Een zalige orangist – Mgr Victor Scheppers (1802-1877)

In februari schreven we over “Nassau-heiligheid” en de alom erkende deugden van de Luxemburgse groothertogin Maria Adelheid. Vandaag bewandelen we een ander pad dat afwijkt van de grijsgedraaide associatie tussen het Huis van Oranje en de hervorming.

In de geschiedschrijving van het orangisme na de muiterij van 1830 vallen meerdere fasen te onderscheiden. De eerste fase was die van de negatie. Er waren nooit orangisten geweest, zeker niet in onze stad, laat staan in onze familie. We zullen het straks nog hebben over een weinig smakelijk voorbeeld van die historiografie. In een volgende fase werd het orangisme gemarginaliseerd en gereduceerd tot een gelegenheidscoalitie tussen voltairiaanse papenvreters en ambitieuze zakenlieden uit de textielsector. Pas het standaardwerk van professor Els Witte Het Verloren Koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie 1828-1850 (2014) slaagde erin die beide karikaturen opzij te schuiven en duidelijk te maken hoe breed het verzet tegen de muiters in 1830 wel werd gedragen, tot in de kleinste dorpen van Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Luik en Luxemburg.

Ook in kerkelijke kringen werd de revolutie meer verworpen dan gedragen, in tegenstelling tot wat de mythe ons sinds de dagen van de droevige kardinaal Engelbert Sterckx ons wil doen geloven. Alleen al in Mechelen zag aartsbisschop de Méan met lede ogen de flauwe remake aan van de Luikse revolutie die hij in 1789 als coadjutor van de Prins-bisschop had meegemaakt. Kanunnik François de Nieulant de Pottelsberghe, eens het laatst benoemde lid van het nobele kapittel van Doornik, las in zijn nieuwe residentie dagelijks de scherpe analyses van zijn Luikse confrater Guillaume Moens, die geen spaander heel liet van de liberaal-katholieke romance met de revolutie. In Antwerpen hadden de lokale orangisten zelfs een officieuze aalmoezenier in de persoon van Petrus Willems, onderpastoor van Oevel. Willems’ pastoraal der getrouwen ergerde Sterckx dermate dat hij hem wegpromoveerde als pastoor van Balen-Hulsen. Als u niet weet waar dat ligt, hoeft u zich niet te schamen, u bent niet alleen.

Victor_Scheppers

Mgr Scheppers

Het is in dat Mechelse milieu dat Victor Scheppers opgroeide, een milieu dat niet meeliep in het doorbreken van de logische band tussen vroom katholicisme en principiële verwerping van de revolutie. Zijn vader was schepen van Mechelen onder Willem I en zijn oom J.F.X. Estrix was in dezelfde periode burgemeester en lid van de Tweede Kamer. Aan hun regeringsgezindheid viel niet te twijfelen. Dat vader Scheppers ook na 1830 lid van het stadsbestuur kon blijven, zegt meer over de invloed van het katholieke orangisme in Mechelen dan over een gebrek aan principes van Corneel Scheppers sr.

4879058471_3168c6d136_b

De woning van burgemeester Estrix in haar huidige staat

In de biografie die ene pater Nimal in 1906 aan Mgr Scheppers wijdde, is over dit alles niets te lezen. Integendeel, zelfs deze redemptorist slaagde erin om het aantreden van Paus Gregorius XVI, van Engelbert Sterckx en van Leopold van Saksen-Coburg als een gelukkige trilogie te beschouwen, die de voorwaarden schiep voor het werk van Mgr Scheppers. Sterker nog, Nimal (en sommigen met hem) suggereert dat Sterckx het beleid voerde dat zijn voorganger aartsbisschop de Méan uit angst en zwakte niet durfde te voeren, maar wel ondersteunde. Negatie, we wezen er al op.

De roeping van Mgr Scheppers was gevormd toen hij begin 1830, onder het koningschap van Willem I, het Mechelse seminarie binnenstapte. Aan politiek deed hij niet, maar zijn biotoop was die van het katholieke orangisme. Wij sluiten ons dus graag aan bij het gebed om zijn zaligverklaring te bekomen. Hij is uiteindelijk iemand van de familie.

Makkers, staakt uw wild geraas!

De dagen die ons het neologisme “blokkeerfriezin” opleverden, liggen al even achter ons, maar over de knecht van de emeritus-bisschop van Myra blijven de meningen verdeeld. Roetpieten, roetveegpieten en zwarte pieten in soorten en nuances verhitten de gemoederen. Recent werd blijkbaar een kliklijn geopend om al te donkere exemplaren in de knechtenbent van de Goedheiligman aan te geven.

Van ons hoeft deze lijn niet op enige melding te rekenen, maar eerlijk gezegd beginnen de stoottroepen van de échte zwarte Piet ons behoorlijk de keel uit te hangen. Want wie beweert dat de veerkracht van het christelijke Avondland afhangt van de pigmentatie van Piet, zou beter nog eens nadenken.

De fixatie op de knecht van de Sint leidt de aandacht af van de echte held van 6 december, namelijk Nikolaas van Myra, bisschop, heilige en wonderdoener. De bisschop die jonge meisjes een bruidsschat schonk om ze voor ontucht te behoeden. De heilige die krijgsgevangen christenstrijders bevrijdde uit heidense ballingschap. De prediker die waarschuwde voor het verkiezen van aardse goederen boven het eeuwige Goed. De patroon van de Orde van Nicolaas de Thaumaturg, in 1920 door generaal baron Wrangel ingesteld als hoogste onderscheiding in de Witte Legers.

 

Pyotr_Wrangel_1920_(large)

Pjotr baron Wrangel, opperbevelhebber van de Witte Legers in 1920, vermoord in Brussel in 1928

 

Als de discussie over Zwarte Piet ertoe leidt dat ze de aandacht afleidt van de religieuze boodschap van Sinterklaas, en het feest reduceert tot een commerciële bedoening waarin een gekke knecht de show steelt, hebben de “Kick out Zwarte Piet”-adepten om de verkeerde reden gelijk. In ieder geval is een samenleving die haar essentie enkel kan benoemen met behulp van schoensmeer duidelijk de pedalen kwijt. De roe voor wie niet beter kan!

Sinter-claes-saint-nicolas-dam800

Een provinciaal bij Richelieu

Het is een herinnering uit de kindertijd, die me dezer dagen niet wil loslaten. We reisden met onze ouders naar Italië, en stopten halfweg in een Provençaals landhuis, dat tot hotel was omgebouwd. Het kon een likje verf gebruiken, maar de wind in de platanen en de krekels zorgden voor een symfonie die amper kon worden verbeterd.

Ook aan tafel was er geen reden tot klagen. De eigenaars deden hun best om iedereen deelgenoot te maken in de geest van het huis, en boven de haard deed Philippe de Champaignes portret van Richelieu alles om te doen vergeten welke gewetenloos sujet de kardinaal wel was.

Cardinal-Richelieu

De heer des huizes had met de kardinaal enkel de vorm van zijn snor gemeen. Zijn huidskleur was merkelijker meer getaand, en zijn gelaatstrekken herinnerden aan de traditionele manier waarop Algerijnse spahi’s werden afgebeeld in de negentiende en vroege twintigste eeuw.

Pastel_26,_Algerian_Spahi,_Mohamed_Osman_from_Oran

Op een avond vroeg een andere gast waar de gastheer eigenlijk vandaan kwam. Hij kreeg niet het verwachte antwoord, het was noch Algiers, noch Constantine, noch Oran. “Je suis originaire de la province du Berry” antwoordde de man. Ik denk dat de beste vertaling is “Mijn wortels liggen in de provincie Berry”, in het hart van landelijk Frankrijk dus.

Niet de verwijzing naar deze of gene streek is het meest treffend in zijn antwoord, wel het feit dat hij zijn identiteit koppelde aan een structuur die sinds de dagen van de revolutie is afgeschaft. Niet het departement van de Cher, de Indre of de Loiret, wel de aloude provincie, waarvan de laatste hertog in 1820 laffelijk werd vermoord.

Als er vandaag wordt gekibbeld over integratie van nieuwkomers of over omvolking, denk ik graag terug aan de gastheer van toen, die in woorden en daden meer gestalte gaf aan de traditie van het land waarin hij woonde dan generatiegenoten wiens voorouders al veel langer ter plaatse waren. Traditie is een werkwoord, en gaat over het doorgeven van wat waardevol is. Dat de provincie Berry daartoe behoort, kan ik sinds veertig jaar niet meer vergeten.

 

Een discrete heer uit Lyon

Als er in Frankrijk een stad is met een grootburgerlijke katholieke traditie, zal het wel Lyon zijn. In de herensociëteit Cercle de l’Union heerst nog steeds de sfeer van de werkelijk sociaal bewogen, en dus paternalistische ondernemers die wel eens ironisch worden omschreven als de variante “Rooms, Rechts, Rijk”. Onderhuids leeft nog steeds de herinnering aan het bloedbad van 1793, toen de gematigd hervormingsgezinde stad werd belegerd door horden sansculotten – met meer dan tweeduizend doden, en de dure eed van Fouché dat de stad zelf met de grond gelijk zou worden gemaakt.

431px-(Le_Monument_religieux_des_Brotteaux_élévé_à_la_mémoire_des_victimes_du_siège_de_Lyon)

Het (eerste) monument voor de slachtoffers van de belegering van 1793

Lyon heeft niet de reputatie een intellectueel centrum te zijn, maar was wel de biotoop van een van de meest sympathieke figuren van de Franse intellectuele rechterzijde in de eerste helft van de twintigste eeuw. Antoine Lestra (1884-1963) was de geestelijke erfgenaam van decaan Lucien Brun, de vriend van de graaf van Chambord (de rechtmatige koning Henri V) die aan de basis stond van de juridische strijd tegen de antiklerikale republiek.

Ook Lestra was jurist en publiceerde onder meer over de onderwijswetgeving en de (beperkte) mogelijkheden om in de Derde Republiek ruimte te scheppen voor religieuze opvoeding. Het leeuwendeel van zijn oeuvre bestaat echter uit biografieën van heiligen en priesters. Zijn meest bekende werk is de postuum verschenen Histoire secrète de la Congrégation de Lyon (1967) waarin hij schildert hoe gedreven priesters en leken zorgden voor het overleven van het religieuze leven in de woelige tijden van de belegering tot de Restauratie. Het boek verscheen op initiatief van de redactie van het onvolprezen tijdschrift Itinéraires van Jean Madiran.

thumb_151_default_large

Hoewel Lestra in zijn jonge jaren meewerkte aan de Action Française, hield hij toch steeds enige afstand van de beweging van Maurras. Het primaat van de politiek was aan hem niet besteed, hij kende de hiërarchie van de waarden en plaatste het religieuze resoluut boven de politiek. Daarenboven was Lestra te diep geworteld in de legitimistische traditie om zonder bijgedachten te pleiten voor het “herstel” van een koning uit het huis Orléans. In 1946 voerde hij de pen voor prins Xavier de Bourbon, die toen net was teruggekeerd uit de nationaalsocialistische kampen. Onder de titel La république de tout le monde probeerden de prins en Lestra een nieuwe adem te geven aan de erfenis van de graaf van Chambord, namelijk een religieus geïnspireerd en sociaal bewogen traditionele monarchie.

Antoine Lestra was geen tafelspringer en geen tonredenaar. Hij ijverde voor het behoud van de monumenten van zijn stad, bezocht armen en zieken, publiceerde artikelen en hield toespraken. Zo verankerd als hij was aan zijn stad en zijn appartement      aan de oever van de Rhône, zo ruim was zijn blik, die inspiratie zocht in de liturgie van de geünieerde katholieken of in de oude Franse tradities die enkel in Québec bewaard waren gebleven. Het is goed de herinnering te koesteren aan discrete voorbeelden als Lestra.

Rankes gemoedsrust

Het ronden van de kaap van veertig heeft zo van die vervelende nevenverschijnselen. Als wordt gevraagd naar jonge lieden in de zaal, sta je spontaan op, om spoedig te merken dat je actie door de omstaanders als weinig geloofwaardig wordt beoordeeld. Meer en meer ontmoet je ook generatiegenoten die je er enigszins boosaardig op wijzen dat het standpunt dat je zonet met brio hebt verdedigd, niet helemaal in eenklank is met wat je placht te beweren als je twintig was. Als je de eigen schrijfsels van toen herleest, had dat erger gekund, maar het valt niet te ontkennen dat je de dingen vandaag anders onder woorden zou brengen.

Voortschrijdend inzicht? Ach wat. Het excuus van wie de continuïteit in het eigen levensverhaal vooral vervelend vindt, en niet liever zou hebben dan grote breuken in de eigen wereldvisie te ontwaren. Dat valt echter vaker tegen dan mee.

Vooral behoede de Heer ons echter voor het leeftijdsgebonden schoolmeesterschap, dat staat tot paternalisme zoals snobisme tot aristocratie staat. “Je zal nog wel ontdekken, jongeman…” En zelfs als dat zo zou zijn, wat doet het ertoe?

Leopold von Ranke, de vader van de wetenschappelijke geschiedschrijving, waarschuwde al voor het beoordelen van andere tijden vanuit de vooroordelen van de eigen tijd. Hij deed dat in manende termen: “Jede Epoche steht unmittelbar zu Gott” – en onttrekt zich dus aan het oordeel van de latere generaties. In het leven van personen is het niet anders: “Jedes Lebensstadium steht unmittelbar zu Gott”, en het is ongepast in het ouder worden een excuus te zoeken om het jongere zelf te gaan veroordelen of vergoelijken. Dat die zelfdiscipline ook gemoedsrust met zich mee kan brengen, is een gepaste compensatie voor de inspanning die ze vergt.

Stufenalter_01

Een volksprent over de levensfasen uit de tijd en het land waarin Ranke leefde

Jaroslav Durych – zonder evenknie

Van de Boheemse essayist en romanschrijver Jaroslav Durych (1886-1962) is – behoudens vergissing – nooit een werk in Nederlandse vertaling verschenen. Dat is bijzonder jammer, want als er een auteur uit Bohemen voor onze landen leerzaam is, zal hij het wel wezen. We behelpen ons dus met de Duitse en Engelse vertalingen van zijn teksten, in afwachting van een wat vlottere kennis van het Tsjechisch…

De renaissance van de Boheemse en Moravische nationaliteit wordt klassiek geassocieerd met het Tsjechoslovaakse intermezzo, en sujetten als Masaryk en Benes, de apothekers Homais van het lokale subnationalisme. Wij, en velen ter plaatse met ons, vergeten dat er nog een andere denktraditie bestond in die kroonlanden, namelijk een katholieke, barokke en adellijke traditie. Tegen alle modeverschijnselen in, probeerde Durych in het begin van de vorige eeuw weer gestalte te geven aan dat erfgoed. Dat hij het aandierf te betwijfelen of zijn land beter af was geweest met een protestantse zege in de Dertigjarige Oorlog, deed de halfopgevoeden van zijn generatie twijfelen aan zijn geestelijke gezondheid. In Praag iets positiefs zeggen over Tilly, de keizerlijke veldheer die geboren werd in Brabant, klonk al even iconoclastisch als in onze landen kanttekeningen plaatsen bij het diaboliseren van de hertog van Alva.

367px-Jaroslav_Durych_1930

Niet ten onrechte merkte Durych overigens op dat de Habsburgse overwinning bij de Witte Berg Bohemen had gered van de volkomen verduitsing – dat net hij na de verdrijving van de Sudetenduitsers in zijn novelle “Gods regenboog” zou pleiten voor verzoening met de verdrevenen, maakte duidelijk dat hij er een gewoonte van maakte op het foute moment zinvolle dingen te zeggen.

Ware Durych in de Lage Landen beter geïntroduceerd geweest, zou er ruimte zijn voor een boeiende dialoog. Daar en hier is de geschiedenis van land en taal, van Kerk en Rijk bron geweest van talloze spanningen, die makkelijk tot conflicten konden worden, maar veel rijker tot synthese konden worden gebracht. Daar en hier zijn kansen gemist om die synthese te verwezenlijken. Durych zocht ze, wij ook – met zijn hulp.

De angst voor de lege kleerkast

Niet enkel de dames onder ons overkomt het, ook een heer van stand staat wel eens voor zijn kleerkast met het onaangename gevoel dat hij niets heeft om aan te trekken. Stijlvolle vrijetijdskledij, bijvoorbeeld, het lijkt wel een contradictio in terminis. Keer op keer bekruipt je de verleiding inkopen te gaan doen in een Alpenland en terug te keren in een versgemaakte variante op de Trachtenmode.

15235227902_64aa85c2fa_c.jpg

Wat probleemloos kan in Oostenrijk of Beieren, is in de Lage Landen anathema. Links of rechts is er wel een werknemer van een Duits bedrijf die zich vertoont in iets Trachtenachtigs, maar hij heeft dan het excuus van het exotisme. Dat is niet iedereen gegeven.

Het blijft me soms verbazen dat geen enkele ontwerper de inval heeft gehad om inspiratie te zoeken bij de eigen traditionele klederdrachten van de Lage Landen. Bij nader toezien verbaast dat echter helemaal niet. We hebben onze klederdrachten opgesloten in de folklore. De witte kapjes uit de Hollandse vissersdorpen en de blauwe boerenkiel uit Brabant wekken enkel de lachlust op. Laatstgenoemde is overigens dermate verbonden met de muiterij van 1830, dat die lachlust volkomen terecht is. Enkel in Staphorst, het Asterixdorpje in Overijssel, lijkt de traditionele klederdracht nog wat stand te houden, maar eerlijk gezegd vind ik daar geen geschikte inspiratie in.

Staphorster_klederdracht_(04)

Dat ligt anders bij de oude Hindelooper klederdrachten. Een beetje couturier, met zin voor geschiedenis en innovatie, vindt hier een grabbelton aan motieven en beelden.

3640257627_5ea9d0c17c_n

Straks, in 2033, is het honderdvijftig jaar geleden dat Maria Dirkje Husser, de laatste inwoonster van deze Friese stad die dagelijks de traditionele klederdracht droeg, overleed. Wie durft het aan tegen die datum nieuw leven te schenken aan een oud gebruik – niet enkel in Hindeloopen, maar in al de Nederlanden?

De trouwe Walen van Prins Frederik

Geef een Vlaming vormen, en hij gaat er slordig mee om – behalve wanneer hij een primitief is. Een land dat er niet in slaagt een wapenschild van een vlag te onderscheiden, moet niet komen klagen wanneer het daar een prijs voor betaalt. Medelijden met vendelzwaaiers en IJzertorenbewoners moet u hier dus niet verwachten. Maar het misprijzen delen ze met degenen die het te pas en te onpas over collaboratievlaggen hadden, ongehinderd door enige historische kennis, en vaak met de tersluikse bedoeling te vermijden dat iemand in het eigen familieverleden zou gaan roeren.

Want collaboreren is door Zuid-Nederlanders wel vaker tot een van de schone kunsten verheven. Al in 1855 viel het kolonel Guillaume op dat zijn historiograferende landgenoten sinds 1815 ruimhartig papier hadden besteed aan het beschrijven van de exploten van de Belgen in dienst van het revolutionaire of keizerlijke Frankrijk, terwijl niemand het de moeite waard had gevonden na te gaan wat de loyale Waalse regimenten hadden uitgericht in diezelfde periode.

En die loyale regimenten waren er: de namen van Clerfayt, Ligne, Murray, Beaulieu en Latour stonden voor evenveel eenheden die met name in de romaanse delen van Zuid-Nederland rekruteerden, en tot in 1801 het Huis Habsburg trouw bleven dienen – eerst in eigen land, later in Duitsland en Italië. Uiteindelijk hadden ze zo lang ver van huis gevochten, dat het niet meer mogelijk bleek rekruten uit eigen land aan te trekken, en hun specificiteit verloren ging. Ze werden linieregimenten naast anderen.

Clerfayt, Karl Graf

Guillaumes boek vertoont alle kenmerken van een regimentsgeschiedenis, die individuele en collectieve vormen van dapperheid tot voorbeeld wil stellen. De grote achterliggende lijn, de loyaliteit, blijft zo wat onderbelicht. Toch komt het ons voor dat de strijd tegen het revolutionaire Frankrijk mee aan de basis heeft gelegen aan de loyaliteit aan het Huis van Oranje van menig officier. Met name in het regiment-Latour, dat geregeld vocht aan de zijde van Nederlandse eenheden, bleek dat gevoel voor te komen. Het is allicht geen toeval dat generaal François de Kerckhove uit Gent, een oud-officier van Latour, ook na 1830 in Nederlandse dienst bleef.

De mooiste illustratie van de gezamenlijke strijd van de Lage Landen tegen de geest van 1789 heeft helaas niet lang mogen duren. Op 14 november 1798 werd Prins Frederik van Oranje, jongere zoon van stadhouder Willem V, aangesteld als opperbevelhebber van de Oostenrijkse troepen in Italië. Tijdens de winter van 1798 op 1799 bereidde hij een groot offensief voor tegen de Fransen in Noord-Italië, maar het mocht niet zijn: in de nacht van 5 op 6 januari 1799 stierf de Prins aan moeraskoorts in Padua, betreurd door zijn hele leger. Tot dat leger behoorden ook de Waalse regimenten. Is het overdreven te denken dat daar een deel van de Oranjeliefde is ontstaan, die de trouwe officieren in 1815 in Waterloo, in 1830 in Brussel, in 1831 in Leuven en in 1832 in Antwerpen zo sierde?

Ring_met_portret_van_Willem_George_Frederik,_prins_van_Oranje-Nassau_Rijksmuseum_SK-A-4457.jpeg   Prins Frederik

Portus nostalgicus

We weten het allemaal, nostalgie is een slechte raadgever. Het verleden keert nooit meer terug. Achteruitkijken is zinloos, we moeten vooruit. Blablabla.

Anderen verkiezen het stedelijker Oostende of het meer mondaine Knokke, en dan wat vroeger in het seizoen. Geef mij maar Heist in de nazomer. Vanop het terras in mijn zijstraat zie ik rechts de polders, en links de haven van Zeebrugge, die me elke dag geruststelde dat de economie van de Lage Landen niet stil ging liggen tijdens de zomer. En dan denk ik aan die dappere Auguste de Maere, die zo vaak moet zijn uitgelachen met zijn neo-Middeleeuwse dromerijen.

De Maere was de zoon van de radicale orangistenleider uit Sint-Niklaas, Charles-Louis de Maere, die in 1832 het zoete Waasland verliet om zijn textielbedrijf over te planten naar Twente. In Enschede herinneren straten, pleinen en gebouwen aan zijn pionierswerk.

Schuttersveld',_voorgevel_-_Enschede_-_20071513_-_RCE

Villa Schuttersveld in Enschede, de woning van de de Maeres tijdens hun verblijf in Twente

Zoon Auguste keerde terug naar het Zuiden, en werd actief in de Gentse politiek. Tegen de barbaren van zijn tijd in, ijverde hij voor het behoud van het Gravensteen, dat sommigen wensten af te breken. Toen hij naar Brugge verhuisde, zette hij zijn restauratieve arbeid voort, zij het op een ander vlak. De economische neergang van Brugge door het verzanden van het Zwin fascineerde hem, en telkens iemand hem vertelde dat dit fenomeen onomkeerbaar was, voelde hij ergernis. Een nieuw Zwin, een nieuwe verbinding van Brugge (en indirect ook Gent) met de zee werd zijn grote plan. Omdat het verleden niet voorgoed voorbij was, en achteruitkijken zijn bron van inspiratie was. Een inspiratieloos monument herinnert vandaag in Oostende aan de Maere, maar naast zijn realisatie kan niemand heen kijken.

Haven_van_Zeebrugge_-_panoramio

De Maeres droom werd werkelijkheid

Ook op andere vlakken nam de Maere het heden niet voetstoots aan. Zo bepleitte hij in 1891 – een kwart ironisch, driekwart ernstig – een huwelijk tussen koningin Wilhelmina en de Belgische troonopvolger, om de catastrofe van 1830 te herstellen. Dat daarbij de Belgische constitutionele orde, en het infame decreet-Rodenbach, dat de Oranjes te eeuwigen dage uitsluit van elke macht in de Zuidelijke Nederlanden, terzijde moest worden geschoven, deerde hem geen moment.

Brugge heeft zijn toegang tot de zee teruggekregen, de Zuidelijke Nederlanden zijn vooralsnog niet teruggekeerd onder het Huis van Oranje. Geef ons dus gerust wat meer de Maeres.

Camille_Charles_Auguste_baron_de_Maere_d'Aertryke_(1826-1900)

Auguste de Maere, inspirator

Drie dagen, die een wereld van verschil maken

Het droeve lot van Federico Garcia Lorca is u allicht bekend, en werd eerder deze week terecht in herinnering gebracht. Als een opstand voor het heil van de natie ertoe leidt dat de creatieve krachten van diezelfde natie voor een vuurpeloton worden gebracht, op weg naar een plek in een massagraf, veroordeelt die opstand zichzelf.

Het lot van Jose Maria Hinojosa is u allicht minder bekend. Vandaag is het 83 jaar geleden dat hij, met zijn vader en zijn broer, voor een vuurpeloton werd gebracht, op weg naar een plek in een massagraf, drie dagen na Garcia Lorca. Zijn moordenaars behoorden tot een anarchistische “arbeidersbrigade” en meenden dat er in het klassenloze Spanje geen plaats was voor landeigenaars, zeker niet van carlistischen huize. In Toledo, zo vertelt Roy Campbell, werd iedereen die meer dan twee mensen tewerkstelde als huispersoneel door de Roden opgesloten, in afwachting van executie. Kwestie van neutrale en niet-discriminerende criteria te hanteren.

Met de dood van Hinojosa verdween een van de boeiendste vertegenwoordigers van het Spaanse surrealisme van het toneel, een vriend van Dali en Miro die de écriture automatique en de droomduiding een plaats gaf in de Spaanse letteren. Vermits hij de foute politieke keuzes maakte, kon zijn naam echter geen plaats krijgen in de officiële anthologieën, noch in de lijsten van slachtoffers van de Franquistische barbarij, nu het andere barbaren waren die hem vermoord hebben.

Jose_María_Hinojosa_Lasarte

We zullen Jose Maria Hinojosa in stilte herdenken, en zijn gedichten herlezen, zoals die “Sencillez”

 

Eenvoud

 

De vingers van de sneeuw

Trommelen

Op de tamboerijn

Van de ruimte.

 

Wolkenparabolen

Vormen een halo

Van kristal

Op de besneeuwde berg.

 

Een lijn

En een vliegtuig.

 

Ik wil mijn blik werpen

In de ruimte alleen

Die eenvoudig is

En tegelijk complex.