Het clavecin speelt door – net als de gamba

Er is iets paradoxaals aan wat ik “cultureel conservatisme” zou noemen. Elk geïnformeerd conservatief zal het gauw met u eens zijn dat de essentie van zijn ideaal te maken heeft met cultuur, en niet met politiek. Toch bestaat het leeuwendeel van de literatuur van, voor en over conservatieven uit teksten over politiek. Uitingen van conservatief denken met betrekking tot de kunsten zijn een zeldzaamheid (met misschien een kleine uitzondering voor het terrein van de architectuur, en dan nog). Als er dan eens een tekst opduikt die een dergelijke reputatie heeft, blijken er bij nader inzien toch haken en ogen aan te zitten.

Abbé Hubert le Blanc, jurist en gambist, moet een wat excentriek iemand zijn geweest. Toen hij eindelijk een uitgever had gevonden voor zijn Défense de la basse de viole, een pleidooi voor de aloude gamba, nam hij – zo gaat de legende – meteen de diligence naar Amsterdam, de stad waar die uitgever was gevestigd. Dat het avond was, en hij nachtkleed, slaapmuts en pantoffels droeg, deed niet ter zake.

De anekdote is bekend, en wordt trouwens voor rekening van meer dan één auteur verteld. Minder bekend is de inhoud van Le Blancs verdedigingsrede, die ontstond op het kantelpunt tussen de barokke en de verlichte cultuuropvatting. De niet gewaarschuwde lezer zal allicht raar opkijken als hij merkt dat Le Blanc naar de vorm resoluut modern is, en spot met de klassieke Franse muziekvorm van de “pièces”. Geef hem maar de moderne sonate, die hij eigenaardig genoeg omschrijft als de meer vrije vorm van musiceren.

Volkomen terecht is Le Blanc echter vooral bekend gebleven voor zijn visie op de instrumentenkeuze. Niet alleen de teloorgang van de gamba betreurt hij, maar ook die van andere instrumenten als de gitaar, de luit, de blokfluit en het clavichord. En wat hebben al die instrumenten gemeen ? Dat zij minder luide tonen voortbrengen als hun rivalen, de dwarsfluit, de viool of de pianoforte. Zij zijn het slachtoffer geworden van een muziekcultuur die decibels verkiest boven densiteit, die kwantiteit belangrijker vindt dan kwaliteit, die massa laat domineren over passie.

Le Blanc verbindt daarmee trouwens een muzieksociologische analyse avant la lettre. De vergeten instrumenten konden gedijen in een cultuur van huiselijk musiceren, waarbij de amateurs ook zelf musiceerden, en de beroepsmusici in de eerste plaats leraren waren. In de plaats daarvan kwam een muziekcultuur die amateurs en professionelen strikt van elkaar scheidde. Voor emulatie was er geen plaats meer, enkel voor eenzijdige bewondering in het kader van de concertzaal. Zou het kunnen dat de romantiek hier al om de hoek kwam kijken ?

Marin Marais

Marin Marais, de referentiegambist in de dagen van Le Blanc

In de tijd van onze grootouders wist hoogstens nog een erudiete melomaan wat een viola da gamba was. De generatie van onze kinderen weet, als ze tenminste iéts weet, hoe een clavecimbel klinkt. Meteen een ervaringsbewijs van het feit dat de geschiedenis niet lineair verloopt, en dat het verleden wel degelijk terugkomt, zij het vaak op een onverwachte manier. Hier is een halve eeuw historische uitvoeringspraktijk voorbijgekomen, die ons bracht tot nieuwe reflectie over de barok en haar Terrassen-Dynamik, in plaats van de romantische Schwell-Dynamik.

Zo werd de ergernis van Le Blanc, met eeuwen en eeuwen vertraging, gestild door het vers van Wilfred Smit, die zijn gedicht “Rococo” afsloot met een reminiscentie aan zo’n vergeten instrument:

 

Gracielijk en licht sterven,

een kleine zucht in de paniers

en ’t is niet meer.

 

Dien avond heeft men ons

gekleed te bed gelegd,

als in een rose medaillon

voor iedereen te kijk –

 

en o bepoederde horreur,

het clavecin speelt door.

 

 

 

P.S.: Wie in ’s Hage heeft geleefd, hoort in dat laatste vers een volmaakt rijm.

Hugo von Hofmannsthal over 1 mei

De lieden die Bismarck omschreef als kerels zonder vaderland, en Helmut Kohl – preciezer – als kerels zonder geschiedenis, vieren vandaag feest. Ze doen dat in triomfmodus, wat altijd een slecht voorteken is. De overwinning is vaak een gelegenheid voor slechte poëzie; het is in tijden van nederlaag, verdrukking en bedreiging dat de Muzen te hulp komen. Finem lauda, wist Don Alfonso al.

Het zal sommigen geen plezier doen, maar een van de betere verzen over 1 mei is van de hand van de jonge Hugo van Hofmannsthal, die op 1 mei 1890 zijn gevoelens over de rode stoet op papier zette. Het eerste deel van het derde vers is daarbij een akelige voorspelling van wat werkelijkheid is geworden in de twintigste eeuw .

 

Tobt der Pöbel in den Gassen, ei, mein Kind, so lass ihn schrei’n.

Denn sein Lieben und sein Hassen ist verächtlich und gemein.

Während sie uns Zeit noch lassen, wollen wir uns Schönerm weih’n.

Will die kalte Angst dich fassen, spül sie fort in heissem Wein !

Lass den Pöbel in den Gassen: Phrasen, Taumel, Lügen, Schein,

Sie verschwinden, sie verblassen – Schöne Wahrheit lebt allein.

 

naamloos (3)

De jonge Hugo von Hofmannsthal

Oratores, laboratores, bellatores

Wat hebben Leuven, Scherpenheuvel, Temse, Sint-Niklaas, Veurne, Oostende, Ronse en Mechelen met elkaar gemeen ? Tot de Grote Franse Furie werd in elk van deze steden onderwijs verstrekt door de oratorianen – of zoals ze hier werden genoemd, de Oratoren. Waar de jezuïeten vaak de objectieve bondgenoten waren van het centrale gezag, waren de oratorianen dat van het lokale en regionale gezag. De huizen in de Zuidelijke Nederlanden waren opgericht door de Congregatio Oratorii Iesu et Mariae, de sociëteit van apostolisch leven die de Franse kardinaal Pierre de Bérulle in 1611 had opgericht naar het model van de oudere Congregatio Oratorii van de Heilige Filippus Neri. Het “Franse oratorium” werd opgeheven tijdens de revolutiejaren, en na de heroprichting in 1852 beperkte de congregatie haar activiteit tot het Franse grondgebied.

Dat lag en ligt anders voor het “Italiaanse oratorium”, zoals blijkt uit een recent bericht. De Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns kende onlangs een bijzondere erepenning toe aan de oratoriaan pater John Newton Johnson voor zijn uitzonderlijke bijdrage tot de bevordering van de Afrikaanse taal in de Rooms-katholieke Kerk in Zuid-Afrika.

Zuid-Afrika staat niet bepaald bekend als een centrum van katholiciteit, maar kent toch niet minder dan drie vestigingen van het oratorium: in Oudtshoorn, Bloemfontein en Port Elisabeth. Waar de katholieken in Zuid-Afrika grotendeels Engelstalig zijn, hebben de oratorianen resoluut gekozen te werken met Afrikaanstaligen. Pater Johnson ligt aan de basis van de vertaling van het missaal, het lectionarium en meerdere rituales naar het Afrikaans. Als zinspreuk houden zij (onder meer op hun webwerf www.dieoratorium.org) “God is ons erns” aan, een allusie op de leuze “Dit is ons erns”, die in de taalstrijd voor het Afrikaans werd gehanteerd. Het huis in Oudtshoorn telt vijf priesters en twee broeders.

Dichter bij huis, in Londen, staat Brompton Oratory (www.bromptonoratory.co.uk – zie ook de foto hieronder). In deze kerk traden Stéphane Mallarmé, Edgard Elgar en Alfred Hitchcock in het huwelijk – om meerdere redenen natuurlijk niet met elkaar. Vandaag staat de communauteit bekend voor haar verzorgde liturgie, zowel in het Engels als in het Latijn, en zowel in de gewone als in de buitengewone vorm van de Romeinse liturgie. Dat liturgisch pluralisme niet enkel een mooie traditie van de Moederkerk is, maar ook praktisch werkt, wordt in Londen dagelijks aangetoond.

 

800px-Brompton_Oratory-1

 

Het zou een goede zaak zijn als de Oratoren, zij het dan in hun Italiaanse variant, de weg naar de Lage Landen zouden terugvinden. Een experiment loopt blijkbaar in Tilburg, en het valt te hopen dat dit experiment succesvol zal blijken. Op het moment dat het klassieke parochiale model van kerkorganisatie onder druk staat, past het opnieuw te kijken naar beproefde vormen als het oratorium of een grotere betrokkenheid van regulieren in de parochiepastoraal (zoals de norbertijnen eeuwenlang in grote delen van het hertogdom Brabant die beoefenden).

Lessen van de Munkaczer rebbe

Een fraai zicht was het zeker niet. Iets zegt “Geheime Nederlanden” dat de expliciete verwijzing naar huwelijkstrouw, als de basis voor specifieke keuzes inzake het al dan niet schudden van handen, de druppel was die de emmer deed overlopen. Voor sommige prominenten is dat woord gaan klinken als een persoonlijk affront – wat eigenlijk hun probleem is, maar inmiddels werd verheven tot een geloofspunt in de samenleving. Het zij zo.

Voor de godvrezende Joden in Antwerpen is zo opnieuw, en op een pijnlijke manier duidelijk geworden dat een deel van hun buren niet echt gesteld is op hun aanwezigheid. Bij wijze van rechtzetting herinneren wij graag aan wat ons verbindt met het orthodoxe Jodendom, met name dan in zijn antizionistische variante.

Voor alle duidelijkheid: met antizionisme bedoelen we iets heel anders dan een bepaalde linkerzijde, die haar antisemitisme graag in een antikapitalistisch manteltje hult. Eens noemde de Duitse socialist August Bebel het antisemitisme het “Sozialismus des dummen Kerls” – met andere woorden de juiste opvatting om de foute redenen. Vandaag is het linkse antizionisme vooral een poging om op een meer gesofisticeerde wijze de oude hobby van het antisemitisme te beoefenen.

Daartegenover staat een antizionisme dat boven elke verdenking staat en wortels heeft in de Joodse orthodoxie zelf. Het verwerpt het zionisme als een vorm van nationalistisch constructivisme, als een besmetting van de Joodse identiteit met een moderne Europese ketterij. Die strekking binnen de Joodse orthodoxie staat sterk in Israël zelf, verenigd rond het rabbinale gerechtshof van de Edah HaChareidis. In de Verenigde Staten is New York het bolwerk van het orthodoxe antizionisme. In Europa is dat Antwerpen.

De banden tussen het antizionisme en de Lage Landen zijn trouwens opmerkelijk. De eerste martelaar van de antizionistische beweging was de Nederlandse schrijver Jacob Israël de Haan, die na zijn emigratie naar Israël een van de voormannen van de beweging rond Edah HaChareidis werd (foto hieronder). Op 30 juni 1924 werd hij bij klaarlichte dag doodgeschoten door een moordcommando van de zionistische en anti-Britse Haganamilitie.

JI de Haan

 

Nog vroeger, in 1908, ontmoette Koningin Wilhelmina in het Boheemse Marienbad de Munkaczer rebbe, Chaim Elazar Spira , die haar zegende met het oog op de spoedige geboorte van een troonopvolger of troonopvolgster. Toeval of niet, maar ongeveer een jaar later werd prinses Juliana geboren. In orthodoxe kringen werd ruim aangenomen dat er een relatie van oorzaak tot gevolg bestond, en dat het overleven van het Huis van Oranje aan de rebbe te danken was. (Op de foto hieronder staat de rebbe afgebeeld tijdens een ontmoeting met een minder aanbevelenswaardig iemand, namelijk de Tsjecho-Slowaakse president Benes.)

SpiraBenes

Naast dichters als De Haan en mystici als de Munkaczer rebbe, bracht de antizionistische orthodoxie ook stevige denkers voort. Een daarvan is de Duitse godsdiensthistoricus Hans-Joachim Schoeps, die onder meer publiceerde over de relatie tussen de barok en een vorm van filosemitisme. Politiek gezien viel Schoeps op door zijn poging en synthese tot stand te brengen tussen de erfenis van de Duitse jeugdbeweging en het orthodoxe Jodendom. Ook was hij een pleitbezorger van een herstel van de Pruisische monarchie, in haar pre-Bismarckiaanse en contrarevolutionaire variante, in het spoor van zijn geloofsgenoot Julius Stahl.

Kortom, de Joodse orthodoxie verdient beter dan het amalgaam dat vorige week met groot enthousiasme werd beoefend. Een orthodoxie die zich onderscheidt door zin voor nuance en traditie is misschien gewoon te subtiel voor een samenleving die brutaliteit tot huismerk aan het maken is.

Luxe, kalmte en volop thee

Wie tijdens een zondags noenmaal de vraag opwerpt welk type bouwwerk nu het meest kenmerkend is voor de Lage Landen, zal allicht om de oren geslagen worden met belforten en kathedralen. Zo leren inderdaad de ketters, maar zij dolen.

Als één structuur typisch is voor de Nederlanden, is dat de theekoepel – het stijlvolle tuinhuis dat met name bij de landhuizen aan de Vecht, maar ook in stille stadjes als Franeker, rust biedt die in de hoofdwoning een schaars goed is geworden.

In de zeventiende en achttiende eeuw werden deze huisjes in de Verenigde Provinciën verzelfstandigd tot ware kunstwerken. Die verzelfstandiging was trouwens een feit in de meest letterlijke zin van het woord, want de koepels maakten zich los van de tuinmuur, en werden vrijstaande gebouwtjes. Waar een groot deel ervan aansluiting vond bij de dominerende stijl van de klassieke barok, waren er ook heel wat koepels die exotische modes weerspiegelden. Met name Chinese en Japanse bedenksels kwamen meermaals voor.

Afbeeldingsresultaat voor theekoepel

In de negentiende eeuw overleefde de theekoepel ternauwernood. Hier en daar kwam een neogotisch monstertje om de hoek kijken, maar meestal bleef de vormentaal van de barok domineren. Vooral echter verloor de theekoepel aan populariteit, terwijl het gewone tuinhuis de uiterste grenzen van de lelijkheid ging opzoeken.

In de Zuidelijke Nederlanden zijn de theekoepels minder talrijk. Uit het tijdvak dat hun bloeiperiode in het Noorden was, zijn er daar maar twee bewaard gebleven, eentje in het kasteelpark van Mariakerke bij Gent, en eentje in het kasteelpark van Reet (hieronder).

450px-Theehuis,_Kasteel_Laarhof,_Reet

 

Het meest indrukwekkende voorbeeld is het paviljoen de Notelaar in het kasteelpark van de hertogen d’Ursel in Hingene (hieronder) – maar over de vraag of dit nog een theekoepel is of een zelfstandig bouwwerk, lopen de meningen uiteen.

 

Afbeeldingsresultaat voor notelaer hingene

 

In Herentals is dan weer het allicht enige voorbeeld te vinden van een Zuidelijke theekoepel uit de periode van het Koninkrijk der Nederlanden.

Vooral de late negentiende eeuw zag het Noordelijke model naar het Zuiden afzakken – niet voor de eerste keer nam het Zuiden Noordelijke ideeën over op het moment dat die daar werden verlaten. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in de kasteelparken van Lebbeke en Jabbeke, en in een villatuin in Baarle-Hertog. Kort na de Eerste Wereldoorlog werd in Zedelgem nog een theekoepel gebouwd. De voorbeelden die nadien ontstonden, passen meer in de traditie van het exotisme dan in de continuïteit van het Noord-Nederlandse model.

Net zoals het wachten is op de couturier die op een frisse manier nieuw leven geeft aan de regionale Trachten van de diverse Nederlanden, kijken we uit naar de architect die in de hectiek van deze eeuw weer aanknoping vindt bij het symbool van luxe en rust dat de theekoepel is. Dan wordt Bomans’ Baudelaireparafrase uit de titel van dit stukje weer een tijdloze werkelijkheid.

Filips Willem, tussen Egmont en Alva

Dit jaar is het vierhonderd jaar geleden dat in Brussel Filips Willem, Prins van Oranje, oudste zoon van de Zwijger overleed. Vanochtend werd in Diest het jaargetijde opgedragen waarom hij in zijn testament had gevraagd. Het siert de plaatselijke deken Felix van Meerbergen dat hij dit verzoek weer is gaan uitvoeren, na eeuwen van vergetelheid.

Naast de jaarlijks terugkerende plechtigheid, verantwoordt de ronde verjaardag een aantal bijkomende uitingen van belangstelling voor de Prins. In Diest zijn er lezingen en tentoonstellingen, en bij de Utrechtse uitgeverij Omniboek verscheen een monumentale biografie van de Prins, van de hand van P.J. Schipperus.

Filips Willem

Prins Filips Willem

 

Bij het werk van deze Rotterdamse jurist past eerbied (om eens niet het zo vaak misbruikte woord “respect” te hanteren), maar eerbied hoeft niet in de weg te staan van kritische zin. Het boek is moeilijk leesbaar, en zwijmelt onder de ordeloos aaneengeregen citaten uit de uitgegeven briefwisseling van de protagonisten van de Opstand. Daarenboven is het onevenwichtig opgebouwd: de eerste helft van het leven van Filips Willem wordt besproken op 300 bladzijden, de tweede helft moet het stellen met amper vijftig pagina’s. Nochtans is net die tweede helft de meest actieve periode in het leven van de Prins, in tegenstelling tot zijn jeugdjaren en de jaren die hij in gevangenschap in Spanje doorbracht.

Het probleem is echter dat de auteur zich niet helemaal (of, als we heel eerlijk zijn: helemaal niet) heeft weten los te maken van het stereotiepe beeld dat hij allicht overhoudt uit zijn verblijf op de basisschool. Die visie kan worden samengevat als een amper geactualiseerde versie van de Zwarte Legende, die Filips Willem reduceert tot “de zoon van zijn vader” en een slachtoffer van de booswichten in het westernverhaal dat de Opstand in die visie is, namelijk Alva en Filips II.

Van een biograaf mag worden verwacht dat hij zich kan inleven in zijn onderwerp. Dat lukt Schipperus hoegenaamd niet. Hij heeft wel sympathie voor Filips Willem, heeft er zelfs medelijden mee, maar moet meermaals zijn toevlucht nemen tot het afdoen van uitspraken van de Prins als “gedaan onder dwang” of zelfs het product van hersenspoeling. Dat een Prins van Oranje oprecht trouw kan zijn aan de Kerk van Rome en de Spaanse Habsburgers, is voor deze auteur een ondenkbare gruwel.

Dat is jammer, want het is precies die genuanceerde positie die Filips Willem tot een bijzonder boeiend figuur in onze geschiedenis maakt. Schematisch, al te schematisch is de Prins erin geslaagd afstand te houden van het wanstaltige dilemma dat de protagonisten van de Opstand in de greep hield. Wie vasthield aan het overgeleverde geloof, en niet mee wenste te lopen met de herauten van de reformatie, die onder de roep voor religieuze vrijheid vooral de persoonlijke drang naar dominantie verborgen, bevond zich binnen de kortste keren in het kamp van de hertog van Alva. Alva was een gecultiveerd man, die behoorde tot de oude adel, maar slechts matig trouw was aan de waarden van zijn stand en bereid bleek bij te dragen tot verspreiding van die andere nieuwlichterij, het centralisme. En wie de verdediging opnam van het oude recht, vond ongewenste bondgenoten in degenen die de grondslag van dat recht, namelijk de religie, onderuit wensten te halen. Dat een houwdegen als Egmont er het noorden bij verloor, mag niet verbazen. Enkel een politieke condottiere als de Zwijger kon, met behulp van het betere bochtenwerk, zijn eigen positie handhaven, tot die noodlottige zomerdag in Delft.

Schipperus’ conclusie, dat Filips Willem een monument verdient voor zijn standvastigheid, is dus correct, maar om de foute redenen. Niet dat hij in de Zuidelijke Nederlanden “weigerde een pion van Spanje” te worden, maar dat hij weigerde over te gaan tot de keuze tussen het traditionele geloof en de traditionele staatsinrichting, maakt deze Prins van Oranje het herdenken waard. Symbolisch, want ogenschijnlijk ingehaald door de feiten, vertegenwoordigde hij de erfenis van de Unie van Atrecht, dat betere, maar vergeten alternatief voor de Utrechtse Unie.

Prins Frederik

Prins Frederik

 

Ter zijde: op een bepaald ogenblik ontstond in het Noorden grote, maar onterechte paniek, omdat werd gevreesd dat Filips Willem de plaats van aartshertog Albrecht zou innemen als landsheer van de Zuidelijke Nederlanden. Op die manier zouden Zuid en Noord zo niet formeel, dan toch feitelijk geregeerd worden door twee broers uit het zelfde Huis en zou de verhouding tussen beide landstreken fundamenteel geregeld zijn door een familiepact. Onwillekeurig denkt men daarbij aan de piste die 175 jaar later in de Nederlanden opgeld maakte, en waarbij Willem, de oudste zoon van stadhouder Willem V zijn vader zou opvolgen in de Verenigde Provinciën, terwijl zijn jongste zoon Frederik landsheer zou worden over de Zuidelijke Nederlanden, op dat moment kortstondig samengebracht in de Verenigde Nederlandse Staten.

 

Turba

Wie oprecht gelooft in the wisdom of the crowds, moet op Goede Vrijdag met dubbele aandacht luisteren naar het Lijdensverhaal. De ongeordende en ongeleide massa blinkt uit in onredelijkheid en wreedheid. Wanneer Pilatus, uitgerekend Pilatus, haar vraagt waarom zij toch voor Barabbas kiest, komt zij niet verder dan haar haat en woede nog luider uit te schreeuwen.

Tegenover de wreedheid van het groepsdier mens, staat zijn individuele afgunst. Combineer de beiden, en de erfzonde grijnst je toe in alle akeligheid. Voeg er de zonde van Pilatus, de lafheid, aan toe en je begrijpt waarom het droevige verhaal van N.P. van Wyk Louws gedicht “Raka” een onontkoombare waarheid is. In de strijd tussen schoonheid en slechtheid in de wereld, wint de laatste. Niet door ongelukkig toeval, maar door de aard van het beest “mens”.

Met de consequentie die het protestantisme in zijn betere verschijningsvormen eigen is, schreef de Overijsselse dichter Jacobus Revius in de vroege zeventiende eeuw:

 

’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten,

Noch die verraderlijk U togen voor ’t gericht,

Noch die versmadelijk U spogen in ’t gesicht

[…]

Ik ben ‘t, o Heer, ik ben ’t die U dit heb gedaan,

Ik ben de zware boom die U had overlaân,

Ik ben de taaie streng waarmee Gij ging gebonden.

 

In de natuurlijke orde staan de dingen er niet vrolijk voor. Maar net in deze tijd worden we eraan herinnerd dat de wetten van de (menselijke) natuur niet het laatste woord hebben.

 

Resurrexit, sicut dixit.

 

En daar valt niets aan toe te voegen.

Immanente gerechtigheid

Als ik dezer dagen in Mechelen kom, probeer ik dat op het halve uur te doen. De beiaard van Sint-Rombouts laat dan een aantal oude melodieën horen, en eindigt op het vrolijke toontje van “De koekoek”.

Met die vogel heb ik niets, en met het lied eigenlijk ook niet. Maar pater Boones standaardwerk over het Nederlandstalige volkslied leert ons dat de melodie onder een andere naam bekend staat in de Zuidelijke dan wel in de Noordelijke Nederlanden. Wat in Mechelen “De koekoek” heet, zou in Delft “Al is ons Prinsje nog zo klein” genoemd worden. Met andere woorden: om het halve uur klinkt over de Mechelse daken een aloud Oranjelied:

 

“Al is ons Prinsje nog zo klein, vivat !

Alevel zal het Stadhouder zijn, vivat !

Al buigt de stam, al kraakt het riet,

Alevel treurt Oranje niet !

Vivat Oranje, hoezee !”

 

Dat is overigens niet de eerste keer. In de herfst van 1830 speelde de blinde stadsbeiaardier de zelfde melodie vanop de zelfde toren, en dat is hem slecht bekomen. De plaatselijke vertegenwoordigers van het nieuwe Belgische bewind, wier vakkundigheid inzake relschoppen en plunderen door niemand werd betwijfeld, stormden de toren op en gaven de arme man een stevig pak slaag. Het gegeven dat hij er niet aan dacht om zijn muziekkeuze aan te passen aan de gewijzigde politieke omstandigheden maakte hem tot een verdacht sujet, dat hardhandig moest worden herinnerd aan het feit dat anderen nu de plak zwaaiden.

Dat de geliefde melodie van de oude beiaardier 188 jaar na datum weer vanop de toren klinkt, is een vorm van historisch rechtsherstel, of zoals men dat vroeger in het nabijgelegen bisschoppelijk paleis zou hebben genoemd: van immanente gerechtigheid. Als dit het tempo is waarop in Mechelen historische vergissingen worden gecorrigeerd, ligt het in de lijn van de verwachtingen dat de stad in het jaar 2203 overgaat tot het omdopen van een van de stedelijke pleinen tot Aartsbisschop André Jozef Léonard-esplanade.

Waterstaatskerken

Beweren dat de staat nooit iets goeds heeft gedaan voor de kerk, zou kort door de bocht gaan. Een van de betere realisaties van de vroege negentiende eeuw zijn de zogenaamde waterstaatskerken, voornamelijk katholieke kerken die in de Noordelijke Nederlanden werden opgetrokken door het departement waterstaat om de schuilkerken te vervangen door waardige openbare gebouwen. Vaak zijn zij opgetrokken door anonieme of minstens weinig bekende architecten, soms zijn zij het werk van monumenten van de bouwkunst als hofarchitect Tielman Frans Suys.

De eerste waterstaatskerken werden opgetrokken onder Lodewijk Napoleon, de kortstondige Koning van Holland en ongetwijfeld de meest sympathieke telg van de familie Bonaparte. Niet alleen zijn koningstitel, maar ook zijn bouwprogramma werd overgenomen door het Huis van Oranje, minstens tot het herstel van de katholieke hiërarchie in 1853, dat het einde betekende van de feitelijke alliantie tussen Oranje en Rome.

De stijl van de waterstaatskerken is mild classicistisch, zonder te vervallen in antiekdoenerij en zonder afbreuk te doen aan de herkenbaarheid van het gebouw als kerk. Anderzijds steken ze gunstig af tegen de romantiserende excessen van de neogotiek in de latere negentiende eeuw, ook al werden vele neogotische kerken opgetrokken door het departement waterstaat of – in het Zuiden na de muiterij van 1830 – door de provinciale architecten, die de opvolgers waren van hun collega’s van Rijkswaterstaat.

Voor mij blijven de waterstaatskerken een geslaagd voorbeeld van eigentijdse én tijdloze architectuur, toegepast op de vroege negentiende eeuw. Dat zij de persoonlijkheid van hun architecten niet echt weerspiegelen, is misschien wel meer een voordeel dan een nadeel en kan ook vandaag architecten inspireren die de moeilijke oefening van het combineren van tijdloosheid en eigentijdsheid willen nastreven.

File:Mozes en Aaronkerk 1.jpg

 

Afbeeldingsresultaat voor waterstaatskerk

Afbeeldingsresultaat voor waterstaatskerk

 

 

 

Gezusters Porro, bid voor ons

Vorige woensdag, op 7 maart, was het 72 jaar geleden dat in het Zuid-Italiaanse stadje Andria de zussen Carolina en Luisa Porro gelyncht werden door een “cieca pleba pervertita”, zoals het op hun gedachtenisprentje werd omschreven. Hun zussen Stefania en Vincenzina overleefden de moordpartij. Hun misdaad ? Ze hadden een deel van hun rijkdom gedeeld met de armen, door gronden en gelden te schenken aan de paters Salesianen, die op de gronden een klooster en een school op zouden bouwen. Zo kwamen zij niet langer in aanmerking voor onteigening door het linkse gemeentebestuur, omdat ze sowieso een bestemming van maatschappelijk nut hadden gekregen.

Kort na het einde van de oorlog was Zuid-Italië het toneel van bezettingen van grote landbouwbedrijven door arbeiders (vaak uit de steden) die waren opgehitst door de communisten. In de streek van Andria maakten ze het wel heel bont, en bezetten ze ook de stad. In die pre-revolutionaire sfeer loste een onbekende een schot op de communistische agitator Giuseppe di Vittoria, terwijl die een meeting gaf. Om een onbekende reden ging het gerucht dat de aanslag georganiseerd was door de vier vrome zussen Porro, die in hun stadspaleis wapens zouden verbergen. Een bewering die te gek was om los te lopen, maar waaraan geloof werd gehecht door een misleide en verblinde massa. Massa’s hebben de gewoonte de gekste dingen te geloven, net zoals ze de neiging hebben de meest perverse wreedheid te vertonen. Dat was in Andria niet anders.

Pas in 1948 kwam het tot een proces van de leiders van de lynchpartij. Misschien was de houding van de betrokkenen tijdens het proces wel de beste illustratie van hun diepe aard. De twee overlevende zussen ontkenden bij hoog en bij laag dat ze ook maar iemand van de beklaagden herkenden. Ze voegden er stilletjes aan toe: “we hebben iedereen vergeven”. De verdediging van de moordenaars wees er bij elke gelegenheid op dat de vermoorde zussen “sanfedisti e borbonici”, zeg maar contrarevolutionaire krachten, waren. En zoals geweten is, mag daarop vrij gejaagd worden.

Waarom is het verhaal van de gezusters Porro ook vandaag nog de moeite van het vertellen waard ? Omdat we martelaren voor het geloof in de twintigste eeuw vaak exclusief associëren met de grote totalitarismen van die tijd. Dat is niet fout, maar het belet niet dat ook in democratieën martelaren zijn gevallen, zij het vaak door toedoen van aanhangers van het totalitarisme. Alleen al in Italië werden tussen 1944 en 1947 honderddertig priesters vermoord door communistische “partizanen” die uit het oog waren verloren dat Mussolini al in 1943 was afgezet. Een van hun slachtoffers, de seminarist Rolando Rivi, die amper dertien jaar oud was toen hij werd vermoord, werd in 2013 zalig verklaard.

Ook de gezusters Porro verdienen naar mijn aanvoelen de eer der altaren. Omdat ze gedood werden om hun geloof én om hun goede werken – of omdat zij de deugd van de vergiffenis wisten te beoefenen op een moment dat dat redelijkerwijze van niemand kon worden verwacht.

Sorelle Porro, ora pro nobis !

De website van de familie Porro (www.iporro.it) is een goede bron van informatie over dit droeve verhaal.