Als Jacques de weg naar Hendrik toont

Niet iedereen was even laconiek als Jacques Du Phly, de Normandische clavecinist die al vele jaren in Parijs leefde en binnen het etmaal na de val van de Bastille het tijdelijke voor het eeuwige inwisselde. Het was 15 juli 1789. Een halve eeuw later zou zijn sterfdag overal in Frankrijk herdacht worden als een antidotum tegen de dollemansstoet die de dag voordien was begonnen – al waren Du Phly en zijn werk toen geheel en al, en onterecht, vergeten.

Oorzaak van de blijdschap op 15 juli was de kleine Hendrik, l’enfant du Miracle, de postume zoon van de hertog van Berry, die de oude monarchie van het huis Bourbon nieuwe levenslust gaf. Later zou hij bekend staan als graaf van Chambord en een symbool worden van de onkreukbaarheid van het Franse koningshuis. Vanaf 1830 vierden de getrouwen van de legitieme dynastie overal te lande het naamfeest van hun vorst, tot nijd van degenen die beseften dat er geen Louis-Philippe in de heiligenkalender voorkwam. De kans dat de peervormige burgerkoning tot de eer der altaren zou worden verheven, gold ook als beperkt, zeker na zijn weinig subtiele gedrag tijdens en na de Julirevolutie van 1830. Elk devoot gebed tot de heilige Henricus was dus een steek in het hart van orleanistisch Frankrijk.  

Gardesoldaten vieren Sint-Hendriksdag tijdens de Restauratie

En toch was de devotie tot de heilige Hendrik ouder, zeker in de Zuidelijke Nederlanden. Tijdens de efemere Verenigde Nederlandse Staten groeide immers de devotie tot de patroonheilige van de inspirator van het verzet tegen het Jozefisme, Hendrik van der Noot. Dat zijn naamfeest de allures van een nationale feestdag kreeg, was ook een uiting van subtiele kritiek aan het adres van een politieke tegenstrever.

De heilige Henricus uit het huis van de Ottonen was immers Rooms keizer (1014-1024) en dus een verre voorganger van Jozef II. Hendrik toonde aan dat het wel mogelijk was keizer te zijn en God te dienen, in die mate zelfs dat hij in 1146 tot de eer der altaren werd verheven. Zijn feestdag wordt dezer dagen op zijn sterfdag, 13 juli, gevierd, maar noch Du Phly, noch de graaf van Chambord, noch Hendrik van der Noot, noch de heilige keizer zelf hebben er enig bezwaar tegen indien u morgen het aloude feest in ere houdt met dit gebed: 

Deus, qui hodierna die beatum Henricum Confessorem tuum e terreni culmine imperii ad regnum æternum transtulisti: te supplices exoramus; ut, sicut illum gratiæ tuæ ubertate præventum, illecebras sæculi superare fecisti, ita nos facias, ejus imitatione, mundi hujus blandimenta vitare, et ad te puris mentibus pervenire. Per Dominum nostrum Jesum Christum, Filium tuum: Qui tecum vivit et regnat in unitate Spiritus Sancti Deus: per omnia sæcula sæculorum. R Amen.   

Sint-Hendrik omringd door figuren die we couranter associëren met 14 juli

Een graf in Westmalle

Nu het weer iets makkelijker is om de Lage Landen te doorkruisen, heb ik me voorgenomen bij een volgende tocht naar het zuiden halt te houden bij de abdij van Westmalle. Ik was er nog niet vaak en associeer het aloude hertogdom Brabant meer met de abdijen van de Witheren dan met die van de cisterciënzers van de strikte observantie – in het volle besef dat de meeste mensen daar precies het omgekeerde over denken. Nu is er echter een bijzondere reden: als het nog kan, zou ik graag een groet gaan brengen aan het graf van koning Willems opperaalmoezenier, de Mechelaar Jan-Antoon Buydens.

De notariszoon Buydens werd geboren op 28 oktober 1760 en studeerde in het vermaarde college van de paters Oratoren van zijn geboortestad. In Leuven bestudeerde hij de wijsbegeerte en de godgeleerdheid en in 1786 werd hij priester gewijd. Tijdens zijn Leuvense periode behoorde hij tot de omgeving van Jan Frans van de Velde, de Beverse eximius die een van de meest scherpzinnige observatoren van zijn tijd was. Na een kort verblijf bij de ongeschoeide karmelieten in Charenton, trad Buydens toe tot de seculiere clerus van het bisdom Brugge, waar bisschop Brenart hem te hulp riep om zijn programma van katholieke verlichting in anti-jozefistische geest gestalte te geven. Buydens ging doceren aan het Brugse Grootseminarie en werd in 1791 kanunnik in het kapittel van de bisschopsstad.

Het Mechelse Oratorencollege

Niet onverwacht weigerde Buydens alle door de Franse republiek geëiste eden af te leggen, zodat enkel zijn onderduiken hem behoedde voor de deportatie naar Cayenne. Bij het herstel van de eredienst werd Buydens eerst pastoor van Onze-Lieve-Vrouw in Brugge en later deken van Gistel, dat voortaan tot het bisdom Gent behoorde.

Ook de Gentse bisschop de Broglie erkende Buydens’ kwaliteiten en stelde hem aan als vicaris-generaal tijdens zijn afwezigheid. Daar eindigde echter de verstandhouding tussen beide mannen – wat Buydens enkel kan sieren (zelfs de Broglies vader moest erkennen dat zijn zoon beter was in het intrigeren dan in het aanhouden van heldere principes). Buydens weigerde zijn bisschop te volgen in zijn nationaal-politiek geïnspireerd verzet tegen het Koninkrijk der Nederlanden en meende, net als de latere Mechelse aartsbisschop de Méan, dat de eed op de Grondwet van 1815 voor katholieken geen gewetensprobleem hoefde te veroorzaken. Rome zou hem gelijk geven, de Broglie vergaf het hem nooit.

Van zijn kant ging Buydens de weg die hij had gekozen consequent verder en aanvaardde hij een benoeming als hoofdaalmoezenier van het leger van Zijne Majesteit. De opdracht was eervol, maar niet eenvoudig. Het militaire wereldje stond niet bekend als erg devoot en Buydens diende met beperkte middelen een haast onmogelijke opdracht te vervullen. Gelukkig genoeg kon hij rekenen op de steun van een paar gelovige officieren en op de bijkomende aalmoezeniers die waren meegekomen met de Zwitserse regimenten.

De Nederlandse kazernes van Dendermonde

Buydens loyaliteit aan de Koning was oprecht, maar niet grenzeloos en als er een echt loyaliteitsconflict optrad tussen Koning en Paus, was de keuze snel gemaakt. In  1826 meenden een paar ambtenaren van het departement van eredienst dat een pauselijke bulle enkel kon worden bekendgemaakt na statelijk placet. Het placet werd verleend, maar de bisschoppen meenden unisono dat daartoe geen reden was en weigerden de bulle bekend te maken. Ook Buydens hield het been stijf, hoewel hij minder onafhankelijk stond tegenover de regering dan de bisschoppen. Zijn ontslag als hoofdaalmoezenier was dan ook het logische gevolg.

Wie had gehoopt in hem een luidruchtig bondgenoot de vinden voor het opkomende monsterverbond van de oppositie, was eraan voor de moeite. Buydens trok zich terug op de Katsberg, de schepping van Nicolaas Ruyssen (zie Geheime Nederlanden van 22 mei 2020). Na enige tijd noopte zijn gezondheid hem terug te keren naar zijn geboortestad, waar hij een leven van gebed leidde, slechts onderbroken door bezoeken aan bevriende religieuze huizen, zoals die van de paters redemptoristen, jezuïeten of trappisten. Tijdens een van die bezoeken aan het Gentse jezuïetenhuis overleed hij op de symbolische datum van 21 januari 1838.

Hans-Joachim Schoeps: een alternatief voor de ‘abendländische Abfallgeschichte’

In de schier eindeloze rij van ten onrechte vergeten denkers hoort zonder enige twijfel de enigmatische Hans-Joachim Schoeps (1909-1980) thuis. Hoewel hij te jong was om tot de eigenlijke George-groep gerekend te worden, roept zijn denken meermaals herinneringen op aan dat van de meester van Bingen en diens volgelingen. Als het erom gaat feitelijke invloed op Schoeps te onderscheiden, heeft de zogenaamde “bündische” jeugdbeweging ongetwijfeld grotere impact op hem gehad.

Schoeps was als religiewetenschapper vroegrijp en uiterst productief. In 1932 promoveerde hij in Leipzig op de geschiedenis van het Joodse denken over religie in de vroegmoderne tijd en voor het uitbreken van de wereldoorlog volgden nog vier andere titels. Het meest ophefmakende was een tweespraak met de gloeiende antisemiet Hans Blüher, onder de titel Streit um Israel.

Schoeps was immers zelf Joods, bewust en trots, net zoals hij bewust en trots Duits, of preciezer Pruisisch was. In zijn ouderlijk huis werd ook na 1918 op feestelijke dagen met de oude Pruisische kleuren gevlagd, en dat heus niet alleen om de keuze tussen de Rijksvlag en de kleuren van de Republiek te kunnen vermijden. Voor Schoeps was de Pruisische traditie niet gekenmerkt door militarisme en kadaverdiscipline, wel door ascese en rechtsstatelijkheid. Voor dat erfgoed, dat tot op grote hoogte ook dat van zijn geloofsgenoot Friedrich Julius Stahl was, bleef hij zich levenslang inzetten, ook nadat Pruisen officieel was opgeheven. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw was hij de motor achter groepen die voor of achter de schermen ijverden voor de herinrichting van de Pruisische monarchie onder het huis Hohenzollern.

Zijn dubbele Duits-Joodse loyaliteit zette hem ertoe aan na 1945 uit zijn Zweedse ballingschap terug te keren naar Duitsland en daar te gaan doceren aan de universiteit van Erlangen. Comfortabel was het niet: zionistische geloofsgenoten verweten hem niet naar Israël te komen, voor voormalige nationaalsocialisten was Schoeps, wiens beide ouders in de kampen werden omgebracht, een levend verwijt en progressieven van alle slag vonden in hem dan weer een hardnekkige tegenstrever.

Hans-Joachim Schoeps houdt een feestrede voor het Coburger Convent (1971)

Keer op keer verbaasde Schoeps vriend en vijand door zijn vermogen schijnbaar onverzoenlijke tradities met elkaar te verbinden. Net voor zijn vertrek uit Duitsland had hij de leiding genomen over de Deutscher Vortrupp. Gefolgschaft Deutscher Juden, die de vormen van de Duitse jeugdbeweging in een Joodse omgeving ingang wou geven. De jeugd beschouwde hij als een van de standen in een op Othmar Spann geïnspireerd beeld van een Pruisische standenstaat, net zoals hij de Joden beschouwde als een van de volkeren die het verenigde Duitsland samenstelden.

Na de oorlog lag hij aan de basis van het nog steeds verschijnende Zeitschrift für Religions- und Zeitgeschichte, waarin hij zijn visie op de moderniteit als een verhaal van abendländische Abfallgeschichte onderbouwde. Het was Schoeps’ tragiek dat zijn laatste levensjaren precies een versnelling van die geschiedenis van verval leken te vertonen. Ook de Wiedervereinigung, waarin Schoeps en de zijnen een momentum leken te zien voor een mogelijke meer omvattende restauratie, zou hem niet gebracht hebben wat hij verlangde. Schoeps was echter nuchter genoeg om te weten dat de namen die op de monumenten vermeld worden net die zijn van degenen die de overwinning niet mochten meemaken.      

De jonkheer en de trotskist

Dat Igor Cornelissen is overleden, had ik vroeger moeten weten. Het was even schrikken, want in het wereldje van reporters en journalisten wist hij bij hoge uitzondering te ontsnappen aan mijn collectieve en dus per definitie onredelijke excommunicatie.  Of dat nu ondanks of dankzij zijn verleden als trotskist was, kan ik voor mezelf niet precies uitmaken. Dergelijke lieden zijn vaak de intelligentere variant van de bolsjewiek en nu en dan geeft er eentje zelfs blijk van gevoel voor humor. Zelden drijven ze het fatsoen echter zo ver als Cornelissen in zijn portret van Jhr Robert Frédéric Groeninx van Zoelen (1889-1979).

Genoemd stuk verscheen in de bundel In Den Haag geschied, een bundel verhalen en beschouwingen naar aanleiding van het 750-jarig bestaan van de Residentie, verschenen in 1998. Waarom Cornelissen ervoor koos net over Groeninx te schrijven, is niet duidelijk, al was de jonker wel heel erg Haags.

De jonker

Wie Groeninx zegt, denkt vaak ook Gerretson en soms ook Horace Hugo van Gybland Oosterhoff, al was die net iets ouder dan beide kompanen. Ze zouden de drie G’s van de Nederlandse reactie in de twintigste eeuw kunnen heten. Groeninx en Gerretson speelden een relevante rol in het tegengaan van Troelstra’s couppoging in 1918 en lagen zo aan de basis van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm. Om mee te lopen met schreeuwlelijken als Mussert waren ze te nuchter en te Nederlands – en vooral te gelovig. Omtrent het naoorlogse bestel was hun enthousiasme beperkt, zeker toen Indië werd afgestoten en de morele neergang van de vooroorlog gewoon werd voortgezet, zij het dan aan een hogere snelheid.

Wat treft in Cornelissens portret van Groeninx is niet alleen respect en een zweem van begrip, maar zelfs bewondering voor diens bescheidenheid. Waar Cornelissen als journalist te pas en te onpas werd geconfronteerd met lieden die hem probeerden duidelijk te maken hoe belangrijk hun rol in de geschiedenis wel was geweest en hoe onrechtvaardig de Faam hen had behandeld, wuifde Groeninx de eigen rol vaak weg. In Sociëteit De Witte ging hij lezen en schrijven, ondersteund door de vijf jenevertjes die hij zichzelf gunde om de ochtend door te komen.

Bij het begin van zijn stuk schreef Cornelissen over Groeninx: “Van en over deze wonderlijke figuur is iets bewaard gebleven. Het type bestaat niet meer. Helaas.” En of hij gelijk had. En of dit portret geslaagd was. Het had zelfs iets van een zelfportret.  

Moge Igor Cornelissen bij zijn aankomst in de Eeuwige Sociëteit, eens hij bekomen is van de verbazing over het bestaan ervan, er spoedig zijn draai vinden.

De (oud-) trotskist

Barokconcert

Vele jaren lang, misschien wel twintig, lag Alejo Carpentiers Barokconcert ongelezen in mijn boekenkast. Toen ik het boek kocht, was ik een scholier met een illusie van muzikaal talent, die ook wel iets wou lezen over muziek. De titel, de omslag en de kunst van de vertaler trokken me keer op keer aan, maar net niet genoeg om het boek ook echt te lezen. Nu dus wel, en of ik ervan genoten heb. Mijn oude idolen Händel, Scarlatti en Vivaldi samen rond een tafel te zien in een mysterieuze jamsessie, wie had het ooit gedacht.

Een verrassing was het niet, want lezende over Carpentier had ik de pointe van zijn boek al onder ogen gekregen. Wat maal ik erom – geen spoiler alerts voor mij! De vraag is toch niet wat iemand vertelt, maar hoe hij het doet. En dat kan Carpentier als de beste.

Palais Sans-Souci in Milot, Haïti

Geen toeval dat hij ook schreef over die mysterieuze figuur van het onbegrijpelijke eiland naast Carpentiers Cuba, Haïti. Henry Christophe was adjunct van de sinistere Toussaint Louverture en werd de meest christelijke majesteit van het eiland. Hij liet in een alternatieve Lodewijkstijl zijn paleis Sans-Souci bouwen, waar hij ook een einde aan zijn leven maakte toen een staatsgreep onvermijdelijk leek. Zijn zoon en opvolger werd enkele dagen nadien gruwelijk vermoord, zijn weduwe en dochters konden in ballingschap leven in het Groothertogdom Toscane.

De koninklijke familie van Haïti in betere tijden

Carpentier probeerde zijn continent te begrijpen aan de hand van de muziek, de Afrikaanse invloed en de barokke cultuur. Het bracht hem tot een soort magisch-realisme dat onder een andere gedaante ook in de Nederlandse letteren kon gedijen.

Wat een heerlijk gesprek zou hij hebben gevoerd met Pyke Koch, hadden de twee mekaar ontmoet. Misschien moet iemand ze deze kans postuum nog bieden in een roman of novelle. De vraag zal niet zijn wie het doet, noch waarom, maar wel hoe.

Toscaans geïnspireerd werk van Pyke Koch

Het Ave van Karel de Stoute

Toen ik nog in Brussel woonde, had ik mezelf een lijst van tien ongewone plekken opgegeven die ik zeker wou ontdekken. Zoals dat dan gaat, waren de dozen al gevuld om terug te keren naar Amsterdam, eer ik bedacht dat acht van de tien visites nog ongedaan waren.

Aan het werk dus! Een van de plaatsen op de lijst was de kapel van Scheut. Ik had ergens gelezen dat hertog Karel de Stoute een bijzondere devotie had tot de Moeder-Maagd in dit genadeoord. Nu associeerde ik een vorst met die bijnaam niet onmiddellijk met enige vorm van godsvrucht en dat alleen was al een goede reden om eens te gaan kijken.

De Mariakapel van Scheut in 1834

De boeken die ik over het thema had gelezen, leerden me dat de oude kapel, met de bidplek van de Bourgondische hertogen, later was geïntegreerd in een kartuizerklooster. Het klooster had de revolutionaire woelingen niet overleefd, maar wel de kapel, die uiteindelijk geïntegreerd werd in de neogotische kloosterkerk van de missieorde die de naam van het gehucht draagt. Die is bekend als de paters van Scheut of Scheutisten – officieel is het de Congregatie van het Onbevlekte Hart van Maria, maar geen mens die ze zo noemt.

De Scheutisten waren voor de Kerk wat de grenadiers voor het leger waren. Niet altijd even subtiel, maar wel steeds in de voorste rangen. Vooral in China speelden ze een grote rol in de missionering. Net als bij de grenadiers waren de verliezen groot. Het bloed van de martelaren is het zaad van de Kerk.

Goed voorbereid trok ik dus richting Scheut, op een gammele lijnbus die door een warme zomermiddag reed. Ik was klaar voor de ontdekking – en vond niets. Blijkbaar hadden de Scheutisten ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw hun hoofdhuis afgebroken om in te trekken in een nieuw, architecturaal en naar gevreesd kan worden ook spiritueel nietszeggend gebouw. De aloude kapel was niet ontsnapt aan de sloophamers. Waar Karel de Stoute zijn Ave uitsprak, kunnen we enkel nog raden.

Een goede les: dat komt ervan als je je voorbereidt met teksten van meer dan vijftig jaar oud. Maar ook: de Beeldenstorm is niet beperkt gebleven tot de zestiende en negentiende eeuwen. Ook kort na Vaticanum II zijn er onbegrijpelijke dingen gebeurd. Post hoc, ergo propter hoc? Dat zou wat te gemakkelijk zijn. Dat de verwarring van die dagen niet hielp om wijze beslissingen te nemen, ligt echter voor de hand.

Dibbets. Schill. Planetta.

Over de politionele acties sprak mijn grootvader niet graag, net zoals de meesten van zijn lotgenoten. Hij schaamde zich niet over wat hij had gedaan onder de Nederlandse vlag en liep er ook niet mee te koop. Aan sommige van zijn reacties bleven we merken wat zijn verblijf met hem had gedaan, ook als hij al heel oud was geworden. Toen ik ging beseffen dat hij daar mensen had gedood, sprak ik hem er niet over aan. Hij wist dat ik het wist en dat zorgde voor een band.

Niet ver van Maastricht is een veteraan in een midlifecrisis doorgeslagen. Ik vraag me af wat grootvader ervan gedacht zou hebben. Hij was van de generatie die een aanbod van gespecialiseerde hulp als een belediging beschouwde. Misschien vergiste hij zich daarin.

Wat ik zeker weet, is dat hij allicht wel begrip zou hebben gehad, maar zeker geen sympathie. Alle misprijzen voor de zooi in Den Haag (en in Brussel zal dat wel niet anders zijn) vermocht hem niet af te brengen van een van zijn meest fundamentele militaire reflexen: discipline. Hij had gezien wat gezamenlijke moed kon verwezenlijken en wat individuele overmoed kon vernielen.

Wie de Limburgse militair aan hem had gepresenteerd als de voorhoede van een militaire coup, zou een schamper lachje hebben geoogst. Hij wist dat militairen even sterk waren op het vlak van staatsinrichting als burgers op het vlak van strategie. En dat avonturiers avontuur zoeken, waar het zich ook aandient. Hij vertelde me wel eens over George Nathan, die na zijn frontervaring in de Eerste Wereldoorlog in Ierland de harde ordehandhavers van de Black and Tans vervoegde en daar stevig de teugels kwijt raakte – om uiteindelijk te sneuvelen als lid van de Internationale Brigades in Spanje. Van rechts naar links had Nathan maar één constante: het gevecht zonder regels. Nathan is een goed antidotum tegen politieke soldatenromantiek.

Het Dibbetsmonument in Maastricht

In tegenstelling tot zijn generatiegenoten respecteerde mijn grootvader wel generaal Dibbets. Wie hem erop wees hoe strak de generaal het belegerde Maastricht had geleid tussen 1830 en 1839, kreeg een “net goed” als repliek. Avondklokken vond hij niet leuk, maar ook niet de kern van de Westerse beschaving. De strijd tegen de revolutie wel. Als hij ooit een van ons zou hebben betrapt op het populaire urineren tegen Dibbets’ monument, zou het niet onze beste dag zijn geweest.

Neen, gewapend door de bossen trekken omdat men niet mag doen wat men wil, zou grootvader niet getolereerd hebben. Dit is niet majoor Schill, die met een vrijkorps Napoleon bevocht als de overheid naliet dat te doen.  Dit is Otto Planetta, de sergeant die in bevolen dienst kanselier Dollfuss neerschoot om een collectieve vernedering te wreken. Het is geen van hen allen goed vergaan, maar te weten hoe Dibbets en grootvader erover zouden denken, vraagt weinig bedenktijd.

Het dodenmasker van majoor Ferdinand von Schill

Gerrit Dous klaslokaal

Over de zwakten en merites van ons onderwijsstelsel is veel te doen en dat niet sinds gisteren. Sedert 2006 ijvert Beter Onderwijs Nederland voor meer kwaliteit in het onderwijs, wat volgens deze vereniging onder meer het volgende inhoudt (punt 4 van haar doelstellingen):

“Leerlingen van verschillende intelligentieniveaus, met verschillende vaardigheden en interesses, moeten na de basisschool in onderscheiden schooltypen lessen volgen met op hun capaciteiten toegesneden vormen van onderwijs.”

Voor een vereniging die zich beroept op het gezonde verstand klinkt dat niet slecht, wat nog niet wil zeggen dat dit standpunt geen vragen oproept. Waarom dient er sprake te zijn van onderscheiden schooltypen en volstaat onderscheid binnen eenzelfde school niet, of is het zelfs niet wenselijk? Waarom is het einde van de basisschool het goede moment om te gaan focussen op ieders capaciteiten? Is dat niet te laat, eerder dan te vroeg?

Opnieuw valt het op dat de verdedigers van het gezonde verstand er niet in slagen het paradigma van hun tegenstrevers te verlaten. Op geen enkele manier stellen de vrienden van BON immers vragen bij het klassikale onderwijsmodel. Dat is eigenaardig, want zelfs een onschuldige club als het Nut heeft dat destijds wel gedaan – nadat zij eerst uitgebreid voor de invoering van het klassikale model had gepleit. Dat ging zo.

Hoe eertijds het onderwijs georganiseerd was, weten we uit de schilderijen van Gerrit Dou en Jan Steen, waarover we zo graag lacherig doen. Kinderen die door elkaar lopen, een onderwijzer die zich boos maakt op een jongetje. Vooral: wanorde, en dat verdragen we niet goed.

Ook de vrienden van het Nut vonden dat maar niets en bepleitten in de Patriottentijd en daarna met vuur de invoering van het klassikale model. Weg met de onderwijzer die de leerlingen een na een bij zich riep en voorzag van een opdracht naar ieders talent en vorderingen. Het gemiddelde moest voortaan heersen en het tempo werd niet langer bepaald door elke leerling voor zich, maar door wie noch te dom, noch te verstandig was.

Niets dan voordelen zou deze leermethode hebben volgens de verlichte geesten. Ze bevorderde de gelijkheid, want niemand werd slimmer dan een ander. Sommigen bleven dommer, maar dat was hun eigen schuld. Daarenboven liet het toe iedereen dezelfde ideeën en gedachten mee te geven. De school zou kinderen niet langer geschikt maken voor het leven en de kennis, maar voor het burgerschap.

Dat ook de Franse revolutionairen de dingen zo zagen, zal wel niemand verbazen. Samen met het leger werd de school de grote gelijkmaker. Michel Foucault mag dan al een weinig appetijtelijk kereltje zijn geweest, hij had het niet fout voor wanneer hij scholen net als gevangenissen en kazernes omschreef als instellingen die gericht zijn op het ordenen en leiden van mensen.

Althans: dat is waar voor de school van zijn tijd, voor de school die zich beroept op vrijheid en gelijkheid, bij gebrek aan broederlijkheid. Eens te meer blijkt het de moderniteit met haar pseudo-wetenschappelijke aanspraken te zijn die de basis heeft gelegd voor een samenleving die sterke gelijkenissen vertoont met een instelling voor gesloten jeugdzorg en dat voor de duur van het hele leven.

Het antwoord daarop is dus niet méér van die vrijheid maar wel een ander perspectief. Een perspectief dat natuurlijke distinctie in evenwicht weet te brengen met gelijkheid voor God. Of het klassikale systeem daartoe bijdraagt, is zeer de vraag.

De Prins en zijn volk

Bij een vorige gelegenheid brak ik een lans voor het aloude Wien Neêrlands bloed, dat door de publieke opinie toch wat mishandeld is. Het is echter goed dat het Wilhelmus een zelfde waardige toonzetting heeft en zelfs een oudere traditie vertegenwoordigt.

Onze vrienden in Vlaanderen worstelen wel eens met de toonzetting van hun volkslied. Hun officiële nationale hymne, de Vlaamse Leeuw, klinkt als een wat burgerlijker versie van de Marseillaise. Over onzuiver bloed gaat het enkel in die laatste, maar er wordt ook stevig geruzied in de eerste. Geef mijn portie maar aan Fikkie, ook al heb ik daar strikt genomen niets mee te maken.

In Vlaanderen hoor je dan ook geregeld dat het de Vlaamse Leeuw aan stijl ontbreekt. Vaak wordt dan het “Gebed voor het Vaderland” aangehaald als een mogelijk alternatief. Naar tekst en melodie valt daar aardig wat voor te zeggen:

Heer, laat het Prinsenvolk der oude Nederlanden
Niet ondergaan in haat, in broedertwist en schande;
Maak dat uit de oude bron nieuw leven nogmaals vloeit,
Schenk ons de taaie kracht om fier, vol vroom vertrouwen,
Met nooit gebroken moed ons land herop te bouwen;
Tot statig als een eik voor U ons volk herbloeit.   

Voor sommigen is het een probleem dat de auteur van deze tekst na de Tweede Wereldoorlog enige tijd in hechtenis zat, ook al werd hij niet veroordeeld. Dat laatste zou in een rechtstaat moeten volstaan en wie echt spijkers op laag water wil zoeken, weze eraan herinnerd dat de tekstdichter van het Wilhelmus een taliban van zijn tijd was.

Daar gaat het nu dus niet over, wel over het eigenaardige woord in de eerste versregel: een Prinsenvolk, wat mag dat nou zijn?

Vandaag wordt die term vaak als een soort collectieve adelbrief beschouwd. Onlangs schreef iemand dat met “Prinsenvolk” wordt gewezen op het “rijke financiële en culturele verleden van Vlaanderen.” Als dat zo is, zijn er nogal wat Prinsenvolkeren op deze aarde.

Voor anderen wijst de term op een collectieve adelsverheffing, de nationalistische dwanggedachte dat er binnen een cultuurgemeenschap geen verschillen mogen zijn van sociale, economische, politieke of religieuze aard. Allemaal Prins, allemaal gelijk. Misschien motiveerde dat wel de schrijver van de verzen, ons maakt het niet zo enthousiast.

Het Prinsenvolk in zijn historische betekenis

Zullen we dan maar even gaan snuisteren in de geschiedenis van de Nederlandse taal? Erg courant is de term Prinsenvolk  daar alvast niet. In de achttiende eeuw werd hij, meestal ironisch, gebruikt om mensen van Joodse religie, van het Uitverkoren Volk mee aan te duiden.

Positiever en ouder is dan weer de betekenis die het “volk” niet als een natie, maar als een militaire macht beschouwt, zoals in de termen voetvolk of paardenvolk. Het Prinsenvolk is daar het leger van de Prins van Oranje, of dat nu de Zwijger of Willem II was.

Misschien moet ook Vlaanderen wel teruggrijpen naar de meest oorspronkelijke betekenis? Een kwart van de Oranjesteden ligt in de Zuidelijke Nederlanden en vele dorpen en vlekken hebben meer te maken met de Koninklijke Familie dan de inwoners beseffen. Keert dat besef terug, zal ook het statige volkslied van het Zuiden zijn betekenis volop terugwinnen.

Waarom Prinses Alexia de Koning van Hispanje toch beter eert

Het fenomeen kreeg enige aandacht in Frankrijk maar behoudens vergissing hoegenaamd niet in ons land – hoewel dat toch direct betrokken is. Waar de vaderlandse pers een jaar geleden ruim aandacht besteedde aan een ongelukkige uitlating van een Argentijnse journaliste over prinses Amalia, is de interesse die in datzelfde land wordt getoond voor haar jongere zus prinses Alexia blijkbaar onder de radar gebleven.

Nochtans is de inzet niet gering: de Argentijnse monarchistische beweging wenst haar namelijk de troon van het land aan te bieden, in een poging om een onafhankelijk gezag in het land te herstellen.

Het is overigens niet de eerste keer dat aan de Rio de la Plata staatkundige inspiratie wordt gezocht in de Lage Landen. Toen de revolutiegolf die in de vroege negentiende eeuw over Zuid-Amerika spoelde de laatste vicekoning, Francisco Javier Elio, naar huis stuurde, verenigden de landen die onder zijn gezag stonden zich in de zogenaamde Verenigde Provinciën van de Rio de la Plata. Later werd die naam vervangen door de Argentijnse confederatie en uiteindelijk door Argentinië.

Francesco Javier Elio, de laatste Spaanse vicekoning van de Rio de la Plata

Maar ernstig? Een Oranje op de Argentijnse troon? Vleiend, maar geen goed idee. De Argentijnse monarchisten zijn best sympathiek, maar denken volkomen orleanistisch, waarbij een vorst een middel is om een institutionele chaos voor enige tijd te bezweren. Ze vergeten dat stabiliteit rust op legitimiteit, zodat het niet helpt overzee een vorstendochter te gaan zoeken om het probleem van de instellingen te regelen.

Daarenboven is Argentinië ontstaan uit een opstand tegen de legitimiteit, waarbij de nieuwe rijken van de steden en plantages zelf staatshoofd wouden spelen en daarom de Spaanse koning vervallen verklaarden. Zou het geen goed idee zijn om het euvel bij de wortel aan te pakken en na te denken hoe de dwaalweg van 1810 kan worden rechtgezet? Als er een koning van Argentinië is, is die ook koning van Spanje.

Dat maakt de zaken nog wat delicater, want de legitieme opvolger van de Spaanse koningen van toen is Alexia’s achterneef Carlos de Bourbon de Parme, zoon van prinses Irene en Don Carlos Hugo (behalve voor wie op basis van de Spaanse theorie van de “legitimiteit van het gedrag” aanvaardt dat de rechten van Carlos Hugo op de kroon waren vervallen en zijn overgegaan op zijn kinderloze broer Don Sixto Enrique). Hoe men het ook draait of keert, de koning van Argentinië woont in Den Haag.

Misschien moeten de Argentijnen de instellingsgeschiedenis van de Lage Landen nog wat grondiger bestuderen en ontdekken hoe ooit een Oranje de rechten van een Spaanse vorst is gaan uitoefenen met de titel van stadhouder. Hoe hij “in stede van” de koning het land bestuurde. Wat een mannelijke Oranje ooit kon, moet een vrouwelijke vertegenwoordigster van het hoge Huis zeker kunnen.    

Prinses Alexia, morgen stadhouder aan de Rio de la Plata?