Elvira speelt Maistre op het klavier

Aan mijn verblijf in Brussel houd ik een aantal eigenaardigheden over. Een ervan is mijn heldere voorkeur voor de Vlaamse radio Klara boven de eigen NPO4. Er moet al iets heel ergs zijn gebeurd aleer de vrienden uit Hilversum hun luisteraars een hele compositie gunnen. Meestal moet je het stellen met een van de drie of vier bewegingen van een onbekend concerto of geliefde sonate. Neen, geef mij dan maar Klara, ook al valt het luisteren hier in Amsterdam vaak niet mee.

Soms doe je dan ontdekkingen die de radiomakers allicht ook niet hadden bedoeld. Zoals vorige week, toen Paul van Nevels Huelgas ensemble in de bloemen werd gezet omdat het vijftig jaar bestaat. Een luisteraar vertelde hoe hij tijdens een vakantie in Portugal een bejaarde pianiste had laten kennis maken met de opnames van Huelgas, en hoezeer zij onder de indruk was.

Ik kan me vergissen, maar alles weer erop dat de luisteraar kennis had gemaakt met Elvira de Freitas, geboren in 1928 en overleden in 2015. De Freitas was niet alleen pianiste, maar ook dirigente en componiste. Ze leerde het metier van haar vader, de dirigent en componist Frederico de Freitas, maar ook van Olivier Messiaen. Haar bekendste werk is de Marcha de Bairro Alto.

Elvira de Freitas (1928-2015)

Zonder al te veel toelichting vertelde de omroeper hoe de luisteraar in kwestie aan de praat raakte met de pianiste, die hem vertelde hoe na de revolutie het conservatorium van Lissabon kort en klein werd geslagen. Dat was allicht een retorische overdrijving, maar dat de Anjerrevolutie, die velen in onze streken zo hoog op hadden, een culturele ramp was, is dat niet. Er wordt wat lacherig over gedaan, maar wie herinnert zich nog dat de koningin van de fado, Amalia Rodrigues na  de gebeurtenissen van april 1974 bijzonder scheef werd bekeken door de nieuwe machthebbers en ei zo na een verbod opgelegd kreeg om nog langer op te treden?

Amalia Rodrigues (1920-1999)

We maken er ons best niet al te veel illusies over, revoluties zijn nefast voor elke vorm van beschaving. En het was niet toevallig dat Joseph de Maistre eraan herinnerde dat de contrarevolutie geen revolutie in de tegengestelde richting is, maar het tegengestelde van een revolutie. Goed dat Elvira de Freitas ons daaraan mocht herinneren. Ik blijf alvast luisteren naar Klara.

Het sprookje van het sterke werkwoord

Het heeft heel lang geduurd vooraleer ik op de basisschool hoogte kreeg van het onderscheid tussen sterke en zwakke werkwoorden. Ik haalde ze voortdurend dooreen, al zou je me niet snel hebben betrapt op een foute toepassing van de grammaticale regels. Niet de toepassing, maar de regel zelf was het probleem. In mijn kinderlijke brein was een werkwoord dat er onder alle omstandigheden in slaagde (niet sloeg, neen) om veranderingen in tijd ongeschonden te doorstaan, bijzonder sterk. In alle geval sterker dan een werkwoord dat nu eens deze en dan weer gene klank had, en meedraaide met het wijzigen van de wind.

Het heeft een kwarteeuw geduurd eer ik begreep waar mijn verwarring vandaan kwam, het heeft te maken met fundamentele keuzes.

De terminologie inzake zwakke en sterke werkwoorden is afkomstig van Jacob Grimm, taalwetenschapper en sprookjesschrijver, en de helft van de gelijknamige gebroeders. Volgens hem waren sterke werkwoorden sterk, omdat ze in staat waren “op eigen kracht” een tijdswijziging te realiseren, zonder toevoeging van een suffix. Met andere woorden: Grimm waardeerde impliciet de wijziging van het corpus van een werkwoord hoger dan de toevoeging van een hulpstuk.

Dat zegt iets over zijn vooroordelen, en ook over de mijne. Dingen “op eigen kracht” doen, lijkt me een illusie, maar daar keek de romanticus Grimm natuurlijk anders tegen aan. En mij lijkt het nu net een prestatie door de tijden heen “semper idem” te blijven, maar dat kon Grimm gestolen worden. Was hij uiteindelijk niet een van de Göttinger Sieben, en werd hij niet in 1837 het koninkrijk Hannover werd uitgestuurd als ongewenste vreemdeling, omdat hij de revolutiegrondwet van 1830 hoger waardeerde dan de terugkeer naar de overgeleverde constitutie, die door de koning werd gewenst? Een gebrek aan samenhang kan je Grimm niet verwijten.

“Sterk” en “zwak” zijn natuurlijk een conventie, maar soms is het nuttig even te graven naar de achtergrond van die conventies. Op de schop hoeven ze niet, maar onschuldig zijn ze evenmin. Ik weet het nu voorgoed: ik zal blijven worstelen met het onderscheid tussen sterke en zwakke werkwoorden.

Jacob Grimm, revolutionair (bovenaan links)

Neo? Paleo? Post?

Zegt de naam Federico Maria Sardelli u iets? Als de term uomo universale vandaag nog relevant is, past die zeker bij Sardelli. Hij is fluitist, romancier, striptekenaar, dirigent, musicoloog en componist en daarenboven voorzien van een bijzondere band met wijlen Antonio Vivaldi, zelfs in die mate dat de onvolprezen Peter Ryom hem vroeg de inventaris van de werken van Vivaldi, de Ryom-Verzeichnis, van hem over te nemen.

Maar luister vooral eens naar het werk van Sardelli, zoals je dat probleemloos op het net kan vinden. Vergis u niet, kies zijn eigen werk, geen werk van Vivaldi of een tijdgenoot dat hij dirigeert. Want vergissingen zijn niet uitgesloten: Sardelli schrijft geen neobarokke muziek, maar schrijft zoals en componist in Venetië in het eerste decennium van de achttiende eeuw zou hebben geschreven. Hij is de eerste om te erkennen dat cultuur, tijd en plaats bepalend zijn voor het muzikale idioom van een componist – en kiest vervolgens voor een idioom uit een andere tijd.

Federico Maria Sardelli

Oppervlakkige waarnemers hebben Sardelli een plagiaris genoemd, of hem zelfs satirische oogmerken toegeschreven. Niets van. Zijn composities dagen onze overspannen zucht naar originaliteit uit, en tonen de verdiensten van een corpus aan gebaren, figuren en vormen dat in zijn tijdgebondenheid merkwaardig dicht bij de universaliteit kwam. Is het toeval dat dit corpus zo nauw was verbonden met de liturgie van de universele Kerk van Rome?

Critici verwijten Sardelli een gebrek aan authenticiteit. Zou het? Kan je enkel authentiek zijn door je eigen gevoelens in je eigen woorden uit te drukken? Of is het mogelijk een authenticiteit van de herkenning na te streven, waarin je gevoelens en gedachten onderbrengt in een kader dat het product is van eeuwenlange menselijke ervaring? Sardelli gelooft blijkbaar in die mogelijkheid.

Soms is de verleiding groot om Sardelli’s werk te confronteren met dat van Hans Makart, de Weense schilder die in het spoor van Rubens en Titiaan een onmiskenbaar 19de-eeuwse stijl wist te ontwikkelen. Geen authenticiteit van de herkenning, maar veeleer een bewuste poging tot het voortzetten van een traditie. Neobarok in de meest klassieke zin van het woord dus.

Sluit het ene het andere uit? Conceptueel zonder de minste twijfel, maar in de praktijk? De dialoog tussen beide wegen kan niet anders dan vruchtbaar zijn.  

Hans Makart, Die Falknerin (1880)

De dronken toren van Glenfinnan

Toen de enigszins excentrieke Alexander MacDonald of Glenaladale op 4 januari 1815 overleed, amper 28 jaar oud, leek niets of niemand de wereldmacht van de Britse kroon onder het huis Hannover in de weg te staan. Napoleon zat (nog even) veilig opgeborgen op Elba en de tijd toen de Kaap weer Hollands was, behoorde definitief tot het verleden.

Toch zou MacDonald de Londense wereldbazen nog een stevige neus zetten, weze het symbolisch en postuum. Toen de landjonker overleed in de kamers die hij in Edinburgh huurde, liet hij niet enkel een berg schulden na, maar ook een project dat zijn voltooiing naderde.

De schulden had hij vooral opgebouwd bij zijn huisleveranciers van alcoholische dranken. Een doorsnee bestelling betrof 200 liter portwijn, twaalf dozijn flessen sherry, zes dozijn Madeira, vier dozijn Bordeauxwijn en zestien liter rumpunch. Daarnaast was ook zijn huispersoneel (inclusief een persoonlijke doedelzakspeler) ruim voorzien van onbetaalde rekeningen.

Wie hij stipt betaalde, was zijn architect – en dat was niet de minste. James Gillespie was een van de toonaangevende bouwmeesters in de overgangsperiode tussen de laatklassiek en de troubadourstijl. Hij had onder meer de kapel gebouwd die de laatste rustplaats van de graven van Mar, een notoir jacobietengeslacht, zou omringen.

Het Mar-mausoleum

Dat was de man die MacDonald nodig had. Als loot uit een familie van jacobieten wou hij een belangrijk deel van het familievermogen vastleggen in een laatste belijdenis van de trouw aan de Koningen aan de Overkant van het Water. Wat maakte het hem uit dat Henry IX Stuart, kardinaal York, de laatste afstammeling in rechte lijn van Jacobus II, in 1807 was overleden? Zijn rechten waren overgegaan op de koningen van Sardinië, die op dat moment nog niet behekst waren door hun droom van Italiaanse eenheid.

En het monument kwam er, zij het pas na het overlijden van zijn bedenker. Het staat er vandaag nog, in Glenfinnan, naast een goed bezochte katholieke kerk. Zijn originele vorm heeft het niet behouden, want vijftien jaar na de oprichting van het monument meende MacDonalds zoon Agnus dat het een uitbreiding behoefde, onder meer met het beeld van de onbekende strijder dat nu op de top van het monument staat. Opmerkelijk: de zoon verweet de overleden vader kennelijk niet het familiefortuin besteed te hebben aan een hopeloze zaak, maar zette de traditie voort.

Het zou nog meer dan een halve eeuw duren eer omstreeks 1890 er weer beweging kwam in de jacobitische zaak, en Victoria in haar oude dag stapelgek werd van de invloedrijke edelen en schrijvers die luidop hun gehechtheid aan de oude dynastie betoonden. Gelukkig voor de Hannovers was er dan de Eerste Wereldoorlog, en kon de officiële propaganda aantonen dat het onaanvaardbaar was dat een Wittelsbach, een Duitser, op de troon zou zitten in Londen. Toch boffen dat Hannover in Patagonië ligt…

Wat leert ons het monument in Glenfinnan? Dat trouw blijft leven door excentriekelingen, die voortdoen als ieder redelijk mens heeft opgegeven. En dat excentriekelingen niet noodzakelijk wind zaaien, maar ook monumenten bouwen die de eeuwen trotseren.

Het monument in Glenfinnan

De boon die het van de trias won

Allicht is het u ontgaan, maar morgen dreigt de ene en ondeelbare Franse Republiek in gevaar te komen. Traditiegetrouw wordt immers op Driekoningendag een reuzegrote taart geserveerd op het presidentiële paleis van het Elyseé. Die taart is echter geen gewone taart, verre van! In het hart van de taart ontbreekt namelijk de traditionele boon, en daar is een goede reden voor.

Indien immers iemand bij het verorberen van de taart de boon vindt, wordt hij koning voor een dag. Dat is natuurlijk onaanvaardbaar in een republiek. Daarenboven zou op die manier de gelijkheid tussen de aanwezigen in het gedrang komen, wat strijdig is met de leuze van de republiek, Liberté, égalité et fraternité (ou la mort).

Opgelet, antirepublikeins gebak!

Dat de constitutionele orde van een permanent lid van de VN-veiligheidsraad bedreigd zou worden door een simpele boon, overstijgt het gecombineerde bevattingsvermogen van de equipe van de Geheime Nederlanden. Het klinkt eerlijk gezegd belachelijk. Sterker nog, het is het.

Dat is echter geen nieuw fenomeen. De republiek is ermee begonnen straatmadelieven tot de eer der altaren te verheffen, en ze dan nog te bedenken met de naam van de godin van de Rede. De Walletjes als het meest redelijke oord van Nederland, je moet het maar bedenken.

Kortom, met die boon is niets mis, wel met de trias die ze bedreigt – al was het maar omdat het “ou” in het tweede lid van de leuze volkomen misleidend is. Meestal was de dood geen alternatief voor de revolutie, maar een logisch gevolg ervan.

Het vinden van alternatieven voor de trias van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid is echter geen sinecure gebleken. Vele contrarevolutionaire denkers hebben zich aan die oefening gewaagd, maar zelden met groot succes. Een van de beste pogingen komt van de Spaanse carlistische denker Alvaro d’Ors, die koos voor verantwoordelijkheid, legitimiteit en vaderschap.

Het borstbeeld van Alvaro d’Ors voor de universiteitsbibliotheek in Pamplona

Mogen we ook een poging doen? Tegenover vrijheid stellen we heteronomie, het feit dat we de wet vinden, en niet maken. Tegenover gelijkheid stellen we distinctie, het zich onderscheiden. En tegenover broederschap niet vaderschap, maar erfgenaamschap. Twee passieve deugden, die een actieve omringen, en niet in de weg hoeven te staan aan werkelijke vrijheid, gelijkwaardigheid of broederlijkheid. Maar allicht kan u nog betere alternatieven bedenken?

Laat in afwachting de driekoningentaart u smaken!

Gelukkige Restauratiedag!

Steeds heb ik het eigenaardig gevonden om een vijftal weken na het begin van het (kerkelijk) jaar opnieuw het begin van een jaar te vieren. Ik ben dus al enige tijd op zoek naar zinvolle alternatieven.

Al mijn sympathie voor de Heilige Paus Sylvester volstond echter niet om met hem een verhaal vol geestdrift te schrijven. Dat ging net iets beter met de heiligverklaring van Sint-Aloysius Gonzaga, maar toch.

Iets beter geschikt is de verjaardag van Bonnie Prince Charlie, Charles Eduard Stuart, of The Young Pretender. Toch denk ik vaak net iets vroeger in het jaar aan hem, als we John Francis Wades mooie neolatijnse verzen ‘Adeste fideles’ zingen en stiekem beseffen dat de ‘Rex angelorum’ die erin bezongen wordt evengoed een legitieme ‘rex Anglorum’ kan zijn (https://www.dur.ac.uk/news/newsitem/?itemno=7328)

Dit jaar is het licht gaan schijnen, en sluit ik me aan bij de vrienden uit Genève. In die stad wordt namelijk nog jaarlijkse officieel het herstel van de goede orde na de revolutietijd gevierd, met drieëntwintig saluutschoten ter ere van het Fête de la Restauration. Net in de burcht van Calvijn viert men dus de Restauratie. Mooi zo.

Voor 2020 wens ik elk van u een dergelijk herstel toe, lichamelijk of geestelijk, persoonlijk of gemeenschappelijk. Met daarbij de hoop dat ook de Lage Landen als geheel een vorm van Restauratie zullen vieren – of minstens het grote feest van Waterloodag op 18 juni in ere zullen herstellen.

Saluutschoten ter ere van de Restauratie in Genève

Scharensliep en pakjesman

Wie de zestig nadert, heeft het voorrecht maar ook het nadeel historische vergelijkingen te kunnen maken op basis van eigen ervaring. Voorrecht, omdat het vergelijkingsmateriaal voor het grijpen ligt, maar ook nadeel, omdat het gekleurd is door de mechanismen die ons geheugen sturen. En die heten verdringing, verbloeming en selectie.

Onder dat voorbehoud kan ik het niet helpen een terugkeer te zien van patronen uit mijn kindertijd. Toen werden melk, brood, soep, ijs, groenten en wat nog meer aan huis geleverd door lieden die daar hun beroep van maakten, en meestal een titel droegen die op –man of –boer eindigde. Het kon ook niet anders, niet iedereen had een auto, en alle inkopen met de fiets doen was gewoon geen optie.

De opkomst van de auto bracht daar verandering in. Dat ding bood stukken meer stapelruimte dan een fietstas, en je moest het al erg bont maken aleer hij de inkopen niet meer kon tillen. Op de website www.geschiedenisbeleven.nl vind je onder het lemma ‘twintig verdwenen beroepen in beeld’ dan ook de bakker aan huis, de melkboer en de kolenboer.

Eerlijk waar, ik heb ze nog niet teruggezien, maar de levering aan huis is wel terug van weggeweest. Grootwarenhuizen hadden al enkele jaren een gat in de markt gezien en hielpen drukbezette tweeverdieners om toch iets van de zaterdag vrij te houden, door de inkopen thuis te leveren na een online bestelling. Sinds de pandemie begon, maken bestelwagentjes van alle slag onze straat onveilig met de meest uiteenlopende leveringen, van bloemen over boeken en elektronica tot – jawel, brood.

Eén ding is veranderd. Met het product dat ze leveren, hebben de bestellers geen bijzondere band. Ze praten vaak Nederlands met een accent dat doet denken aan het oosten van het Habsburgse Rijk, of zelfs aan het Tsarenrijk. Ze dragen een mondmasker, zoals iedereen, en vinden het belangrijk afstand te houden en snel weer verder te rijden. Een praatje is er niet meteen bij.

Hoe anders was dat in mijn jonge jaren. De melkboer droeg een stofjas en een pet, en kon mijn moeder eindeloos onderhouden, en soms zelfs vervelen met zijn toelichting bij de kwaliteiten van het product hij leverde. Hij was trots op wat hij deed. De melkboer was een mijnheer, minstens in de eigen ogen.

Muzikale kwaliteiten had hij niet, anders zou hij zeker een eigen versie hebben gemaakt van het aloude liedje van de scharensliep. Dat oud-Nederlandse lied is zowel in noordelijke als in zuidelijke varianten bewaard (lees daarover http://www.benhartman.nl/volksliederen/beroepen/scharenslijper/de-scheresliep/) , maar beide hebben één ding met elkaar gemeen: na een vergelijking met allerhande beroepen die hoger aangeschreven staan, eindigt de scharenslijper zijn zang als volgt

Sa vrienden voor ‘t leste
alle ambachten zijn goed
maar ‘t mijne is toch ‘t beste
schoon ik soms slapen moet
op hooi en strooi in ene stal
dan heb ik de kost voor niemendal.

Ironie, heel zeker, maar ook een vorm van beroepstrots, zelfs voor de meest nederige onder de ambachtslieden. 

Aan het taalgebruik te merken was het overigens niet de scharenslijper zelf die zijn lot bezong, maar een vertegenwoordiger van de hogere standen. Die omschrijving horen we vandaag niet meer zo graag. Hoog en laag zijn niet meer aan de orde, en respect van wie beter af is voor wie minder vermag wordt al gauw afgedaan als paternalisme. Het rauwste egoïsme heet dan eerlijk en authentiek te zijn.

Ik hoef die authenticiteit niet, en had ik wat meer dichterlijk talent, zou ik me aan het schrijven zetten voor een liedje van de pakjesboer. In afwachting zorg ik er maar voor dat er koffie klaarstaat als hij langskomt. Met melk, suiker en een scheutje paternalisme.  

Hoe de Boskapel de tijdsgeest versloeg

Toen we ons een kwarteeuw geleden inzetten voor het behoud van de oude Boskapel, werden we meewarig bekeken. Het was met het bouwwerk als met de Berg van Barmhartigheid: er was geen berg, en geen barmhartigheid. Een kapel was er nog, maar er werd amper nog gebeden, en het bos werd aan hoog tempo opgedeeld in bouwkavels. Achter de kapel zou het pronkstuk van de nieuwe wijk komen, een flatgebouw met ruime woningen voor gepensioneerden met wat meer kapitaal dan anderen.

Een achttal vervelende klieren zagen dat anders, zij het niet allemaal op dezelfde manier. Toen twee van ons lieten verstaan dat ze het religieuze erfgoed van ons dorp als dusdanig belangrijk vonden, oogsten ze zelfs bij hun medestanders meewarige blikken. Lokale identiteit, historisch patrimonium, ja – maar religiositeit? Of, erger nog, devotie?

Het deed er weinig toe, het resultaat was gunstig. De kapel werd een gemeentelijk monument. Om de pil te vergulden voor de ontwikkelaar kocht de gemeente het stukje grond waarop de kapel stond, en liet ze er een muurtje omheen bouwen.

Gelukkig maar. Als ik ’s ochtends voorbij de kapel fiets, zie ik hoe graafmachines het flatgebouw met de grond gelijk maken, en de gronden errond klaarmaken voor een nieuw project. Zonder muurtje, en zeker zonder monumentstatuut, zou een van die monsters wel “per toeval” de kapel geraakt hebben.

Het is ergens symbolisch. Amper 25 jaar geleden was het flatgebouw het symbool voor de onvermijdelijke moderniteit, en de kapel een speeltje voor mensen die nog niet hadden begrepen hoe snel de wereld wel veranderde. Nu blijft de kapel staan, en gaat het flatgebouw tegen de grond.

Kierkegaard wist het al: wie met de tijdsgeest trouwt, wordt gauw weduwnaar. Het is goed daar nu en dan tastbaar aan herinnerd te worden.

Paleoimerilogieten

Wie vanop een veilige afstand kijkt naar het ontstaan en verloop van de grote binnenkerkelijke discussies zal merken dat het vaak intrinstiek minder belangrijke splijtzwammen waren die de meest hevige conflicten konden uitlokken. Zelfs wie staalhard vasthoudt aan het beginsel lex orandi, lex credendi zal moeten toegeven dat het grootste probleem van de postconciliaire verdwazing in de Latijnse Kerk geen verband houdt met de liturgie – en toch was het de liturgie die mensen mobiliseerde voor of tegen de hervormingen.

In de orthodoxe kerken was het niet anders. Een hervorming in de zeventiende eeuw, die qua gebrek aan onderbouwing en overhaaste uitvoering verdacht veel gelijkenis vertoonde met Vaticanum II en zijn gevolgen, leidde tot het schisma van de zogenaamde Oudgelovigen. Op het terrein werd de grote splijtzwam de vraag of het kruisteken met twee dan wel met drie vingers geslagen moest worden.  Vele duizenden gelovigen en priesters gingen in het verzet, en werden bloedig vervolgd. De vervolging leidde tot radicalisering en tot een antiklerikale stroming onder het gelovige volk dat zich door de hiërarchie in de steek gelaten voelde bij de verdediging van de traditie. Soms ging de radicalisering zo ver dat zelfs het huwelijk werd afgewezen als strijdig met de Goddelijke orde.

Een familie oudgelovigen in Smirnov in 1910

Vervolging noch radicalisering hebben de Oudgelovigen klein gekregen. Vandaag verenigen de voornaamste kerkgenootschappen van deze stroming een klein miljoen gelovigen. Tijdens het Interbellum slaagden de Oudgelovigen in Letland er zelfs in enkele keren eigen vertegenwoordigers in het parlement te doen verkiezen, wat duidelijk maakt dat we hier niet met verblinde wereldverzakers te maken hebben.

Een recenter schisma binnen de orthodoxie, vooral dan in Griekenland en Roemenië, betrof een andere ogenschijnlijke bijkomstigheid, namelijk het inruilen van de Juliaanse voor de Gregoriaanse kalender in 1924. Voor een deel van de orthodoxe clerus en gelovigen, paleoimerilogieten (van paleos, oud, en imeriloghion, kalender) was dit een kleine stap op weg naar een doorgedreven oecumenisme, en dus een stap te ver. Opnieuw werd een symbool teken van tweespalt, maar ging onder het symbool een fundamentele keuze schuil.

Oudkalendaristische kloosterzusters in Roemenië

De dooddoener ‘is het dat maar?’ gaat in geloofszaken slechts zelden op. Laat dat ons alert maken voor al te grote tolerantie in ogenschijnlijke details. Maar laat ons ook de les van de priesterloze Oudgelovigen voor ogen houden, en beseffen dat de verdediging van de rechtgelovigheid kan uitdraaien op de meest volkomen negatie ervan.    

De reizen van Theodoor van Berckel

In de collectieve mythologie stond er tussen 1585 en 1815 een soort Berlijnse muur tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Van dat bouwwerk zijn echter geen sporen teruggevonden, zodat er geredelijk aan kan worden getwijfeld of het wel ooit heeft bestaan.

Ook in de geesten was van een scherpe scheiding van de Nederlanden weinig te ontwaren. De cartografie bleef Noord en Zuid als een eenheid benaderen, zoals Noord- en Zuid-Korea dat zijn of Oost- en West-Duitsland dat waren. Op zowat elk terrein van de menselijke bedrijvigheid bestond een voortdurende uitwisseling.

Het terrein van de schone kunsten was daarop geen uitzondering. Jacob Jordaens werkte in Huis ten Bosch en zijn jongere stadsgenoot Bernard de Quertenmont verwierf een positie als leverancier van werken in de stijl van Rubens en Van Dyck ten behoeve van de schuilkerken in het Noorden.

Quertenmonts portret van Simon Wouters o. praem., abt van de Parkabdij en qq lid van de Staten van Brabant

Quertenmont was ook actief als portrettist en maakte faam door zijn reeks van portretten van de leden van de Staten van Brabant ten tijde van de Brabantse Omwenteling. In diezelfde periode leverde een Brabander uit het Noorden, de Bosschenaar Theodoor van Berckel de ontwerpen voor de munten en penningen van de Verenigde Nederlandse Staten. De artistieke uitwisseling was dus zelfs aan de vooravond van de revolutietijd alles behalve eenrichtingsverkeer.

Van Berckel stamde uit een familie van penningsnijders en begon zijn loopbaan in zijn vaderstad. Nadien werkte hij echter voor meerdere Nederlandse steden, en ontwierp ook penningen bij de geboorte van de kinderen van stadhouder Willem V. Een rariteit in zijn oeuvre zijn de muntstukken die hij ontwierp voor het hertogdom Arenberg.

In 1776 trok hij naar het Zuiden om de leiding te nemen over de Brusselse Munt. Toen goed vijftien jaar later het keizerlijke bewind werd vervangen door dat van de Staten bleef Van Berckel op post. Zijn ontwerpen met een brullende leeuw, en opschriften als Libertas vindicata, Antiqua virtute of Domini est regnum, maken de numismatische productie van de Omwenteling makkelijk herkenbaar. Enkel het ontwerp met als opschrift In unione salus leidde tot enige discussie, niet om artistieke redenen, maar omdat pater de Feller twijfels had bij de kwaliteit van het gebruikte Latijn, en erop wees dat unio ook een soort ui aanduidde. Wie Fellers teksten daaromtrent leest, kan enkel erkennen dat de reactionairen van die tijd over een gezonde dosis zelfspot beschikten.    

Ook Van Berckel behoorde duidelijk tot het behoudende kamp. Hij zag er geen graten in te werken voor de Staten in opstand, maar evenmin voor het Huis Habsburg –werken voor de Franse revolutionairen weigerde hij echter halsstarrig. Hij verkoos in ballingschap te trekken naar Praag en Wenen, vooraleer hij wegens familiale en medische omstandigheden terugkeerde naar zijn geboortestad. Daar overleed hij in 1808.

Toen tijdens het Koninkrijk der Nederlanden het Zuid-Brabantse provinciebestuur opnieuw werd opgericht, bezorgde dit Van Berckel een impliciet doch mooi eerbetoon. De penning die werd geslagen om de eerste vergadering van de Provinciale Staten te herdenken nam zonder meer de Brabantse leeuw over die Van Berckel in 1790 had ontworpen, als een symbool van de continuïteit tussen de Verenigde Nederlandse Staten en het Koninkrijk der Nederlanden. 

Post scriptum: het Van Berckel Genootschap was zo galant ons te wijzen op een domme schrijffout in een datum, die bij deze werd rechtgezet. Bij wijze van dank, en als extraatje voor onze lezers verwijzen we graag naar hun boeiende website, http://www.theodoorvanberckel.nl