen, dat was gaan zweren bij de maakbaarheid van mens en wereld. Het orthodoxe jodendom en de orthodoxe christenheid boden nog weerstand – ex oriente lux! Het oude Oostenrijk was voor Birnbaum dan ook een “voorpost van het Ware Oosten”.

Birnbaum

Birnbaums prent Masiras Nefesh illustreert een begrip dat hem dierbaar was – de totale zelfgave aan God, tot het martelaarschap toe. Let op zijn typische handtekening midden onderaan.

 

Met dergelijke standpunten kreeg Birnbaum weinig bijval. Op het einde van zijn leven was er nog één zonderling die hem een tribune bood, de priester en polemist Wouter Lutkie. Haast elke aflevering van diens maandblad Aristo bevatte in de vroege jaren vijftig een bijdrage van Birnbaums hand.

Of we zijn wijsheid gaan zoeken in die oude jaargangen of in zijn grafisch werk, doet er niet zoveel toe, maar het wordt wel tijd om keizer Otto’s spoor te volgen en Birnbaum weer op te zoeken.

Het Ultima Thule der oratoren

Bijna twee jaar geleden, eind april 2018, schreven we over de band tussen het Oratorium, in al zijn verschijningsvormen, en de Nederlanden, in al de hunne. Zoals alle stukjes op deze plek was ook dat stukje onvolledig – zij het dan van een onvolledigheid die we vandaag graag aanvullen.

Op 11 oktober 1634 verwoestte de Burckhardsvloed een groot deel van het Noordfriese waddeneiland Nordstrand. Demografisch en economisch was het eiland vernietigd, en grote delen werden definitief aan de zee prijsgegeven.

Wadden_-_Nordstrand

Ligging van Nordstrand aan de Noordzeekust

Pas in 1652 nam hertog Frederik III van Sleeswijk-Holstein-Gottrop het initiatief om een nieuwe inpoldering te wagen. De enige die gek genoeg was om de handschoen op te nemen, was een Nederlander, Quirinus Indervelden uit Dordrecht, die om zijn katholieke geloof naar de Zuidelijke Nederlanden was getrokken en er onder meer dijkgraaf van Oosterweel werd.

Indervelden mobiliseerde mensen en middelen, en slaagde er tegen alle verwachtingen in een technisch succes te maken van zijn roekeloze operatie. Financieel was zijn verhaal minder rooskleurig, en hij zag zich genoopt nieuwe financiers aan te trekken. Die vond hij vooral in de kringen van de oratorenhuizen in de Zuidelijke Nederlanden, die enthousiast investeerden, en ook een nieuwe missietaak voor zich zagen opduiken.

Nordstrand behoorde immers tot het noordelijke deel van Duitsland dat zo goed als geheel aan de zogenaamde reformatie was ten prooi gevallen. De wanhoop van Rome was zo groot dat ze zelfs geen bisdommen “in partibus infidelium” aanstelde op de teloorgegane zetels, maar het hoge noorden zonder meer tot missiegebied uitriep. Welnu, zo meenden de oratoren, laat ons dan missioneren. En spoedig werd op het herwonnen Nordstrand ook een katholieke kerk gebouwd, niet toevallig toegewijd aan de H. Theresia.

800px-20150412_103936_St._Thereasia_Nordstrand_Osterdeich

De Sint-Theresiakerk na haar herbouwing in de negentiende eeuw

Toen in 1723 het Utrechtse schisma ook binnen de rangen van de oratoren voor grote verdeeldheid zorgde, meenden de protestantse hertogen van Sleeswijk een slimme zet te doen door de Theresiakerk toe te wijzen aan de clerezij. De aandeelhouders van de polder en vele lokale gelovigen bleven de Moederkerk echter trouw, wat aanleiding gaf tot pijnlijke toestanden. Romegetrouwe gelovigen konden de H. Mis enkel nog in het geheim vieren. De schismatieke parochie bleef tot 1920 deel van het Oud-katholieke bisdom Utrecht en ging pas dan over naar de Duitse Oud-katholieke structuur.

Toen de Franse Revolutie en de daarop volgende invallen een einde maakten aan de bloei van de oratoren in de Zuidelijke Nederlanden, vluchtte menige pater naar Nordstrand. Een verstandige beslissing, want van de vijf oratoren van Scherpenheuvel, die niet vluchtten, kwamen er vier om in het bagno van Cayenne, waarnaar de vaandeldragers van vrijheid en gelijkheid hen verbannen hadden.

Wanneer de rust in Europa min of meer was hersteld, keerden de vluchtelingen terug naar hun vaderland, en zochten ze naar waardige opvolgers. Ze hoopten dat Nordstrand nu in omgekeerde richting een rol kon spelen als baken, en kon bijdragen tot een katholieke wedergeboorte in de Nederlanden, wie weet zelfs onder de vorm van een “Oratorium Belgicum”, zoals de Aartshertogen dat ooit hadden gedroomd.

Hun hoop verzandde in juridische en zakelijke discussies. In 1888 probeerde bisschop Höting van Osnabrück, onder wiens jurisdictie Nordstrand inmiddels viel, het verhaal van de eenzame Roomse voorpost in de wadden te reconstrueren. Twintig jaar voordien hadden de Romegetrouwen gelovigen eindelijk het recht gekregen een eigen kerk te bouwen en hun geloof openbaar te belijden. De tweejaarlijkse bedevaart naar Kevelaer die de parochie op Nordstrand onderhoudt, is een mooie herinnering aan het oratoriaanse verleden van deze plaats.

 

Een Gentse les in nederigheid

Naar verluidt zou onze ijdelheid dit aardse tranendal pas verlaten wanneer ons lichaam een uur gestorven is. De Vastentijd is dus voor gelovigen een goed moment om hun zelfbeeld wat bij te stellen – niet op de manier die de publieke opinie van hen verlangt, maar op de manier die de Heer van hen verlangt.

Gelovigen, zeggen we in het Nederlands. In het Frans kan je ook croyants zeggen, maar is fidèles toch couranter. Is fideliteit, trouw dan voorbehouden aan de dochters en zonen van de Kerk? Ik denk het niet – en maak graag gebruik van deze Aswoensdag voor een les in nederigheid.

Aan de Gentse Koperstraat bevindt zich een gebouw dat van buitenaf slechts opvalt door zijn lelijkheid en ogenschijnlijke verwaarlozing. Het is sinds 1835 de zetel van de loge Le Septentrion, die niet enkel in haar naam, maar ook in haar activiteiten de Franse taal gebruikt.

Gent_Loge_Septentrion

Een binnenzicht van Le Septentrion

Wat de Septentrion onderscheidt van de andere Gentse werkplaatsen, is haar langdurige verankering in het Zuid-Nederlandse legitimisme van de negentiende eeuw, beter bekend als het orangisme.

Na de muiterij van 1830 was de Septentrion een van de vijf loges die weigerde zich los te maken van de Nederlandse Grootloge onder het grootmeesterschap van Prins Frederik. Vanzelfsprekend weigerde zij ook toe te treden tot het in 1833 opgerichte Grootoosten van België. Hoe zou je zelf zijn…

Waar de vier andere werkplaatsen die weigerden toe te treden (in Doornik, Antwerpen, Verviers en Luik) echter een voor een op hun stappen terugkeerden, bleef men in Gent de oude orde trouw. Op elke bijeenkomst werd een heildronk uitgebracht op de Koning, en dat die Willem heette, was voor niemand een punt van discussie. Met enthousiasme zong men het loflied op grootmeester Prins Frederik, met als refrein “un vrai Maître est le fils d’un vrai Roi”. Dat er ook valse exemplaren bestonden, was een evidentie.

De bewaker van die trouw was zonder twijfel Hippolyte Metdepenningen, de geduchte orangistenleider, die in 1839 in zijn loge werd toegezongen met de volgende strofe:

 

Quand verrons-nous, libres de notre chaine,

Mon gai refrain sur le métier remis?

Cobourg présent voit augmenter la haine

Guillaume absent voit doubler ses amis !

O compagnons ! Pour nous quel jour superbe !

Où tout un peuple, ému d’un saint transport,

Lui prouvera qu’en dépit du proverbe

Les absents n’ont pas toujours tort…

 

Metdepenningen overleed in 1881 in het harnas : hij was nog steeds achtbare meester van Le Septentrion, en Le Septentrion maakte deel uit van het Grootoosten van Nederland. Amper een jaar later deden zijn broeders wat ze gedurende zijn leven nooit hadden aangedurfd: ze sloten zich aan bij het Belgische Grootoosten. Slechts vier broeders lieten hun verzet tegen deze beslissing notuleren. Was het uit eerlijke schaamte dat Le Septentrion in 1886 het voortouw nam voor de oprichting van Metdepenningens standbeeld voor het Gentse gerechtsgebouw?

Maar laat ons eerlijk wezen: welke groepering of sociëteit bleef in het Zuiden tot een halve eeuw na de muiterij haar trouw zo duidelijk belijden? En welke gelovige wist op dat moment nog welke Walpurgisnacht de revolutie van 1830 was geweest?

 

Nijmegen is Berlijn niet – helaas

In 1994 nam de hoogbejaarde Hubertina Cuijpers-Boumans met de lijst “Nederlandse Christen Democraten” deel aan de gemeenteraadsverkiezingen in Pyonyang aan de Waal, ook bekend als Nijmegen. Het behoudende karakter van haar programma leidde tot hoon en spot, met als toppunt haar gekke idee om het Valkhof weer op te bouwen.

Die burcht van de graven, later hertogen van Gelre, diende in de periode 1786-1787 als toevluchtsoord voor stadhouder Willem V en zijn gezin, toen het voor hem zelfs in de residentie te gevaarlijk werd door de invloed van de zogenaamde patriottenbeweging. Willem keerde echter terug naar ’s-Gravenhage, en menig patriot moest bijgevolg de wijk nemen naar Frankrijk. Vandaar keerden ze echter in de koffers van de bezetter terug, toen de legers van het Directoire de Verenigde Provinciën overweldigden. Willem kon zich in Engeland in veiligheid brengen, zodoende moesten de patriotten hun woede op een ander object koelen. Het Nijmeegse Valkhof werd afgebroken. Het lag er, en lag er goed.

Mevrouw Cuijpers mocht het niet meer meemaken, want ze overleed in 1995, maar in 2006 sprak een meerderheid van de Nijmegenaren zich in een volksraadpleging uit voor de realisatie van haar programmapunt. Het Valkhof moest heropgebouwd worden. Gedurende meer dan tien jaar wisten de tegenstanders van het project echter stokken in de wielen te steken, zodat in december 2018 werd besloten toch geen werk te maken van de heropbouw. De Franse barbaren van 1795 en hun lokale medewerkers kunnen gerust slapen op de plek waar ze zich bevinden – hun afbraakwerk lijkt voor de eeuwigheid gemaakt. Nu toch.

748px-Frans_de_Hulst_-_Gezicht_op_Nijmegen_met_het_Valkhof_-_1339_(OK)_-_Museum_Boijmans_Van_Beuningen

Het Valkhof in de vroege zeventiende eeuw

Toegegeven, tuinarchitect Johan David Zocher heeft zichzelf overtroffen bij de aanleg van een park op de plek waar eens de burcht stond. De heropbouw van het ene monument zou een ander monument dus schenden. Maar of dat argument het voornaamste was? Het meest opmerkelijke was alvast dat er geen betrouwbaar beeld was van de oorspronkelijke burcht, maar enkel van haar uitzicht in de zeventiende eeuw. Nou, en? Hoe betrouwbaar zijn onze inlichtingen over het uitzicht van de Notre Dame in de twaalfde eeuw? Dat soort historisch purisme is heilloos, en doet afbreuk aan het leven van een monument.

Dan had men in Berlijn minder scrupules. Tussen de vijftiende en de twintigste eeuw evolueerde het Stadtschloss aldaar van een markgrafelijke burcht tot een (neo-) barokke residentie. Brand, bombardementen en artillerieduels brachten het gebouw grote schade toe op het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar zoals steeds was de menselijke kwaadaardigheid een veel groter probleem voor het behoud van het patrimonium. De communistische machthebbers weigerden middelen vrij te maken voor de meest noodzakelijke herstellingswerken, maar van zijn kant weigerde het slot in te storten. Integendeel, in 1948 vonden er nog meerdere succesvolle tentoonstellingen plaats. In 1950 kondigde kameraad Ulbricht aan dat het slot afgebroken zou worden – op basis van een soortgelijke ideologie als die had geleid tot de afbraak van het Valkhof.

Ook in Berlijn waren er enkele zonderlingen die na de val van de Muur meenden dat het oude slot in zijn oude glorie hersteld kon en moest worden. De meest opvallende en de meest hardnekkige was de adellijke ondernemer Wilhelm von Boddien. Hij kreeg zijn zin: zonder al te veel acht te slaan op de roepers langs de weg, die eraan herinnerden dat de weg van geschiedenis niet kan worden omgekeerd en te pas en de onpas het woord “kitsch” lieten vallen, werd op 12 juni 2013 de eerste steen gelegd van het nieuwe slot. Vandaag nadert de heropbouw zijn einde. Hopelijk bezoekt op een dag nog eens een Nijmegenaar de Duitse hoofdstad, om er goede ideeën op te doen, en goede voorbeelden te vinden.

28829717335_e5bcc27f45_b

De werken aan het Stadtschloss naderen hun voltooiing

Luctor et emergo – Franciscus restauravit

Iets zegt me dat niet alle lezers van deze blog even uitbundig zijn over de uitlatingen en beleidslijnen van de huidige Heilige Vader. Hem als “hersteller” omschrijven, lijkt een vorm van oneigenlijk taalgebruik te zijn. Lijkt, want hij is het wel degelijk – en in grotere mate dan op het eerste gezicht opvalt. Zo onder meer als hersteller van het bisdom Middelburg.

Middelburg_Sint_Pieterskerk_1750

De Sint-Pieterskathedraal van Middelburg in haar nadagen

In de Annuario Pontificio, uitgave 2017, die begin 2018 verscheen, stond een tiental nieuwe titulaire bisdommen vermeld. Hoewel Paus Leo XIII al in 1882 deze terminologie instelde, blijft de omschrijving “in partibus infidelium” voor velen meer herkenbaar. Het betreft bisdommen die ooit regulier zijn opgericht en georganiseerd, maar die door de tijdsomstandigheden niet langer effectief werkzaam zijn. Nogal wat titulaire bisdommen bevinden zich in Azië en Noord-Afrika en herbergden bloeiende kerkgemeenschappen tot de islamitische verovering. Een kwarteeuw geleden kon het titulaire bisdom Partenia in Mauritanië zich zo verheugen in bijzondere belangstelling, toen de voormalige bisschop van Evreux, Jacques Gaillot, tot bisschop van dat oord werd aangesteld. Tot opluchting van de overgebleven lokale katholieken vestigde de man zich niet ter plaatse, maar het bestaan van het instituut “titulair bisdom” was weer gevestigd in de herinnering van wie het was vergeten.

Dat er titulaire bisdommen bestaan, is een uiting van het “legitimisme” van de katholieke Kerk. Niet de toevallige feiten zijn heersend, maar wel de gerechte aanspraken op lange termijn van een historisch gegronde situatie. Titulaire bisdommen zijn geen tekentafelfenomenen. Het betreft stuk voor stuk bisdommen die effectief hebben bestaan, maar door omstandigheden hun werking hebben moeten stopzetten. Voor het bestaan van een titulair bisdom is er dus steeds een historische realiteit als aanknopingspunt. Anderzijds volstaat het niet om vast te stellen dat een bisdom niet meer functioneert om het te verwijderen uit het grote overzicht van de Kerk. Toekomstig herstel uitsluiten, zou een zonde tegen de hoop zijn, die tot nader order nog steeds één der theologale deugden is.

Sinds 2018 zijn de Lage Landen de thuishaven van vier titulaire bisdommen. Het bisdom Ieper, opgeheven na de revolutionaire woelingen in 1801, werd in 1969 heropgericht als titulair bisdom en heeft sinds 2011 Mgr Jean Kockerols, hulpbisschop van het aartsbisdom Mechelen-Brussel als titularis. In hetzelfde jaar werd ook het bisdom Tongeren heropgericht als titulair bisdom. Momenteel is de zetel van Tongeren niet bezet. Dat is anders in Maastricht, heropgericht in 1971, met als huidige titularis Mgr Waldemar Stanislaw Sommertag, apostolisch nuntius in Nicaragua. En recent werd dus ook het bisdom Middelburg heropgericht als titulair bisdom, vooralsnog zonder titularis.

De effectieve geschiedenis van het bisdom Middelburg was erg kort. Het werd opgericht in het kader van de hervorming van de Nederlandse bisdommen die Paus Paulus IV onder inspiratie van de Leuvense theoloog Franciscus Sonnius doorvoerde in 1559. Enkel bisschop Nicolas van der Borcht kon zijn zetel effectief innemen, zijn opvolgers Van Strijen en de Rodoan werd dat belet door de protestantse machthebbers na de Opstand. In 1603 werd het bisdom al formeel opgeheven. Het territorium ressorteerde voortaan onder de Hollandse Missie en bisschop de Rodoan werd bisschop van Brugge.

381px-Bisschop_de_Rodoan_R01

Karel Filips de Rodoan, bisschop van Middelburg, later van Brugge

Dat het bisdom Middelburg werd heropgericht, was niet verwacht. Integendeel, na de Reformatie was er een praktijk gegroeid om de bisdommen die niet door islamitische, maar door protestantse overmacht ten onder waren gegaan, niet in titulaire vorm opnieuw op te richten, maar deel te laten uitmaken van grotere missiegebieden. Ook de secularisatie van een aantal prinsbisdommen in Duitsland in de revolutietijd gaf geen aanleiding tot de oprichting van titulaire bisdommen.

Met die praktijk heeft Paus Franciscus nu impliciet maar onmiskenbaar gebroken, en we kunnen ons daar enkel over verheugen. Middelburg verloor zijn bisschop, en ook de oude Sint-Pieterskathedraal werd afgebroken in de negentiende eeuw. Maar de hoop blijft. Het is nu wachten op de eerste titularis van het bisdom Middelburg. En natuurlijk ook op de heroprichting van het andere bisdom uit de Lage Landen dat bezweek onder de hervormingsvloed, namelijk Deventer (1559-1591). Die stad heeft als voordeel dat de oude Sint-Lebuïnuskathedraal nog steeds overeind staat. Waarop wacht U, Heilige Vader?

37754610971_1c0f5c7263_b

De Lebuïnuskerk van Deventer, ooit kathedraal van het gelijknamige bisdom

 

Tu solatium et refugium

Nog deze eeuw schreven “Louis en Odile”, alias G.L. van Lennep en Thomas Rap, de brievenroman “Stad en land”, een dialoog tussen een stadse neef en zijn stijlvolle tante op de buiten. De idylle tussen stad en land is er de laatste jaren niet op vooruit gegaan, en aan ogenschijnlijk onbenullige discussies zoals de vraag naar meer bankautomaten in de dorpen merk je dat er iets fundamenteel scheef zit in de verhouding tussen de grotere steden en hun ommelanden.

Kennen stad en land elkaar nog? Wie zou ze verbinden? Wie woont nog in de zomer op zijn buiten, ’s winters in de stad, en heeft in beide zijn vriendenkring, die hij een half jaar node mist? Het strikte territoriale denken van onze vrienden de jakobijnen maakte het onmogelijk dat mensen zowel in hun stedelijke als in hun landelijke omgeving betrokken werden in het lokale bestuur. Adieu dus, baron die burgemeester was op het dorp en gemeenteraadslid in de stad. Het resultaat was een uitstroom van bestuurlijk talent richting stad. Het plattelandsbestuur ging steeds meer lijken op de karikatuur die liberale stedelingen ervan hadden gemaakt.

Ook in omgekeerde richting sloeg de vervreemding toe. Ooit telden onze steden, groot, maar vooral ook klein een of meer refugiehuizen binnen hun muren. Strikt genomen waren ze voorzieningen voor tijden van gevaar, wanneer een klooster- of abdijgemeenschap niet langer veilig op het platteland kon verblijven door oorlog of muiterij. Ook in rustiger tijden vervulden ze echter een maatschappelijke rol van betekenis: ze fungeerden als het ware als de ambassades van het platteland in de stad. Ze vertegenwoordigden op permanente basis “de buiten” binnen de stadsmuren, zodat er in de stedelijke ruimte geen gelegenheid was voor het minimaliseren of tot karikatuur reduceren van de “buitenlingen”. Een statige woonst, waarin op quasi permanente basis mensen leefden die het platteland vertegenwoordigden, herinnerde eraan dat er ook een andere wereld was, met een eigen bestaansrecht en waardigheid.

Drie veeleer bescheiden voorbeelden mogen dit illustreren, namelijk het refugiehuis van de Oratoren van Scherpenheuvel te Diest, dat van de Ridders van Malta in Zoutleeuw en dat van de abdij van Baudelo in Hulst (van boven naar onder).

5494443797_0a4a0913de_b

7912571888_9990b73585_b

800px-Hulst_refugehuis_van_Baudeloo_18-06-2012_16-27-15

Met het oog op een vernieuwde reflectie over de dialoog tussen stad en land, zou het goed zijn het anekdotische karakter van de huidige geschiedschrijving over refugiehuizen te overstijgen, en te kunnen beschikken over een zo ruim mogelijke sociale en culturele geschiedenis van dit fenomeen in de Lage Landen. Het zou geen overbodige luxe zijn.

Achteruit!

Bij nogal wat herauten van de reactie valt er een scherpe spanning te merken tussen de kracht van hun overtuigingen, en de ironische zelfspot die zij aan de dag leggen. Een kleinmeester in dat genre was Jan Nolet de Brauwere van Steeland (1815-1888), een Rotterdammer die zich in Brussel had gevestigd en met Gezelle wedijverde in de verwerping van de “stupide dix-neuvième siècle”, op een moment waarop die term nog niet was uitgevonden.

Met dezelfde zin voor zelfspot bieden we u als nieuwjaarswens enkele strofen aan uit Nolets gedicht “Achteruit” uit 1852.

Johannesnoletdebrauwerevansteeland.21.10.2011Jan Nolet de Brauwere van Steeland

 

Voorwaerts zij de stem der eeuw;
Achterwaerts! Ziedaer de mijne.
Hoe, door alledaegsch geschreeuw,
Logentael al waerheid schijne,
Haer bedriegelijke leus
Leide nooit mij bij den neus.
Neen, zoo lang me een snaer zal resten,
Speel ik moedig op de luit:
“De oude liedjes zijn de besten;
Goede vrienden, achteruit!”

 

Reeds als kind zijn wij verknoeid:
Wars van blijde en losse spelen,
Staen we, als wijsneus opgegroeid,
Ons en andren te vervelen,
Vast niet hooger dan een kruik,
Noemen we papa een pruik;
Wijze raed heet dwaes geleuter,
’t Voorwaerts maakt een open guit
Tot een drooge en stijve kleuter:
“Zoete kleintjes, achteruit!”

Zulk een Voorwaerts maekt mij bang;
’t Baert mij akelige droomen.
Liever ga ‘k den kreeftengang,
Dan in ’t wilde voort te stomen.
Wien dat hobblig dragen lust’,
‘k Hou van de ouderwetsche rust.
Liever stilstand bij den vrede
Dan vooruitgang door gemuit.
‘k Speel dat spelletje niet mede:
“Rustverstoorders, achteruit!”

Eer ’t uw vreedzaem heil verbruit,
Prent het vast in uw geheugen:
Al dat Voorwaerts deugt geen duit
(Lieve menschen!) wat moog deugen!
Brave burgers, houdt u stil:
Hoe een voorwaertsvogel wil’,
Honig om den mond u smeren,
Zingt mij na met kloek besluit:
“Booze gier met pauwenveren,
Listig roofdier, achteruit!”