Een lijkstoet in Maastricht

Zoals Frans Hogenberg eeuwenlang het beeld van de Tachtigjarige Oorlog heeft bepaald, deed Reinier Vinkeles dat met de Patriottentijd. Een van Vinkeles’ meest intrigerende prenten speelt zich af in mijn adoptieve vaderstad, Maastricht. Het is een avondlijke begrafenisstoet van een voornaam persoon – te merken aan de lange rij karossen. De fakkeldragers dragen bij tot de grimmige sfeer, die enkel wordt gemilderd door het speelse hondje op de voorgrond.

opnamedatum 12-08-10
Begrafenis van Yves de Maillebois door Reinier Vinkeles

 

Zo voornaam de overledene toen was, zo vergeten is hij vandaag. Zijn naam? Yves-Marie, markies van Maillebois, voormalig luitenant-generaal van de legers van de Franse koning, voormalig gouverneur van Dowaai, erelid van de Koninklijke Academie der Wetenschappen, ridder in de Orde van de Heilige Geest – maar ook generaal der infanterie van de Verenigde Provinciën en gouverneur van Breda.

Soms leest men dat de begrafenis van Maillebois plaatsvond terwijl Maastricht werd belegerd door de Franse revolutionaire troepen. Maillebois zou deel hebben uitgemaakt, of zelfs bevelhebber zijn geweest van de Franse koningsgetrouwe emigranten, die onder bevel van prins Frederik van Hessen-Kassel succesvol het hoofd boden aan de sansculottenlegers. Maillebois overleed echter op 14 december 1791, terwijl het beleg van Maastricht pas begon op 6 februari 1793.

Wat deed Maillebois dan in Maastricht, en wat bezielde een hoge officier in Franse dienst om naar Nederland te trekken? Om die vraag te beantwoorden, moeten we twee fases in zijn leven onderscheiden.

Yves de Maillebois werd geboren in 1715 als zoon van een Maréchal de France. Onder vaderlijke leiding ontdekte hij het militaire leven, en vocht in Italië, Spanje en Duitsland tijdens de oorlogen van Lodewijk XV. Tijdens de Zevenjarige Oorlog raakte hij betrokken in een weinig verfrissend conflict met maarschalk d’Estrées, dat hij meende te moeten uitvechten door middel van een pamflet. Het leger, ook toen al la grande muette, apprecieerde deze vorm van vrije meningsuiting slechts matig en een militaire rechtbank veroordeelde Maillebois wegens laster tot arrest in een citadel.

Na zijn vrijlating had de ambitieuze Maillebois geen enkel perspectief meer op een verdere carrière in zijn vaderland en koos hij ervoor in Nederlandse dienst te treden. In 1784 had de hertog van Brunswijk ontslag genomen uit al zijn functies, onder druk van de patriotse opinie. Willem V zocht een ervaren militair die boven de binnenlandse partijstrijd stond, en vond die op Pruisisch en Frans advies in Maillebois.   Deze lichtte een eigen legioen, dat de eindeloze discussies over de versterking van het Staatse leger moest omzeilen. Financiële hindernissen, opgeworpen door de tegenstanders van de Stadhouder in de Staten-Generaal, beletten echter de uitvoering van zijn plannen.

georges-de-montbrison-lieutenant-a-la-legion-de-maillebois-1785-9792fd-640

Een luitenant van het vrijkorps van Maillebois in vol ornaat

Willem V waardeerde Maillebois’ advies en plannen voor legerhervorming, maar had niet het doorzettingsvermogen om die plannen ook te doen verwezenlijken. Maillebois werd weggepromoveerd als gouverneur van Breda. Hij bleef de Oranjes trouw, maar was realistisch in zijn inschatting van de situatie: in 1787 verklaarde hij zich bereid de leiding van de Prinsgetrouwe troepen op zich te nemen, op voorwaarde dat hij niet aan de Stadhouder, maar aan zijn echtgenote, prinses Wilhelmina, moest rapporteren.

In 1790 vinden we Maillebois terug in Parijs, waar hij een politiek-militair project tegen de revolutie leidde. Zijn ruime netwerk in Frankrijk en Europa liet hem toe uiteenlopende figuren als de constitutionele monarchist Mounier, de streng behoudsgezinde hertog van Artois en zelfs de zetelende minister van binnenlandse zaken Guignard de Saint-Priest bij zijn plannen te betrekken. Ook enkele Duitse vorsten lieten blijken mee te willen werken, maar andere Europese mogendheden lieten Frankrijk liever verrotten onder de invloed van de revolutionairen – niet beseffend hoe de modderstroom van de revolutie zich over geheel Europa zou verspreiden. Maillebois’ grote plan mislukte en hij keerde teleurgesteld terug naar de Lage Landen, waar hij overleed op 76-jarige leeftijd. Hij werd begraven in de Catharinakapel aan de Markt van Maastricht. Die kapel werd in 1809 ontwijd en later afgebroken.

Op de wikipediapagina over Maillebois’ medewerker de Prez de Crassier, die later diende in de Franse revolutionaire legers, staat te lezen dat hij naar Nederland trok om er de patriotten te ondersteunen. Zo ver leidt de revolutionaire verblinding blijkbaar, dat ze tot regelrechte geschiedenisvervalsing leidt. Maillebois was een rechtlijnige tegenstander van revolutie en anarchie – in zijn vaderland en in Nederland. Dat niet iedereen in zijn omgeving blijk gaf van dezelfde rechtlijnigheid, maakt Maillebois enkel groter.

De heiligheid van een kleine meester

Het zou overdreven zijn Nicolaas Ruyssen (1757-1826) uit te roepen tot een van de grootmeesters van de Vlaamse school. Vlaming was hij echter zeker, in de meest precieze zin van het woord, vermits hij werd geboren in Hazebroek. In de nadagen van de Oude Bedeling kreeg hij door de protectie van twee adellijke families de kans een tekenopleiding te volgen. Een ervan, de de la Basèques, ontfermden zich over hem wanneer hij terugkeerde van zijn studiejaren in Rome en een Frankrijk ontdekte dat hem tegenstond: intussen was immers de revolutie uitgebroken.

Die revolutie zou hem inhalen, vooraleer hij ze zelf op zijn beurt inhaalde. In 1793 staken de troepen van de infame generaal Vandamme het kasteel van de familie de la Basèque in Reningelst bij Poperinge in brand, waarbij een belangrijk deel van zijn bestaande oeuvre verloren ging. De familie en de huisvriend-schilder vluchtten naar de Verenigde Provinciën, waar de revolutionaire vloedgolf ze zou inhalen. Ruyssen koos voor een verblijf in Londen, waar hij een van de officieuze schilders van de emigrantengemeenschap werd, maar ook naam maakte bij de Engelse aristocratie. Met name zijn tekentalent was zeer gegeerd.

Nicolas-Ruyssen-peinture

Nicolaas Ruyssen

In tegenstelling tot vele anderen keerde Ruyssen pas terug naar zijn vaderland toen het koninkrijk werd hersteld. Verzoening met Napoleon was niet aan de orde voor de principiële kunstenaar die hij was. Na zijn terugkeer aanvaardde hij ook de minder aangename consequenties van zijn diepe overtuigingen. Hij werd onder meer lid van het gemeentebestuur van zijn woonplaats Moerbeke, waar ooit de predikheer Willem van Moerbeke werd geboren, die voor Thomas van Aquino Aristoteles naar het Latijn vertaalde en zijn aardse leven beëindigde als aartsbisschop van Korinthe.

Ruyssens grote project was echter het herstel van het kloosterleven in Frans-Vlaanderen, meer bepaald op de Katsberg, waar de Antonianen tot de revolutiedagen een vestiging hadden. De kans dat die orde terugkeerde, was onbestaand, zodat Ruyssen zijn fortuin en netwerk inzette om een andere orde aan te trekken. Een eerste poging met een meer pedagogische insteek, gedragen door de Broeders van de Christelijke Scholen, mislukte, maar in 1826 kwamen zes trappisten om gestalte te geven aan een werkelijk contemplatief project in de Westhoek.

Le-batiment-des-Antonins-face-Nord2

Het klooster van de Antonianen op de Katsberg

Ruyssens visie op wat moest gebeuren, was helder. Een project van herkerstening, in gesloten slagorde tegen revolutie en moderniteit, geworteld in de traditionele religiositeit van het oude Vlaanderen. De prediktaal moest dan ook het Nederlands zijn, niet het Frans.

Ruyssen overleed amper enkele maanden na de aankomst van de trappisten en werd in de abdijkerk begraven – een discrete lange neus aan de nieuwe orde van de revolutie, die kerken als begraafplaatsen verbood. Zijn project kwam spoedig onder druk te staan. Reeds in 1831 waren er discussies over het talige element van Ruyssens visie, en even later brak een groot conflict uit met de Kamerijkse aartsbisschop Louis Belmas, die zijn rechtlijnigheid al had bewezen door alle door de revolutie vereiste eden af te leggen Dat had hem het constitutionele bisschopsambt in het departement van de Aude opgeleverd. Belmas, intussen verplaatst naar Kamerijk, was trouwens een van de enige bisschoppen die tijdens de Honderd Dagen trouw zwoer aan Napoleon. In 1830 deed hij dat exploot nog eens over door enthousiast te reageren op de usurpatie van Louis-Philippe van Orléans.

Mont_des_Cats_-_Abbaye_du_Mont_des_Cats_-_Chapelle_1

De abdijkerk van de Katsberg, waar Ruyssen begraven werd

Kortom, geen figuur om geloofwaardig de erfenis van Ruyssen te beheren – maar wel iemand om te nemen wat hem niet toekwam. En dat gebeurde ook met de Katsberg, die onder diocesaan bestuur werd gebracht.

Of de Katsberg vandaag dichter aansluit bij de visie van Ruyssen of die van Belmas, moet u maar ter plaatse beoordelen. Dat de nieuwe abdijkerk in 1950 werd ingewijd door ene Angelo Roncalli, wekt niet bepaald vertrouwen.

Ruyssens getuigenis houdt echter stand. Het is artistiek, cultureel en religieus. Het is rechtlijnig zonder eenzijdig te zijn. Ook al is hij niet tot de eer der altaren verheven, wij vermoeden dat de Heer hem heeft onthaald met de woorden ‘Euge bone serve’.

48885562616_a0c6f455b2_bRuyssens woning in Godewaersvelde

Als Adam de Nobele Wilde vervangt

Er zijn niet zo heel veel dingen waarvan wij bijzonder diep overtuigd zijn. Een ervan is dat de vorm die het samenleven van mensen aanneemt, onverbrekelijk verbonden is met de essentie van de mensen die samenleven, inclusief de manier waarop mensen elkaars essentialiteit inschatten. Iets zegt ons dat in dat laatste relevante beweging is gekomen in de weken waarin we meer tijd thuis hebben doorgebracht dan ooit tevoren.

In de pre-coronatijd kende het duo vertrouwen/wantrouwen hoogtijdagen als code voor collectieve intermenselijke verhoudingen. De grotere gevoeligheid voor persoonlijke veiligheid en de gegroeide aandacht voor de gevolgen van alledaagse criminaliteit zouden ertoe geleid hebben dat mensen elkaar gingen wantrouwen. De maatschappelijke uitdaging zou er dan in hebben bestaan het vertrouwen te herstellen.

Het was soms aandoenlijk te zien hoe de zoektocht naar het herstelde vertrouwen gelijkenis ging vertonen met Rousseaus mythologie van de Nobele Wilde. Vele opiniemakers geloofden oprecht in de absolute noodzaak van een succesvol offensief van volksopvoeding. Dat moest ernaar streven eenieder te overtuigen van de ingeboren goedheid van zijn medemensen, zonder enige uitzondering.

M0354_1951-31-299-2_4

Nobele wilden op Hawaï, kort voor het overlijden van kapitein Cook

Dat de erfgenamen van Jean-Jacques hierin zouden meestappen, lag in de lijn van de verwachtingen. Ook in conservatievenland kende de mantra van het herstel van het vertrouwen echter onverwacht succes. ‘Vertrouwen’ werd dan ingevuld als een herinnering aan vergane tijden, die naar verluidt niet al te veel complicaties kenden. De komst van het trio dat Paul Ricoeur omschreef als ‘de drie meesters van het wantrouwen’, Marx, Nietzsche en Freud, zou die eenvoudige samenleving de kop hebben gekost. Wie het niet hoog ophad met deze heren, moest dus haar verdediging opnemen.

Een probleem van die aanpak (maar niet het enige) was dat ze binnen de kortste keren geamalgameerd raakte met de rousseauïstische visie, zodat men langs straten en pleinen verbaasd kon kijken naar conservatieven die zonder verpinken predikten hoe goed de menselijke inborst wel was. Wie de cocktail helemaal ondrinkbaar wou maken, kon nog een snuifje meritocratie toevoegen aan de ‘conservateur à la Jean-Jacques’. Mensen die andermans vertrouwen beschaamden, hadden onvoldoende inspanningen gedaan, en moesten daar maar de gevolgen van dragen. Wantrouwen had je aan jezelf te danken, maar ongetwijfeld was er wel ergens een coach die dat kon veranderen.

Dat van dit mensbeeld nog veel zal overblijven, lijkt niet erg waarschijnlijk. Sinds enkele weken zien we niet enkel wildvreemden, maar ook familieleden, buren en collega’s als potentiële haarden van besmetting. Dat is misschien niet bijster sympathiek, maar het behoort wel tot de realiteiten van het leven dat besmettingen worden overgebracht door medemensen, los van de vraag of die ons al dan niet lief zijn.

Vaarwel vertrouwen? Reken maar, al zijn we meteen ook een stap verder verwijderd van het meer hedendaagse equivalent van de Nobele Wilde, de “vrijheid in verantwoordelijkheid”. Het coronavirus schijnt vooral doorgegeven te worden vooraleer mensen ziek worden, en vooraleer ze beseffen drager van het virus te zijn. Gevaar en gebrek aan bewustzijn, en dus schuldloosheid, gaan met andere woorden samen. De besmettingsbronnen zijn dus gevaarlijk, maar niet boosaardig, en opvoeding doet daar weinig aan (al zouden we het liever anders hebben gehoord).

Rubens_Painting_Adam_EveDe zondeval door Rubens

Ongemerkt komen we weer in de buurt van het mensbeeld van het christendom, dat de kinderen van Adam en Eva getroffen weet door de Erfzonde, door existentieel kwaad, zonder dat daar persoonlijke verantwoordelijkheid bij komt kijken. Gisteren konden we ons daar niets bij voorstellen. Vandaag is het ons vreemd, maar beginnen we het weer te begrijpen. Misschien moeten we er dan morgen nog de nodige gevolgen aan verbinden.

 

De repatriëring van het vaderland

“Natùùrlijk is de liefde voor het vaderland cruciaal – het is het krachtigste gevoel dat de mens kent, na de liefde van ouders voor hun kinderen. En dat zeg ik niet, dat was Burke!” Voor mijn jonge gesprekspartner was het punt daarmee afgesloten. Edmundus locutus, causa finita.

Ook al was Edmund Burke geen opvolger van Petrus en dus niet onfeilbaar, toch raakt een verwijzing naar deze wijze Whig altijd een gevoelige snaar in me. Toch was ik ditmaal niet overtuigd, omdat er misschien geen logische, maar minstens een retorische contradictie te bespeuren viel in dit argumentum auctoritatis.

In ruim negen van de tien gevallen waarin ik word gewezen op het belang van de eigen traditie, gebeurt dat immers met verwijzing naar gezaghebbende auteurs uit het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Frankrijk of Duitsland. Ongetwijfeld zouden ook Italiaanse, Spaanse en Russische auteurs aangehaald kunnen worden, maar die worden kennelijk minder gelezen in onze contreien. Anders gezegd: het belang van inheemse tradities wordt in de regel bewezen aan de hand van uitheemse autoriteiten.

Omdat een slecht verstaander maar een kwart woord nodig heeft: geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt om de lectuur of het citeren van die auteurs aan banden te leggen. Het kost me geen moeite om te erkennen dat de wieg van de auteurs die het meest hebben bijgedragen tot de vorming van mijn denken, niet in de Lage Landen stond.

Portrait_of_Elias_Luzac_-_Lakenhal_Leiden

Elie Luzac

Naarmate de jaren vorderen, ontdek ik echter talloze landgenoten die volkomen vergeten zijn. Als is dat voor een aantal volkomen terecht, van anderen verbaast het me elke dag. Waarom wel Chateaubriand, en niet Groen van Prinsterer? Wel Edmund Burke en niet Elie Luzac? Wel Joseph de Maistre en niet Willem Bilderdijk ? Wel Benjamin Disraeli en niet George Willem Vreede? Is het misschien de sirenenzang van de vreemde vonden, waarover een geachte collega het recent op deze plek nog had?

portret-van-gw-vreede-hoogleraar-in-de-faculteit-rechtsgeleerdheid-aan-de-universiteit-6d29fb-1024

George Willem Vreede

Door onze Laaglandse auteurs te herontdekken, zou ons beeld van de eigen denkrichting rijker en genuanceerder worden. Het zou ook de aandacht richten op kleine maar significante verschillen, die de geschiedenis en tradities van onze streken kleuren, en dus ook zinvol zijn om keuzes te maken voor de toekomst.

Laat ons dus de vaderlandsliefde, en meteen de brede stroom van het behoudsgezinde denken, repatriëren, terugbrengen naar het vaderland. Zelfs als het niet nuttig zou zijn, zal het ons mooie ontdekkingen opleveren.

Het Wilhelmus en de vonden van de pientere politieman

Het was een bijzondere dag, deze Woningsdag die Koningsdag moest vervangen. Als ik heel eerlijk ben, moet ik bekennen dat hij iets extra had. Geen koekhappen of tompoezen, maar een wat verstilde samenhorigheid. Toen onze buren luid, maar vals het Wilhelmus inzetten, meenden ze het echt, en maakte dat het lied niet lachwekkend. Als zelfs de uitvoering door André Rieu het niet lachwekkend maakt, kan het Wilhelmus ongetwijfeld heel veel aan. Ik denk niet dat ik het al vaak over kippenvelmomenten heb gehad, maar dit was er eentje. Ook al zingen we het lied van de Prins veel te langzaam.

2971663386_9ecc23e152_b

2020: Koningsdag zonder koekhappen

Het tempo dat vandaag voor het Wilhelmus gebruikelijk is, is eigenlijk dat van de vroegere nationale hymne, die op die manier discreet aanwezig blijft. Discretie is haar trouwens geraden, want “Wien Neêrlands bloed” heeft geen goede pers. Met name de woorden “van vreemde smetten vrij” in de eerste strofe worden dichter Hendrik Tollens postuum stevig aangerekend. Ze zouden wijzen op etnisch nationalisme, misschien zelfs op racisme.

Wie dergelijke theorieën verkondigt, geeft vooral blijk van een acuut gebrek aan historische kennis, en projecteert opvattingen uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw honderd jaar naar voren, naar het zachte paternalisme van Willem I en zijn restauratietijd.

Niet alleen de historische kennis is dan voor verbetering vatbaar, ook aan letterkundige kennis mangelt het. Sinds het proefschrift van Ruud Poortier uit 2014 (volledig online beschikbaar, geen excuus om het niet te kennen) weten we dat de oorspronkelijke tekst van Tollens luidde “van vreemde vonden vrij”, waarmee hij alludeerde op degenen die tussen 1795 en 1815 met iets te groot enthousiasme theorieën uit Frankrijk tot de hunne hadden gemaakt. Het wat krampachtige streven naar verzoening van Willem I zorgde ervoor dat werd gekozen voor “vreemde smetten”, wat als minder agressief werd ervaren. Het kan verkeren.

568px-Gedenktafel-Wilms-big

Gedenktafel aan het geboortehuis van Johann Wilhelm Wilms, componist van ‘Wien Neêrlands Bloed’

Toch bleef voor velen duidelijk wat Tollens had bedoeld. Ergens in de jaren dertig bracht een Amsterdamse politieman verslag uit relletjes in de hoofdstad waarbij communisten en nationaal-socialisten waren betrokken. Hij verzuchtte dat hij het nu wel gehad had met de jongelui die leden aan “vreemde smetten”. De originele tekst van Tollens was hem allicht niet bekend, maar hij begreep de zin ervan beter dan de meeste mensen nu.

Hebben we een nationale hymne nodig? Voor mij hoeft het niet. Het volstaat dat het Koninklijk Huis de beschikking heeft over een familiale herkenningsmelodie, en dat is het Wilhelmus. Als daar nog iets bij moet voor Nederland, mag het gerust Tollens’ lied zijn. En als de eerste strofe te veel toelichting en pedagogie vereist, kunnen we voor één keer Duitsland imiteren en enkele strofen overslaan. De vijfde en achtste strofen hebben ook wel wat:

Bescherm, o God! bewaak den grond, waarop onze adem gaat;
De plek, waar onze wieg op stond,
Waar eens ons graf op staat.
Wij smeeken van uw vaderhand,
Met diep geroerde borst,
Behoud voor ’t lieve vaderland,
Voor vaderland en vorst.

Dring’ luid, van uit ons feestgedruisch,
Die beê uw hemel in:
Bewaar den vorst, bewaar zijn huis
en ons, zijn huisgezin.
Doe nog ons laatst,
ons jongst gezang dien eigen wensch gestand:
Bewaar, o God! den koning lang
En ’t lieve vaderland.

Verknal nooit een goede restauratie

Ondanks alles leeft er in tijden van corona veel hoop. De moeilijke tijden lijken een voorbode voor veel goeds. Er komt geen terugkeer van het oude, want net het oude was het probleem. Van globalisme en neoliberalisme tot urenlange files en professionele ratrace, het is ermee gedaan. We hebben het begrepen. Alles wordt nieuw.

Het zou interessant zijn deze voor velen herkenbare gedachten terug te voeren op religieuze ideeën, met name van christelijken huize. Dat is niet wat we van plan zijn. Ons referentiekader is vandaag de geschiedenis en ons vraagpunt is: hoe hebben samenlevingen gereageerd op momenten van onzekerheid en pijn?

Het meest recente grote voorbeeld is natuurlijk de Tweede Wereldoorlog. De combinatie van romantiek en wetenschap, van racisme en efficiëntie-denken confronteerde het Westen en met name Europa met zichzelf op een manier die zelden voordien gezien was (zeg nooit nooit). Kan dit gebeuren? Kan dit bij ons gebeuren?

De eerste jaren na de oorlog werden noodgedwongen in beslag genomen door de materiële heropbouw van de oorlogvoerende landen. Eens een normaal leven opnieuw tot de mogelijkheden ging behoren, waren de jaren vijftig begonnen.

Dat decennium is in ons onbewuste onverbrekelijk geassocieerd met ernst, conformisme en zelfs spruiten. Zeker, de welvaart nam toe, maar het culturele, sociale en politieke leven straalde kalmte en avontuurloosheid uit. Pas aan het einde van het daaropvolgende decennium, in de lente van 1968, kwam het strand weer onder het asfalt uit – nadat rond 1960 het koloniale project van menig Europees land definitief mislukt was.

Het antwoord op de catastrofe van 1940-1945 was dus minder een afscheid van het oude dan een vorm van restauratie. Politiek keerde men terug naar de parlementaire democratie, die in het Interbellum zo zwaar onder vuur had gelegen. Sociaal verloren de dromen van een geleide economie hun aantrekkingskracht ten voordele van een overlegmodel. Cultureel creëerde de toegenomen welvaart vooral een grotere toegang tot traditionele vormen van cultuurbeleving.

6437676163_3ac83022fb_b

Een Nederlands gezin in de jaren vijftig, voor sommigen de nachtmerrie bij uitstek

Kijken we wat verder terug, naar de periode na de vijfentwintigjarige oorlog tussen 1789 en 1815, is het beeld niet fundamenteel verschillend. Het tijdvak onmiddellijk na de Napoleontische oorlogen is zelfs onder de naam van Restauratietijd in de geschiedenisboeken verzeild.

Natuurlijk kan dit beeld genuanceerd worden, maar de basislijn die erin bestaat dat crisisperiodes vooral een aanleiding zijn om te kappen met wat wordt ervaren als gevaarlijke experimenten of zinloze dwaalwegen, is aantoonbaar en verdedigbaar.

Wie als geschiedenisfilosofie de ononderbroken vooruitgang van het gesimplificeerde Verlichtingsdenken heeft, klinkt dit niet bepaald als een aantrekkelijk perspectief. Dat zou anders moeten liggen voor conservatieven, die hun maatschappelijke filosofie voor een belangrijk deel ontlenen aan hun bereidheid om collectief terug te keren op stappen die als misstappen worden geïdentificeerd.

Het is echter stil aan die kant van de zaal. Nogal wat van mijn conservatieve vrienden vinden het thuiszitten een geschikte aanleiding voor een spelletje zwartepieten, waarin wordt gezocht naar verantwoordelijken voor deze catastrofe. Verantwoordelijken met een gezicht, die voor een parlementaire onderzoekscommissie kunnen verschijnen.

Als positief project is dat toch wat mager, en die toestand verbaast des te meer, omdat er geen gebrek is aan open doelen.

Zo biedt de plotse opstoot van thuiswerk een uitgelezen gelegenheid om anders om te gaan met de traditionele dilemma’s tussen gezin en werk, creativiteit en verworteling. Plots is het niet meer nodig om elke andere week het vliegtuig of de sneltrein te nemen om na te denken over bedrijfsstrategieën. We doen dit nu thuis, met de kleuters als achtergrondgeluid. En de creativiteit, die we altijd met de stad hebben geassocieerd, wordt nu ook enthousiast beoefend op de meest verloren plekken van het platteland.

In de negentiende eeuw werden conservatieve plannenmakers geconfronteerd met een soortgelijke uitdaging. Als alternatief voor het wegtrekken van de actieve bevolking uit haar familiale biotoop, bevorderde men de pendelarbeid. Een goed vertakt spoorwegnet was geen bedreiging voor het dorp van moeder en vader, maar hielp net het in stand te houden. Natuurlijk vertoonde die oplossing ook nadelen en stoten we vandaag op haar grenzen – het zou eraan ontbreken na honderdvijftig jaar.

Net zoals de pendelarbeid kon bijdragen tot het bewaren van wat kostbaar was gebleken, kan het thuiswerk dat doen. Hallo, conservatief Europa? Aan het werk!

Verder herinnert de crisis ons eraan dat er meer in de wereld is dan het geld in zijn talloze vormen. Meer dan ooit zijn post-materiële – neen, laat ons niet modieus worden, en het gewoon hebben over immateriële waarden, cruciaal gebleken.

Traditioneel identificeerde het conservatisme zich met het immateriële, maar daar bleef de jongste tijd niet zo heel veel van over. De scepsis ten aanzien van sturend overheidsoptreden op het vlak van de economie verwerd tot de strijd voor extra PK’s in de auto van het kaderlid of de bedrijfsleider. De bekommernis over de continuïteit van de plaatselijk verwortelde cultuur werd een discussie over de vraag wie het monopolie van premies en bijdragen kon genieten. In extreme gevallen ging de vraag zelfs niet over wie wou meebouwen aan het lokale verhaal, maar over kleuren en genen – het materialisme in een andere vorm ten top gedreven.

32784258575_a6ae22140e_b

De conservatieve droom anno 2020 – volgens diezelfde sommigen

Ook op dat vlak moet het conservatieve verhaal aandurven terug te komen op de eigen stappen, en zich het modewoord “practice what you preach” eigen durven maken.

Individueel en in de vele groepen waartoe we ons kunnen rekenen, is het moment gekomen om een stap terug te zetten. Niet in de kleinzielige betekenis van het afnemen wat is toegestaan, niet om rancunes bot te vieren, maar om in eer te herstellen wat we uit het oog waren verloren. Conservatieven moeten die oefening niet enkel voor anderen, maar ook voor zichzelf maken – misschien kunnen ze van de balk in het eigen oog wel een mooie brug maken. In het beleid, in het taalgebruik en in de symbolische orde is er meer dan voldoende aanleiding tot herstelwerkzaamheden. Wie neemt daartoe het initiatief?

Zullen we dan toch maar een dooddoener parafraseren? Goed, daar gaan we: never waste a good restauration!

Twee gekneusde vorstendommen

Een van de meer verheugende fenomenen van de jongste jaren is zonder de minste twijfel de toegenomen belangstelling voor de eenheid en eigenheid van het aloude hertogdom Brabant. Wijlen Jan Roegiers schreef ooit een studie over de “brabanticiteit” van de oude Leuvense universiteit, en sindsdien weet ik zonder aarzelen welk woord in onze Nederlandse taal het mooiste is.

Langs twee diagonalen, de ene van ’s Hertogenbosch over Turnhout, Herentals, Leuven naar Waver, de andere van Zoutleeuw naar Lier, Antwerpen en Bergen-op-Zoom, tekenen de contouren van het hertogdom een Sint-Andrieskruis in het hart van de Nederlanden. Dat Mechelen iets bijzonders is en Halle Henegouws, hoeven de Brabanders niet te ontkennen. Wie zichzelf kan zijn, heeft geen gebiedsuitbreiding nodig.

468px-Locator_Duchy_of_Brabant_and_Limburg_(1350).svg

Brabant (met Limburg) omstreeks 1350

Het was het Pacte des Cygnes dat in het noorden voor het eerst weer de Brabantse kleuren ging dragen – aanvankelijk soms met een overdosis aan provocatie, na verloop van tijd met een vrij evenwichtig verhaal, waarin de roep om “onafhankelijkheid” van het hertogdom snel naar de achtergrond verdween. Terecht, want geen Brabander uit de hoogdagen van het hertogdom zou zich iets hebben kunnen voorstellen bij die abstractie, laat staan dat hij er een duit (of negenmanneke) om zou hebben gegeven.

Zoals dat nu eenmaal gaat met boeiende initiatieven, dreigt succes afbreuk te doen aan de helderheid van de leer. Reizigers zonder bagage sluiten aan, en vinden in hun broekzak nog wat slogans en vooroordelen terug, die zonder al te veel nadenken worden gecombineerd met de aanvankelijke uitgangspunten. Als het over brabanticiteit gaat, is dat de afkeer van Holland of Vlaanderen, en zelfs beide.

Over Vlaanderen – in zijn post-revolutionaire betekenis – kunnen we kort zijn. Het flamingantisme, maar nog meer zijn erfgenamen de Vlaamse Beweging en het Vlaamse nationalisme hebben niet aan de verleiding kunnen weerstaan karikaturen te worden van het Belgische nationalisme, gebaad in revolutie en romantiek. Het is ongetwijfeld verleidelijk om van die karikatuur nu een karikatuur in het kwadraat te maken, en de uitwassen van de Vlaanderarij uit te vergroten vanuit Brabants perspectief – maar het hoeft echt niet, dank u. Het origineel hoeven we niet, het eerste afkooksel niet, en het tweede ook niet. Wie kiest voor Brabant, doet dat in het verlengde van het Brabantse zelfbegrip. Zich afzetten tegen het Vlaams-nationalisme impliceert dat men aanvaardt dat de ideologische bakens door dat nationalisme worden uitgezet, net zoals de Vlaams-nationalisten eens hebben aanvaard afhankelijk te worden van een Belgisch discours – met alle gevolgen van dien.

Luyster_van_Brabant_2

De titelprent van de Luyster van Braband uit 1699 – het compendium van het Brabantse constitutionele denken

Iets soortgelijks geldt voor het in het Noorden meer verspreide anti-Hollandisme. Als dat codetaal is voor verzet tegen centralisme, hoort u ons geen bezwaar maken – behalve dat we niet begrijpen waarom codetaal nuttig of nodig zou zijn.

Holland echter beladen met alle zonden Israëls, inclusief de scheiding van de (inmiddels vier) Brabanten, overschrijdt de grens van de geloofwaardigheid. Zeker, er is een Noord-Brabant, en het oude Zuid-Brabant is verdeeld volgens de taalgrens – iets waarvoor geen Hollander verantwoordelijk kan worden genoemd. Is dat in Holland echter anders? Waar komen de namen Noord- en Zuid-Holland vandaan? Ook al heeft het tot 1840 geduurd eer het oude graafschap het lot van het hertogdom moest delen, het werd evenzeer het slachtoffer van het interne separatisme, dat de overgeleverde vorstendommen wenste te verzwakken om de eenheidsstaat te versterken.

Holland, Brabant, Vlaanderen, Gelderland en de dertien andere landen zijn dus alle slachtoffer van eenzelfde ongelukkige evolutie. De apothekersweegschaal bovenhalen om te bepalen wie dat meer of minder is geweest, is een volkomen zinloze operatie. Zich herinneren dat de Nederlanden als wapenspreuk “Concordiae res parvae crescunt” voeren, is dat niet.

Convertere ad Dominum Deum tuum

Het is vandaag Stille Zaterdag, zo stil als nooit tevoren. Als een oude kanunnik, die het node uithoudt in het koorgestoelte, hebben we misericordes nodig om staande te blijven – voor één keer niet tijdens de liturgie van het Paastriduüm, maar bij gebrek eraan.

La_Roche-Guyon_(95),_église_Saint-Samson,_stalles_côté_nord,_miséricorde_4

Naast de teksten van de beproefde liturgie, is het vooral de muziek die ons nader bij de Gekruisigde brengt. Gelukkig voor ons hadden onze voorouders al begrepen hoe krachtig de menselijke stem, ondersteund door snaren en toetsen, kan zijn om de verlatenheid van deze dagen zo niet tastbaar, dan toch hoorbaar te maken.

Eeuwenlang werd op de Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag gebeden uit de klaagzangen van Jeremias, met een mooi Latinisme lamentaties geheten. Vanaf de vroegste dagen van de barok tot het begin van de negentiende eeuw werden deze teksten in katholiek Europa ook op muziek gezet. Ze kregen hun plaats in bijzondere vieringen, die bekendstonden als “tenebrae” of “leçons de ténèbres”.

Deze compositie was een delicate evenwichtsoefening. Voor sommigen kon enkel de gregoriaanse toonzetting voldoende weg van de wereld wijzen om het Triduüm te verklanken, voor anderen waren net alle affecten uit de barokke antropologie nodig om de toehoorders bewust te maken van Christus’ lijden.

Wie luistert naar het werk van componisten als Joseph-Hector Fiocco of Marc-Antoine Charpentier (om ons te beperken tot twee van de meest succesvolle componisten van tenebrae) is geneigd het tweede antwoord tot het zijne te maken. Met name het recitatief, dat onder andere omstandigheden de neiging vertoont zeurderig te gaan klinken, krijgt in deze context zijn volle uitwerking en brengt de verlatenheid van de periode voor de Verrijzenis feilloos onder klank.

Domtriangel1

In contrast daarmee staat de aansporing waarmee elk van de lamentaties eindigt: “Jerusalem, convertere ad Dominum Deum tuum”, een aansporing die toen evenals nu bijzonder actueel was. Zeker in de beginperiode van het muzikale genre werd vaak een parallel getrokken tussen de tijd van de Babylonische ballingschap en die van de post-Calvijnse geloofsverdeeldheid in het Avondland. In de nadagen ervan, onder de Franse koning Karel X, was het net de geest van revolutie die herinneringen opriep aan de visioenen van Jeremias. Maar eigenlijk zijn de lamentaties zo tijdloos als het maar kan zijn.

Daarom zou het goed zijn dat vanaf de volgende Paastijd enkele kerken de religieuze oefeningen die de tenebrae zijn in ere zouden herstellen. Ze zouden een waardig alternatief zijn voor de muzikaal uitmuntende, maar onverbrekelijk met het protestantisme verbonden passies van Bach. Waarom zou in de katholieke Nederlanden de uitvoering van de lamentaties op de drie dagen voorafgaand aan Pasen niet kunnen uitgroeien tot een even zinvolle traditie als de Bachpassies in het Noorden?

Om maar enkele mogelijke plaatsen te noemen: de Sint-Luciakerk in Ravenstein, de Sint-Walburgakerk in Brugge, de Sint-Lodewijkkerk in Leiden, de Sint-Pauluskerk in Antwerpen en de basiliek van Scherpenheuvel? Meer moet dat niet zijn.

 

Een wereldvreemde Vooroostenrijker

Elk oorlogsslachtoffer is er een te veel, elke ziel die Mars voor zich opeist is een aanfluiting van Gods schepping. Maar de dood van Dr Konrad Josef Heilig op 6 mei 1945 in de buurt van Belluno lijkt wel bedoeld te zijn om de zinloosheid ten top te drijven. Twee dagen voor het einde van de oorlog stierf een 38-jarige vader van vijf, tijdens een poging zijn eenheid terug te vinden, in een uniform dat hij om meer dan één reden verafschuwde: het was Duits en droeg het hakenkruis.

800px-Cimitero_Militare_tedesco_sul_Pordoi

Het oorlogskerkhof bij de Pordoipas, waar Konrad Josef Heilig zijn laatste rustplaats vond

Over dat symbool van barbarij had Heilig in 1936 een brochure geschreven, die hem voor altijd ongewenst had gemaakt in het rijk van Hitler en de zijnen. Hij ontzegde het hakenkruis zelfs de aanspraak op het kruis-zijn, maar omschreef het aan de hand van bronnen en documenten als een “gestileerde werveling” van Aziatische oorsprong, een symbool van chaos en anarchie.

Het was zeker niet Heiligs eerste aanvaring met de nazi’s, en ook niet zijn laatste. In 1937 publiceerde hij in de acta van de “Österreichische Akademie”, de legitimistische zomeruniversiteit in Salzburg, een lange bijdrage over de Rijksgedachte en Oostenrijk tot 1806. Voor Heilig was dit een ultieme gelegenheid om de combinatie van zijn vakkennis als mediëvist en zijn polemisch talent uit te leven, en duidelijk te maken hoe het Duizendjarige Rijk in het beste geval een slechte karikatuur van het “imperium christianum” van Karel de Grote kon zijn.

Wie was die Heilig, wiens historische werk verder vooral bestond uit uitgaven van oorkonden en studies over de interactie van het middeleeuwse Oostenrijk met Byzantium? Heilig beschouwde zichzelf als een kind van “Vorderösterreich”, de Habsburgse landen westelijk van Beieren, en dus niet als een Württemberger, laat staan als een Duitser. Na een verblijf in het seminarie van Freiburg im Breisgau ruilde hij de theologische studie in voor de historische, om meteen na zijn promotie onderzoek te gaan doen in Wenen. Daar werd hij ontdekt door Hans Zessner-Spitzenberg, een van de huisideologen van de legitimistische beweging, die ervoor zorgde dat de soms al te perfectionistische Heilig een vaste werkplek kreeg. Zessner nam hem namelijk mee in het zogenaamde Traditionsreferat, de dienst binnen de politieke eenheidsbeweging van de autoritaire standenstaat die Habsburgsgezinde Oostenrijkers aan de regering van de kanseliers Dollfuss en Schuschnigg moest verbinden.

Wien19_Ettingshausengasse001_2017-04-14_GuentherZ_GD_Zeßner-Spitzenberg_0874

Gedenkplaat voor Hans Zessner-Spitzenberg, Heiligs steun en toeverlaat in zijn Weense tijd

Met de bezetting van Oostenrijk door nazi-Duitsland in 1938 verdween natuurlijk dat kader. Gelukkig voor hem hoefde Heilig niet het lot van Zessner-Spitzenberg te delen, die meteen na de Anschluss werd afgevoerd naar Dachau en daar binnen de kortste keren het leven liet. Contraïntuïtief, zoals veel in het denken van Heilig, keerde hij terug naar Duitsland. Na een korte onderduiktijd werd hij als archivaris aangenomen door het aartsbisdom Freiburg. Hij schreef opnieuw over historische thema’s, en redigeerde onder meer een geschiedenis van het begrip “nationaal”, die in amper verbloemde termen de vloer aanveegde met de nationaal-socialistische dogma’s.

Toen de oorlog uitbrak, werd Heilig ondergebracht bij de marine. Hij kreeg zijn basisopleiding op het kasteel van Breda en werkte dan een tijdlang op de centrale administratie van de zeemacht in het Berlijnse Bendlerblock – waar in 1944 de voormannen van de reactionaire putsch tegen Hitler zouden worden omgebracht. Heilig was dan al verplaatst naar een ander garnizoen. Zijn laatste verplaatsing ging richting Italië – waar hij ook zijn graf vond.

Heilig was een doordrijver, een piet precies, een twijfelaar, en ongetwijfeld wereldvreemd. Die wereldvreemdheid behoedde hem ervoor mee te lopen in de stoet van waanwijsheden die de twintigste eeuw zo driftig achterna kon lopen. Met een scherpe pen en een opmerkelijke precisie verwoordde hij de beginselen van het imperium christianum, dat Europa groot had gemaakt. Zijn teksten waren niet aangepast aan zijn tijd, en daarom zijn ze nu nog het lezen waard.

Consecratiesonate

Zelf hoorde ik er maar eentje, en dan nog niet in optimale omstandigheden. Het was Allerheiligen, en we waren in Venetië. In een oude, wat verwaarloosde parochiekerk was de organist tijdens de preek nog snel een koffie gaan drinken in de bar aan de overkant. Hij kwam net op tijd terug om het doksaal op te snellen en de suonata all’Elevazione te spelen, terwijl de priester de Instellingswoorden uitsprak. Niet alleen de omstandigheden, ook het liturgische kader had iets onwezenlijks. Als het orgel wat luider ging spelen, moest ook de priester de stem verheffen om verstaanbaar te blijven.

Toch waren we getuige van een zeldzaam voortleven van een eerbaar fenomeen van religieuze cultuur. Van oudsher waren de katholieke liturgen bewust van de spanning tussen het onzegbare van de Transsubstantiatie en de versterking van dat dagelijkse mirakel die kon uitgaan van de muziek. Vocale muziek werd al spoedig ongepast geacht op het hoogtepunt van de H. Mis; een louter instrumentale ondersteuning werd echter niet alleen getolereerd, maar kon ook stevige adelbrieven voorleggen. In de meeste kerken nam die ondersteuning de vorm aan van zacht orgelspel. Bij plechtige vieringen waarin de Paus zelf celebreerde, waren het de koperblazers van de Pauselijke Nobelgarde die “un grave e melodiose concerto” lieten horen. Is het toeval dat de Nobelgarde werd afgeschaft in periode die ook het dieptepunt bleek te zijn van de liturgische verdwazing?

Bladerend in mijn muziekhistorische collectie vind ik de “Consecratiesonate” vooral terug in het Italië van de zeventiende en achttiende eeuw, met componisten als Girolamo Frescobaldi, maar ook de Romein Francesco Gasparini en de door Mozart zo bewonderde franciscaan en organist Giambattista Martini. Tot diep in de negentiende eeuw werd het genre in Italië beoefend, onder meer door de Noord-Italianen Giovanni Quirici en Vincenzo Petrali. In Frankrijk kende het genre eveneens succes, onder meer door de composities van Ignace Leybach, een Elzasser die organist werd in de kathedraal van Toulouse. Nadien lijkt het genre weggedeemsterd te zijn – althans dat vermoed ik, want een studie die naam waardig over het genre is me niet bekend.

De meest bekende Consecratiesonates zijn van de hand van Domenico Zipoli (1688-1726), een leerling van Allessandro Scarlatti, die na een jaar organist te zijn geweest aan de Gesù in Rome koos voor een verdergaand engagement in het spoor van Sint-Ignatius en zelf jezuïet werd. Hij werd naar de reducties in Paraguay gestuurd, waar hij zocht naar raakpunten tussen de Europese barokmuziek en de muzikale gevoeligheid van de lokale Guaranibevolking.

Zipoli_-_Sonate_d%u2019intavolatura

Een pagina uit Zipoli’s bundel met orgelwerk, inclusief twee werken “All’Elevazione”

Voor wie, zoals ik, een diepe allergie heeft ontwikkeld aan televisietoestellen is het in de huidige omstandigheden niet vanzelfsprekend zijn zondagsplicht te vervullen. De teksten van de zondag en de geestelijke communie zijn vanzelfsprekend een grote hulp. Maar tijdens het gebed bij de geestelijke communie komt pater Zipoli me even gezelschap houden met zijn “grave e melodioso concerto”. Evenmin als in Venetië zijn de omstandigheden optimaal. Net dan is elke hulp welkom.