Twee beeldenstormers: Cuypers en Bethune

Hoewel elke sympathie voor de zogenaamde (en slecht genaamde) traditionalistische stroming hem vreemd was, betreurde wijlen onze pastoor geregeld de uitwassen van de postconciliaire verdwazing. Vermits hij Christus zocht en vond in de schoonheid, kon hij met name scherp zijn over het fenomeen dat hij omschreef als ‘de tweede beeldenstorm’, het massaal verwijderen en vernietigen van religieuze kunst uit de kerken na Vaticanum II. Wat deze tweede beeldenstorm onderscheidde van de eerste editie, was dat ze niet het werk was van een zootje calvinisten, wederdopers of andere buitenkerkelijke krachten, maar van binnenuit kwam. Het maakte een en ander nog moeilijker te begrijpen, en zwaarder te dragen.

Jammer genoeg was het niet de eerste keer dat een beeldenstorm in eigen huis was gestart – en allicht was het beter dat onze goede pastoor dat niet besefte.

Wie echter de kerkarchieven van de negentiende eeuw induikt, zal merken dat ook toen massa’s kerkelijke kunst werd verwijderd uit de kerkgebouwen en onherroepelijk verloren ging. Dat gebeurde net als in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw uit naam van een binnenkerkelijke ideologie, die zich presenteerde als een wedergeboorte. Haar naam was neogotiek, haar slachtoffer was de erfenis van de barokke katholiciteit in al de Nederlanden. Voor de daders staan twee namen symbool, die van Pierre Cuypers en die van Jean Baptiste Bethune (neen, niét de Bethune. De Belgische adellijke titel die onder Leopold I werd toegekend aan de vader van “Jan Gotiek” werd pas later erfelijk verklaard, en na de dood van Jean Baptiste ook op hemzelf toegepast. Hij werd dus postuum geadeld, wat aantoont dat in bij onze zuiderburen veel, zo niet alles mogelijk is.)

File:Portret van P.J.H. Cuypers, RP-P-1940-631.jpg - Wikimedia Commons
Pierre Cuypers – ziener of verwarde geest?

Voor Cuypers gelden verzachtende omstandigheden. Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in de Noordelijke Nederlanden bood de Kerk een goede gelegenheid om weer in de openbaarheid te treden en een streep te trekken onder een moeilijke periode. Neemt niet weg dat de vervanging van talloze schuilkerken door neogotisch seriewerk een moeilijk te vergeten esthetische schade heeft veroorzaakt.

Wat Bethune betreft, kan enkel ontoerekenbaarheid worden ingeroepen. Bethune deed zijn neogotische opvattingen op tijdens een reis in Engeland, waar hij de voormannen van de zogeheten medieval revival beweging ontmoette, met name Augustus Welby Pugin. Voor Britse katholieken gold mutatis mutandis het zelfde als voor Cuypers, namelijk dat er plots kansen waren om het geloof weer openlijk te belijden. Voor Bethune en de zijnen was dat echter al te subtiel, en zij transponeerden de Britse situatie voetstoots naar de Zuidelijke Nederlanden. Het gevolg was dat talloze parochiekerken, die de geest van de katholieke Nederlanden feilloos in beeld brachten, werden opgeofferd voor geestloze constructies in pseudo-middeleeuwse stijl.

File:Gent Groot Begijnhof van Sint-Amandsberg-PM 07227.jpg - Wikimedia  Commons
Massale gotiek van de hand van Bethune

Kortom, de neogotiek is noch katholiek, noch Nederlands te noemen. Laat het een les zijn voor wie ook vandaag nog denkt het heil te vinden in een terugkeer naar het begin, en situaties in het nabije en bevriende buitenland gedachteloos overzet naar de boorden van Rijn, Maas en Schelde.

De dode van San Giovanni Incarico

Op 11 november wordt in de Zuidelijke Nederlanden traditioneel het einde van de Eerste Wereldoorlog herdacht, en koestert men de herinnering aan de talloze doden van deze ouverture tot de dwaze twintigste eeuw. Beschuldig me niet van een gebrek aan respect, maar mijn gedachten gaan op deze dag even traditioneel zuidwaarts, naar het dorpje Isoletta. Dat ligt vandaag in Latium, maar was op die droevige elfde november van 1861 een onderdeel van de Terra di Lavoro, of de Campania felix, het uiterste noorden van het oude koninkrijk der Beide Siciliën. Sinds ongeveer een jaar werd dat koninkrijk bezet door een nationalistische roversbende, die de naam voerde van een verder onbekend koninkrijk Italië.

Overal in het koninkrijk verzetten boeren, burgers en buitenlui – maar vooral de eersten – zich tegen de bezettingsmacht. Omdat met propaganda de halve oorlog kan worden gewonnen, omschreven de troepen van de usurpator de tegenstand als ‘brigantaggio’, net zoals de Franse republikeinen in onze streken de Boerenkrijgers als ‘brigands’ hadden omschreven. Jammer genoeg was het Piëmontese propagandaoffensief redelijk succesvol, en tot op heden wordt het amalgaam tussen Napolitaans legitimisme en banditisme gekoesterd door al wie een probleem heeft met de historische waarheid.

De landelijke oppositie tegen het liberale unitarisme van Cavour besefte dat het haar mangelde aan militair geschoolde leiders, en deed verwoede pogingen om die te vinden. Daarbij werd in de mate van het mogelijke gebruik gemaakt van de legitimistische internationale, maar ook van Vaticaanse netwerken. Zo besefte Mgr de Mérode, minister van defensie van Zijne Heiligheid, dat een krachtig anti-unitair verzet in het zuiden de druk op wat overbleef van de Pauselijke Staten enkel kon doen afnemen.   

Het was in die context dat de Catalaanse carlistengeneraal José Borges in september 1861 voet aan wal zette in Calabrië, om er het bevel te nemen over de plaatselijke verzetsgroepen. Minder prestigieus, maar even overtuigd, was een jonge vrijwilliger uit Brabant, markies Alfred de Trazegnies.

De gedenksteen voor markies Alfred de Trazegnies en zijn gezellen

De markies stamde uit een van de meest prestigieuze adelsgeslachten van de Nederlanden. Zijn grootmoeder van vaderszijde was de laatste vertegenwoordigster van het geslacht Nassau-Corroy, dat afstamde van een buitenechtelijke zoon van Hendrik III van Nassau-Breda. De familie de Trazegnies zelf stond met beide voeten in het orangistische verzet tegen de muiterij van 1830.

Over de beweegredenen van markies Alfred weten we vrij weinig. Hij was 29 jaar oud toen hij naar Italië vertrok om dienst te nemen in het leger der Beide Siciliën, dat eigenlijk niet meer bestond. Vooraleer af te reizen, vroeg hij een onderhoud met de Luikse bisschop Mgr de Montpellier, wat doet vermoeden dat religieuze en legitimistische overwegingen voor hem nauw verbonden waren. Het gegeven dat hij in Rome contact zocht met zijn oude vriend kanunnik de Woelmont, een andere telg uit een orangistenfamilie, bevestigt deze hypothese.

De militaire carrière van de markies was erg kort. Begin november sloot hij zich aan bij het legertje van Luigi Alonzi, bijgenaamd Chiavone, die opperbevelhebber heette van het leger der Beide Siciliën, maar vooral een avonturier was, die voortdurend afwoog of het hem beter zou uitkomen de legitimistische of de unitaire kaart te trekken. Uiteindelijk zou Chiavone medio 1862 gefusilleerd worden door de eigen troepen, op verdenking van verraad.

Alfred de Trazegnies nam op 11 november 1861 deel aan de aanval op Isoletta, samen met onder meer de Silesische officier Edwin graaf von Kalckreuth. De krijgskansen keerden die dag meermaals, maar op het einde van de namiddag veroverden de Piëmontezen het dorp. Ze vonden er vier gewapende legitimisten, die zonder enige vorm van proces werden gefusilleerd in het nabijgelegen stadje San Giovanni Incarico. Alfred was een van hen. Dezelfde dag werden nog een vijftigtal andere Napolitaanse verzetsstrijders omgebracht op hetzelfde plein.

Piëmontezen executeren een Napolitaanse verzetsstrijder

Voor de gesneuvelde edelman werd in de Romeinse kerk van Sint-Juliaan der Vlamingen een requiem opgedragen, en een gedenksteen aangebracht. De bisschop van Namen droeg in zijn kathedraal een Heilige Mis op voor het zielenheil van Alfred.

Vandaag zegt de naam van Alfred de Trazegnies weinig mensen iets. Zijn schim wordt weggeduwd door die van de doden van de Grote Oorlog. Maar was zijn dood geen voorafspiegeling van de prijs die het Avondland zou betalen voor het terzijde schuiven van de legitimiteit voor het recht van de sterkste?

In commemoratione beati Caroli

Dit jaar verschenen er enkele interessante boeken, die onvoldoende aandacht kregen in de Lage Landen. Zonder ook maar enige intentie te hebben een boekenrubriek op te zetten, willen we in de volgende weken en maanden op ongeregelde tijdstippen zo’n boek voor het voetlicht brengen. En het is geen toeval dat we starten met Charles Coulombes Blessed Charles of Austria. A Holy Emperor and His Legacy (Tan Books, 388 pagina’s, 21.95 €).

Het is nog niet zo lang geleden dat we de Zalige Karl van Oostenrijk herdachten – minder feestelijk dan anders, maar toch. Charles Coulombe wijst er terecht op dat zijn feestdag, 21 oktober, niet op zijn geboorte- of overlijdensdatum valt, maar door de Heilige Paus Johannes Paulus II op de huwelijksverjaardag van Karl werd vastgelegd – wat het vermoeden dat ook keizerin Zita ooit tot de eer der altaren zal worden verheven niet roekeloos maakt.

De band tussen de heilige paus en de zalige keizer was trouwens sterker dan men wel zou denken. Karol Wojtyla was vernoemd naar de keizer onder wiens opperbevel zijn vader in de Eerste Wereldoorlog had gevochten, en die terecht kon gelden als de civiele evenknie van de vredespaus Benedictus XV. Zijn naam van ‘Friedenskaiser’ had Karl niet voor niets verworven. 

Dat zijn echter allemaal bekende feiten, die probleemloos in elke Karl-biografie kunnen worden teruggevonden. Was er dan behoefte aan een nieuw boek? Charles Coulombe maakt een positief antwoord op die vraag onvermijdelijk. Dat doet hij vooral door Karls keizerschap te duiden in een traditie van indirect bestuur onder de leiding van het goddelijke recht. In de traditionele Europese samenleving was de vorst een ‘persona mixta’, die deels tot de lekenstand, en deels tot de clerus behoorde. Misschien was Karl wel voorlopig de laatste voor wie dit opging –  minstens was zijn visie op het keizerschap, en dus zijn weg naar de zaligheid sterk beïnvloed door die visie.

Karls huwelijk met Zita van Bourbon-Parma geeft Coulombe een gedroomde gelegenheid om de Europese geschiedenis te benaderen vanuit de parallelle lotsbestemmingen van de huizen van Habsburg en Bourbon. Dat is niet enkel een snelle weg door die geschiedenis, maar toont ook aan hoe morrelen aan het traditionele vorstenbeeld leidt tot hommeles.

Aansluitend bij de eigenlijke biografie gaat de auteur dan in op de verering van Karl, en de rol van de Gebetsliga daarbij (www.gebetsliga.com). Dat Amerikaanse en Tsjechische militairen in een plek als Kaboel zorgen voor een bijzondere devotie tot de Zalige Karl, illustreert mooi hoe zijn voorbeeld tot op heden zinvol is.

De Zalige Keizer Karl op zijn doodsbed

Over illustreren gesproken, dat is misschien het enige zwakkere punt van het boek. De fotokatern bestaat quasi uitsluitend uit portretafbeeldingen van de Zalige Keizer. Ik kan me indenken dat de lezer zich ook graag iets zou voorstellen bij de andere protagonisten (zoals admiraal Horthy, wiens persoonlijkheid allicht toch iets complexer was dan de zwarte ridder die hij in dit boek wordt), of bij de plaatsen waar Karl leven zich heeft afgespeeld.

Een grote sterkte van het boek zijn dan weer de motto’s van elk hoofdstuk, die zo goed als steeds aan de liturgie zijn ontleend en – zoals liturgie dat pleegt te doen – ritme geven aan het verhaal achter de gebeurtenissen.

Hopelijk valt dit boek in vele lezende handen, en draagt het bij tot een verdere verspreiding van de devotie tot de Zalige Karl en zijn echtgenote, op basis van een beter begrip van hun gedachtenwereld.

De Quinta do Monte op Madeira, waar de Zalige Keizer Karl overleed

Belladonna en bierbuiken

Het is in deze tijden van zachte lockdown ongemerkt voorbijgegaan, maar de Belgische regering in zakformaat, die zichzelf Vlaamse Regering noemt, heeft weer een gelegenheid gemist om te handelen naar haar eigen beginselen.

Bij het aantreden van de huidige bewindsploeg was het een populair thema aan de borreltafel, het Belgische – neem me niet kwalijk: ik bedoelde natuurlijk Vlaamse compromis over de ambtskleding van de burgemeesters. Voor de enen moest de burgemeesterssjerp driekleurig zijn, zoals hij dat nu is, voor de anderen diende hij dringend tweekleurig te worden. Uiteindelijk werd het compromis in volmaakt ambtenarees onder woorden gebracht in het regeerakkoord: “We geven autonomie aan de lokale besturen om op het vlak van de burgemeesterssjerp te kiezen tussen de huidige burgemeesterssjerp of de huidige schepensjerp.” In leesbaar Nederlands betekent dit dat gemeentebesturen mogen kiezen of de burgemeester een driekleurige sjerp draagt in zwart, geel en rood, of net als de schepenen een tweekleurige in zwart en geel. Dit omschrijven als “autonomie” klinkt dan enigszins als een retorische overdrijving.

Diezelfde Vlaamse Regering proclameert echter te pas en te onpas dat zij naar het noorden kijkt, en Vlaanderen wil doen aansluiten bij de dynamische landen aldaar, om het los te weken uit het dolce far niente en het malgoverno van de Mediterrane wereld – die in de Vlaamse mythologie reikt tot de boorden van de Ourthe en de Dender.

Als het over de herkenningstekens van de lokale ambtsdragers gaat, loopt de grens van de Mediterrane wereld echter gelijk met de Vlaamse noordgrens – landen als Frankrijk, Italië, Spanje en Roemenië kennen ook sjerpen, terwijl dit fenomeen in Noord-Europa onbekend is – en dat bevestigt de regering nu met graagte.

Dat de grens net daar loopt, is geen toeval. De sjerp is een erfenis van Napoleon, die hem vanuit zijn militaire achtergrond transponeerde naar de context van het gemeentelijk bestuur. Sinds de dagen van de Franse revolutie droegen officieren in het Franse leger immers sjerpen in de nationale kleuren als herkenningsteken. Napoleon meende dat de burgemeesters een rol vervulden die vergelijkbaar was met die van officieren, en dus ook sjerpen moesten dragen. Er was zelfs sprake van een uniform voor de burgemeesters!

Van die gewoonten is al enige tijd afscheid genomen, maar de militaristische en centralistische erfenis van de sjerp is overeind gebleven. Lokale bestuurders worden verondersteld herkenbaar te zijn aan de kleuren van de hogere overheid – of die nu Frans, Belgisch of Vlaams is. Net alsof ze er vestimentair aan herinnerd moeten worden dat ze onderworpen zijn aan het gezag in Parijs of Brussel. Daarom klinkt het zinnetje in het regeerakkoord zo ironisch.

Er was een alternatief. In Nederland dragen  burgemeesters sinds 1852 een ambtsketen, een mooi versierd metalen halssieraad, dat eigendom is van de gemeente, en vaak verwijst naar de lokale geschiedenis. Het wordt doorgegeven van burgemeester naar burgemeester en symboliseert zo de continuïteit van het lokale bestuur. Inspiratie voor dit symbool vonden de bedenkers bij de oude gildesymbolen. Welnu, ook in Vlaanderen, Brabant en Limburg dragen de keizers en koningen van de schuttersgilden al eeuwenlang “breuken” die nauw verwant zijn met deze ambtsketens. Het is dus een symbool van de lokale verworteling, niet van de macht van hogere instanties.

Niet, dus. Zo ver noordelijk vermag de Vlaamse Regering klaarblijkelijk niet te kijken.

In zijn roman Belladonna (1994) had Hugo Claus het over een burgemeester die zijn driekleurige sjerp nauwelijks om de lenden kreeg – maar er zich geen zorgen over maakte, want ook de gouverneur had een bierbuik. Die traditie is nog maar eens verankerd, met dank aan de Vlaamse autonomie.

Resurrectionem expextant

Meestal associëren we het ontstaan van “buitenbegraafplaatsen” met de Franse tijd, en vergeten we de generale repetitie van de jaren tachtig van de achttiende eeuw. In het Zuiden van onze landen herinnert de oudere generatie zich nog op school geleerd te hebben dat keizer-koster Jozef II het begraven in de kerken verbood. Ook in het Noorden namen verlichte regenten het initiatief om de doden niet langer in de kerk, maar buiten de stad te begraven. Zo werd in Arnhem in 1782-83 het initiatief genomen om aan de Velperpoort een buitenbegraafplaats op te richten.

Helemaal goed is dat niet afgelopen. Toen de echtgenote van een militair overleed aan dysenterie, werd zij op bevel van het stadsbestuur op het nieuwe kerkhof begraven. Weduwnaar en stadsbevolking vonden die handelwijze onbetamelijk, en gingen over tot herbegrafenis van de vrouw in een van de stedelijke kerken. Bij die gelegenheid sneuvelde ook de omheining van het nieuwe kerkhof.

Bij de aftocht van de Fransen in 1813 konden soortgelijke taferelen gezien worden. Zo werden in Hoorn meerdere overledenen herbegraven in de kerk. Dat neemt niet weg dat de praktijk van de buitenbegraafplaats de standaard werd gedurende de negentiende eeuw.

Niet zo ver van mijn woonplaats lijkt die trend omgekeerd te zijn. In het dorpje Ulbeek in Belgisch Limburg, begraaft men voortaan weer in de kerk.

Of om precies te zijn: in de oude kerk. Net voor de Tweede Wereldoorlog kreeg het dorp een foeilelijke nieuwe kerk, en werd de oude aan de eredienst onttrokken. Ze werd een tijdlang gebruikt als parochiezaal, toneelzaal, opslagplaats en fabriekshal. Sinds 2011 heeft ze echter een nieuwe bestemming, als overdekte begraafplaats. Neen, niet als columbarium, maar als begraafplaats, met plaats voor veertig individuele graven naast het columbarium en een afscheidsruimte.

Kijk, dat is nog een idee als er moet worden overgegaan tot het achterlaten van een aantal (vooral negentiende- en twintigste-eeuwse) kerken. Maak ze van kerk tot kerkhof, zodat hun waardig gebruik gewaarborgd is. En is er een betere plaats om de Verrijzenis af te wachten dan de kerk, in het midden van het dorp?

Trouw en onrust in het leven van Willem van Heemsstra

Hoewel Willem Hendrik, baron van Heemstra, gedurende de dertien laatste jaren van zijn leven de verwezenlijking van al zijn oude dromen leek mee te maken, was hij geen gerust man. Hij, die na het Kollumer oproer van 1797 zijn geboortestreek moest ontvluchten, was inmiddels grietman geworden van  Kollumerland en Nieuwkruisland. Spoedig zou hij lid van de Tweede Kamer worden, en daar het beleid van koning Willem I ondersteunen. Dat Nederland een koninkrijk was geworden onder Oranje, had hij als jongeman nooit durven hopen. Maar tevreden was hij niet.

Waarom hij niet tevreden was? We lezen het tussen de lijnen in zijn herinneringen. Wanneer hij vertelt hoe hij in 1797 met zijn bejaarde vader eerst onderdook bij bevriende Oranjegezinde families, en dan naar Duitsland emigreerde, laat hij ook iets merken van zijn grote angst van toen. Om de grens over te steken, moest hij voorbij een schans, die onder het bevel stond van ene kapitein Cort Heyligers “dien het een bijzonder genoegen zoude strekken, zoo hij iemand, die Oranjegezind was, op het schavot kon brengen”. Onder Koning Willem was Cort Heyligers generaal geworden, en voerde hij het bevel over een reservekorps. Voorwaar geen geruststellende gedachte voor baron van Heemstra.

Gedenknaald voor generaal Cort Heyligers op landgoed Brinkgreven bij Deventer

En toch had hij beter moeten weten. Restauraties worden niet uitgevoerd met de getrouwen van altijd, maar met de bekeerlingen van de vooravond. Dat was zo in de Noordelijke Nederlanden, in de Zuidelijke was het niet anders – zelfs niet toen de restauratie mislukte.

Als u van Antwerpen naar Gent rijdt, moet u even de snelweg verlaten om een kleine zoektocht te ondernemen. In het gehucht Haasdonk bij het stadje Beveren staat, verscholen in de bossen, het kruisbeeld dat de nagedachtenis van Jan Baptist Tassijns eert. Tassijns werd door de Fransen voor de kop geschoten bij het mislukken van de zogenaamde Boerenkrijg, de anti-revolutionaire opstand van het jaar 1798. Tassijns was de aanvoerder van de opstandelingen in zijn streek en zijn executie bezorgde hem het statuut van held.

Het Tassijnskruis in Haasdonk

Terecht, maar Tassijns had ook een verleden. Net zoals zijn evenknie Quarteer in het Scheldestadje Boom, was hij kort voor de opstand nog een van de steunpilaren van het Franse regime geweest. Quarteer was vrederechter, Tassijns municipaal agent – en ze waren niet de enigen. Het was niet de rustige vastheid van hun geloof in eeuwige waarden, maar hun ongeduld en hun teleurstelling in de niet gerealiseerde beloften van de Fransen, die Tassijns en Quarteer aan het hoofd brachten van een groep strijders “voor outer en heerd”. Was het zo anders met Cort Heyligers?

Wie zichzelf de teleurstelling van baron van Heemstra wil besparen, doet er goed aan nuchter te blijven. De beloning voor de trouw, is de trouw zelf.

Pierre Bruno Bourla’s tragische theater

Ondanks haar naam heb ik de Nassaustraat op het Antwerpse Eilandje nooit heel aantrekkelijk kunnen vinden. Enkele oude panden, die de tand des tijds slecht hebben doorstaan, hebben er eigentijdse en (bijna schreef ik: dus) inspiratieloze architectuur als buur. Toen ik ontdekte hoe de straat eruit zag toen ze nog een plein was, of anders gezegd: vooraleer de Antwerpse vestingen ontmanteld werden, stond het huilen me nader dan het lachen. Het Nassauplein was een stadsrandplein in de beste klassieke traditie. Het Mechelse Kardinaal Mercierplein kan er misschien nog het best mee vergeleken worden.

De onzorgvuldigheid waarmee in de loop der jaren werd omgesprongen met het Nassauplein is exemplarisch voor de ondergang van het zowat volledige werk van Pierre-Bruno Bourla. Paradoxaal genoeg is zijn naam misschien wel bekender dan zijn werk, met dank aan het theater dat zijn naam draagt. Van de vierentwintig werken die hij in Antwerpen uitvoerde, zijn er zegge en schrijve vier in hun oorspronkelijke toestand bewaard. Recent werd de pastorie van de Sint-Laurentiusparochie vervreemd,  zodat ook daarover enige ongerustheid bestaat. Bourla’s kerk in dezelfde parochie is straks een eeuw geleden afgebroken.

Zo blijft de tragiek die Bourla in leven kenmerkte hem achtervolgen na zijn dood. De in Frankrijk geboren stadsbouwmeester was de beschermeling van burgemeester Florent van Ertborn, later gouverneur van Utrecht en een trouwe dienaar van Willem I. Het wekte dan ook geen verwondering dat Bourla werd aangesteld om de architectuurcursus te doceren aan de Antwerpse academie, maar lang duurde die aanstelling niet. Bourla beheerste het Nederlands niet, wat haaks stond op de pogingen van Willem I en zijn omgeving om het onderwijs van hoog tot laag te vernederlandsen. Bourla hield de eer aan zichzelf, en nam ontslag. In tegenstelling tot vele anderen, die na 1830 paradeerden als zelfverklaarde slachtoffers van een hardvochtige monarch, bleef Bourla bescheiden en plichtsgetrouw zijn werk uitvoeren. Hij besefte dat de glorietijd van zijn esthetische opvattingen samenviel met het Koninkrijk van Willem I, en dat het romantische België nooit zijn land zou worden. Dat zijn Nassauplein het best wordt weergegeven op een afbeelding van een revolutiescene uit het rampjaar, is een van de meer bittere vormen die de ironie van de (kunst-)geschiedenis ooit heeft aangenomen.    

Georges de Manteyer – semper idem

Vorig jaar mijmerden we bij de herinnering aan Antoine Lestra, de jurist uit Lyon die de pen voerde voor prins Xavier van Bourbon-Parma. Bij die gelegenheid hadden we er al op kunnen wijzen dat de prinsen van dat huis een gedegen traditie hebben in de keuze van hun raadgevers. Zo was de Madrileense hoogleraar en voortzetter van de carlistische traditie in haar beste betekenis, Miguel Ayuso Torres, zes jaar lang politiek secretaris van prins Xaviers zoon, prins Sixtus-Hendrik.

Als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis, ontmoeten we een merkwaardige voorganger van Lestra. In 1920 verscheen het dossier van het bekende vredesinitiatief dat de prinsen Xavier en Sixtus van Bourbon-Parme samen met hun schoonbroer, de Zalige Keizer Karl van Oostenrijk, gedurende de Eerste Wereldoorlog ondernomen hadden. Prins Xavier liet zich bij dat initiatief bijstaan door een trotse provinciaal, Georges Pinet de Manteyer (1867-1948), een gentleman-scientist die vanop zijn kasteel in de Dauphiné rustig wedijverde met het onderzoek van de officiële paleografen.

Het kasteel van Manteyer, de uitvalsbasis van een kasteelheer-paleograaf

Prins Sixtus waardeerde de Manteyer zeer, en zei over hem: “il eût été un grand Ministre sous un régime stable”. Wat hij met dat laatste bedoelde, hoef ik de lezer niet Diets te maken. Of misschien toch, voor wie het graag in Manteyers woorden leest:

“La mort cruelle et odieuse de Louis XVII est un crime qui pèse lourdement sur la conscience de la France, aussi bien que celle de Louis XVI. En tuant le roi, la France a tranché sa propre tête, et, cependant, il en faut une. Aucune autre, précaire et de rechange, n’a pu la remplacer. »

De Manteyers onderzoek behandelde de meest uiteenlopende onderwerpen  – van het ontstaan van de Pairs de France over de herkomst van de benaming Dauphin tot de Apollocultus in zijn geboortestreek in de derde eeuw. Hij bleef dicht bij de bronnen, maar liet zich het plezier niet ontnemen zijn eigen denken te illustreren met citaten uit oude teksten.

Dat was zeker het geval in zijn studie uit 1938, over Le Pays et la Patrie, waarbij het niet mag verbazen dat hij de eerste term ver verkoos boven de tweede. De genese van de dubbele terminologie in het Frans illustreerde hij met korte teksten van de eerste eeuw voor Christus tot zijn eigen tijd. De enige die recht had op wat langere citaten was niemand minder dan Lodewijk XIV. Diens beschrijving van de hertog van Lotharingen klinkt vandaag als een beschrijving van de Christenheid na de koningsmoorden van de late achttiende eeuw:

“[quelqu’un] à qui son inquiétude naturelle rendait toutes les nouveautés agréables”.

Niet Manteyers type dus. Die herkende zich allicht beter in dat andere citaat van de Zonnekoning :

“Je n’ai pas cru devoir rien demander de nouveau […] j’ai cru encore moins […] rien souffrir de nouveau ». 

Georges de Manteyer: “il eût été un grand Ministre sous un régime stable”

Désormais je bois Arbois!

Wie ooit in een amateurkoor heeft gezongen, herinnert zich allicht de woorden van het vrolijke deuntje dat in de zestiende eeuw werd genoteerd door kanunnik Jehan Tabourot, beter bekend als Thoinot Arbeau:

Quand je bois du vin clairet,
Ami tout tourne, tourne, tourne, tourne…
Aussi désormais je bois
Anjou ou Arbois.

De anglofielen onder ons weten dat de clairet van Bordeaux komt, en bij Anjou kunnen we ons ook nog iets voorstellen – maar Arbois?

Dat is jammer, want net de Arboiswijn legt een verband met het land waarin kanunnik Tabourot leefde, namelijk het aloude Bourgondië – ook al bewoonde hij het recent door Frankrijk geannexeerde hertogdom, en werd de wijn verbouwd in het vrije graafschap Bourgondië, beter bekend als de Franche-Comté.

Niet zo heel lang geleden is de Arbois met glans in het nieuws gekomen, toen enkele flessen uit de achttiende eeuw voor spectaculaire bedragen een nieuwe eigenaar vonden. De Franse wijnhistoricus Pierre Chevrier wijdde er zelfs een boekje aan: L’Arbois Jaune 1774. Vin des Lumières.

Een typische Arbois-fles

Werkelijk? Wat de “vin jaune” van de Jurastreek zou bijzonder maakt, is vanzelfsprekend zijn haast eindeloze bewaarcapaciteit. Die heeft hij gemeen met de wijn van Jerez, beter bekend als de sherry.

Volgens sommige wijnhistorici zou dat geen toeval zijn, en zou tijdens het bewind van de Spaanse Habsburgers over de Franche-Comté oenologische kennis uit Andalusië zijn overgewaaid naar de Jurastreek. Anders gezegd: dat de Jurawijn de tand des tijds weerstaat, zou een late groet zijn van Filips II en zijn opvolgers, niet bepaald de geliefkoosde historische figuren van de verlichte historici.

Als dat zo is, is de duurzaamheid van de gele wijn toch een elegantere manier om de Franse veroveraars een neus te zetten dan die meer bekende vorm van populair protest. Er wordt immers gezegd dat vele decennia na de Franse verovering van de Franche Comté, in 1678, de Habsburgtrouwe inwoners zich lieten begraven met het gezicht naar de aarde gericht – en het achterste naar de zon, symbool van Lodewijk XIV. Eerlijk? Dan hef ik liever een glas gele Arbois met een stevig “Hoog Habsburg!”    

Het wijnmuseum in het stadje Arbois

Santa Laduina

Tiepolo heb ik leren kennen langs een omtrekkende beweging, zoals dat past. Als scholier ontdekte ik de Venetiaanse muziek van het Settecento door de opnames van Claudio Scimone en diens onvolprezen Solisti Veneti. Een van de voordelen van de aloude vinylplaat was dat de hoes groot genoeg was om er iets te tonen van een bijpassend kunstwerk. Bij de clavecimbelconcerti van Baldassare Galuppi was dat een werk van Tiepolo – weze het Tiepolo junior, Giandomenico. Van de zoon kwam de vader voort, en een fascinatie was geboren.

Zoals veel van zijn tijdgenoten, wordt Tiepolo niet altijd helemaal ernstig genomen. Zijn kunst wordt decoratief en overontwikkeld genoemd. Misschien weerspiegelt ze zo wel zijn vaderstand Venetië, die stabiliteit wist te creëren door een ongelooflijk complexe staatsinrichting. De finale veroordeling werd uitgesproken door de avantgardist Giorgio Manganelli, die Tiepolo verweet “geen zoon van de Verlichting” te zijn. Dat treft, ik ook niet.

Het contrast tussen het werk van Tiepolo en de meesters van de Lage Landen kan amper groter zijn. Geen rustende runderen, geen zeeslagen, geen boerenbruiloften – of het zou een bruiloft in Arcadië moeten zijn. Geen heldere lijn, maar keer op keer meerduidigheid. Tiepolo is het sterkst als hij wezens uit de tussenwereld afbeeldt, die noch mens, noch geest zijn, maar wie zal zeggen wat.

En toch is er één uitdrukkelijke band tussen de Venetiaanse Meester en de Hollandse steden – zijn Santa Laduina, een portret van de heilige Lidwina van Schiedam, afgebeeld als een bescheiden en vriendelijk meisje. Waarom is ’s hemels naam Liedewij? Gaf een Roomse koopman uit Schiedam Tiepolo de opdracht zijn stadsgenote op het doek te brengen?

Wie zal het zeggen. Er is van het schilderij geen toonbare afbeelding op het net te vinden. In 1900 deed Adolfo Venturi het af met een enkele alinea in zijn beschrijving van de Galleria Crespi in Milaan, die gelukkig genoeg wel een illustratie bevat. In 1914 werd de galerij verspreid na een veiling. In 1938 werd het werk verkocht in een veiling in New York en in dezelfde stad dook het niet zo heel lang geleden op in galerij Stanley Moss. Waar het doek nu is, is een goed bewaard geheim.

Hoe jammer dat Joris-Karl Huysmans Tiepolo’s werk blijkbaar niet kende, toen hij zijn Sainte Lydwine de Schiedam schreef – al kan je het boek wel kopen in een print on demand versie, met het doek op het voorblad. Minstens zo jammer is het dat het doek de kleine maar fijne Tiepolo-collectie van het Rijksmuseum nog niet heeft vervoegd.

bol.com | Sainte Lydwine de Schiedam, M Joris Karl Huysmans | 9781505420609  | Boeken