Nous ne nous trompâmes que d’âge – een jong historicus over de Vieux-Lorrains

Van sommige boeken weet je niet of ze je vrolijk of droevig maken. Onlangs werd de meesterproef uitgegeven die de jonge Lotharingse historicus Olivier Toussaint in 2008 schreef over de reacties van zijn landgenoten op de verwijdering van de landseigen dynastie ten voordele van de voormalige Poolse koning Stanislas Lesczynski, in 1738. Wie dezer dagen nog eens meesterproeven leest, kan enkel onder de indruk zijn van de kwaliteit van het werk. Een onbekende wereld gaat open voor de lezer, onbesuisde oordelen en simplismen blijven ver uit de buurt. Wat een historicus blijft ons ontzegd – want drie jaar geleden maakte de auteur een eind aan zijn leven, geveld door het verdriet om het overlijden van zijn echtgenote.

“Les Lorrains et la fin de la maison ducale. Entre fidélité et nostalgie (1735-1749)” is zeker voor bewoners van de Zuidelijke Nederlanden een onmisbare aanvulling op de eigen historische kennis. Waar Brussel in de zeventiende eeuw al bekend was als de “auberge des princes en exil” (naar het boek van Ernest Gossart uit 1905), was het een eeuw later een soort legitimitische citadel avant la lettre geworden. Verantwoordelijk daarvoor was de populaire landvoogd Karel van Lorreinen, die na lectuur van het boek van Toussaint naar voren komt als de hertog van Chambord van zijn tijd, zij het dan met een duidelijk andere omgang met de katholieke huwelijksmoraal.

Waarom Karel? Omdat hij voor de dynastiegetrouwe “Vieux-Lorrains” een drager van hoop was, in tegenstelling tot zijn broer Frans, die al te zeer heen en weer werd gesleurd tussen de loyaliteit aan zijn voorvaderen en die aan zijn echtgenote Maria-Theresia van Habsburg. De eerste zette hem ertoe aan de zelfstandigheid van Lotharingen onaangetast te houden, de tweede maakte hem geneigd een Europees compromis te aanvaarden dat de belangen van het huis Habsburg diende, ook als dat een afstand van zijn stamhertogdom vereiste. Het werd het tweede, tot wanhoop van zijn moeder en broer.

Die broer, Karel was niet gehinderd door bijzondere banden met het huis Habsburg, en ook bereid zijn broer op te volgen als hertog van Lotharingen – maar dat was buiten de Fransen gerekend, die aasden op het hertogdom en hadden bedongen dat het Frans territoir werd na het overlijden van Stanislas.

Verschaffelt bis

Het oude standbeeld van Karel van Lorreinen in Brussel, van de hand van Peter Anton Verschaffelt. Het werd door de sansculotten vernield en omgesmolten.

 

Even zag het ernaar uit dat Karels plannen zouden slagen, toen hij in de winter van 1743-44 aan het hoofd van een Oostenrijks leger successen boekte in de Rijnvallei. Stanislas en zijn Franse bondgenoten vreesden een opstand van de Vieux-Lorrains, maar die kwam er niet, onder meer omdat de inwoners van het hertogdom slechte herinneringen hadden aan een vorige doortocht van Oostenrijkse legers.

Na de Oostenrijkse Successie-oorlog was het verzet tegen de nieuwe gang van zaken vooral een zaak van “geleerde oppositie”, die in geschiedenis en gewoonterecht argumenten vond om de Franse machtshonger tegen te spreken. Procureur-generaal Bourcier de Montureux schreef een striemend pamflet tegen de machtsoverdracht, om het geschrift kort erna met uitgestreken gezicht op de lijst van verboden boeken te laten opnemen – wat de populariteit ervan enkel deed toenemen. De boekhandelaar Jean-François Nicolas nam het voortouw in een esthetische oppositie, die het met name gemunt had op de aanleg van de Place Stanislas in Nancy. Hij verweet Lesczynski de monumenten van het oude Lotharingen te willen verbergen onder nieuwe architectuur. Toen het plein bijna af was, nam hij een paar geestgenoten mee om bij een bedreigd standbeeld oude Lotharingse liederen te zingen. Meteen is de mythe die van het Brusselse Koningsplein een imitatie maakt van de Place Stanislas ontkracht – want wat zou Karel hebben bezield, om het symbool van de triomf van Stanislas na te apen?

Nancy_Place_Stanislas_R03

De Place Stanislas

De politieke cultuur van de Vieux-Lorrains, met jaargetijden voor overleden vorsten en pelgrimstochten naar in ballingschap levende leden van de dynastie, wijst vooruit naar die van het legitimisme een eeuw (en twee, en drie eeuwen) later. In die zin had Nicolas gelijk toen hij schreef “nous ne nous trompâmes que d’âge”. Hij en zijn vrienden waren hun tijd kennelijk vooruit.

 

Olivier Toussaint, Les Lorrains et la fin de la maison ducale. Entre fidélité et nostalgie (1735-1749), Haroué, Gérard Louis éditeur, 2018, 228 p.

 

 

Het leven, een droom (met dank aan Cornelis Verhoeven)

Misschien wel de meest boeiende Nederlandstalige denker van de vorige eeuw was Cornelis Verhoeven – al is de wijze waarop hij een op zijn manier origineel denker, maar knullig stilist, namelijk Wouter Lutkie postuum heeft geëxecuteerd zeker geen voorbeeld van goede smaak.

Ergens (herinnerde ik me maar waar…) argumenteert Verhoeven voor het fundamenteel tragische karakter van het menselijke bestaan met een beroep op een bijzonder gedachtenspel. Als we bedronken zijn, en de remmingen een voor een wegvallen, zo beschrijft hij, worden we eerst een tijdlang vrolijk. Naarmate de dronkenschap vordert, slaat die vrolijkheid echter onvermijdelijk om in verdriet. Welnu, dat wijst erop dat verdriet een fundament van het mens-zijn is, dat we slechts door conventies en remmingen in bedwang houden.

Verhoevens experiment heeft iets van een scholastisch Godsbewijs. Het is goed gevonden, het is zo goed als niet te weerleggen, maar het overtuigt niet echt. Toch ben ik er nooit in geslaagd het argument helemaal overboord te gooien. Mijn tegenargument is dat Verhoeven halfweg stopt, en vergeet dat de dronkaard in een volgende fase wartaal gaat spreken en snurkt, wat dan een argument voor de absurditeit van het menselijke bestaan zou moeten zijn. Als argument overtuigt dit echter zo mogelijk nog minder dan het zijne.

Nu mijn nichtje Pascaline, u al bekend uit een vorig bericht, opgroeit, doet ze me bij wijlen aan Verhoeven denken. Wees gerust, noch wartaal, noch verdriet, laat staan alcoholmisbruik is daar plichtig aan, enkel een onschuldig spel.

Zoals vele baby’s, peuters en kleuters vindt zij er het grootste plezier in verstoppertje te spelen. Het was haar eerste spel, en het blijft haar liefste. De spanning tussen aanwezigheid en afwezigheid, tussen weten en vergissen, tussen schijn en wezen, is een eindeloze bron van vermaak.

Als we Verhoevens argument toepassen op haar spel, is de analogie treffend. Ook jonge kinderen spelen zonder remmingen of bedenkingen, en net dan vinden zij er plezier in anderen op het verkeerde been te zetten, of dingen voor te wenden die “niet echt” zijn. Het onderscheid tussen waarheid en leugen, tussen schijn en wezen zit dus ergens diep in de menselijke ziel. Die vaststelling staat haaks op het vigerende relativisme, maar sluit nauw aan bij het barokke levensgevoel, dat aan de identificatie tussen het menselijke leven en het theater geen enkele negatieve connotatie verbond. Calderons “Het leven, een droom“ of Vondels woorden over ieders rol in de wereld, dat speeltoneel, getuigen ervan. Het kan ons hopelijk tot voorzichtigheid aanzetten als we eigentijdse gebeurtenissen afdoen als theater – want net dat theater zou wel eens belangrijker kunnen dan onze banale en vaak gewoonweg nare oprechtheid.

509px-SchouwburgpoortDe Schouwburgpoort aan de Keizersgracht in Amsterdam, waarop eens Vondels vers “De wereld is een speeltoneel” prijkte.

De Zwitserse wacht in Antwerpen, of de bedevaart naar Schwanau

Het moet een bijzonder moment geweest zijn, die Kerstochtend van 1817, toen voor de Antwerpse kathedraal twee van de vier bataljons van het Katholiek-Zwitserse infanterieregiment in Nederlandse dienst “Nr 32 – Auf der Maur” het einde van de Hoogmis afwachtten. Nadien zou de primaat der Nederlanden, prins-aartsbisschop de Méan, aartsbisschop van Mechelen en in een vorig leven de laatste prinsbisschop van Luik, het regimentsvaandel zegenen. Dat gebeurde met grote luister en gaf aanleiding tot grote vreugde, waarbij de feestredenaars niet nalieten te herhalen dat het oranje bij de katholieke bevolking van de bergkantons steeds een positieve bijklank had gekend.

Sic transit gloria mundi. Nog geen drie jaar later vroeg de nieuwe commandant van het regiment een prijsopgave bij een borduurster om met zo gering mogelijke kosten de naam van zijn voorganger, Ludwig Auf der Maur, van het vaandel te laten verwijderen. Na zijn oneervol ontslag was het immers niet wenselijk dat het regiment zijn naam op een of andere manier nog zou dragen.

Wat was er dan misgelopen? In de ogen van de ambtenaren van het ministerie van oorlog had Auf der Maur zich schuldig gemaakt aan fraude en bedrog, door in de mate van het mogelijke marges te nemen op de leveringen aan zijn regiment en niet altijd even precies om te springen met de rapportering over het aantal militairen in zijn eenheid. Zelf was hij ongetwijfeld van oordeel dat dat laatste enkel hemzelf aanging, omdat hij nu eenmaal een militair entrepreneur was in de aloude zin van het woord. Het gezegde “geen geld, geen Zwitsers” was hem met de paplepel meegegeven. Helaas had hij niet begrepen dat inmiddels de negentiende eeuw was begonnen, inclusief nieuwe ideeën over staatsmonopolie inzake militaire activiteiten.

Auf der Maur keerde terug naar zijn geboortekanton Schwyz, en werd er opnieuw politiek actief. Als voormalig strijder tegen de Franse bezetter van de kantons genoot hij een groot prestige, en zijn landgenoten vroegen zich af wie het niet begrepen had: hun generaal of de bureaucraten van Koning Willem. Op het eilandje Schwanau in het Meer van Lauerz, dat hij in 1808 had verworven, mediteerde hij over de wereld die naar de bliksem ging – enkel de kapel, die hij zelf had laten restaureren, bood nog zekerheid

Kapel Schwanau De kapel op het eiland Schwanau, gebouwd in opdracht van kolonel Auf der Maur 

Auf der Maur was niet de enige Zwitser in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden. Niet minder dan vier regimenten maakten tot 1829 deel uit van het koninklijke leger, tot zij werden ontbonden en hun officieren en soldaten de keuze kregen tussen terugkeer naar hun vaderland of overgang naar een “nationaal” regiment van het Nederlandse leger. Slechts weinigen maakten die laatste keuze, maar het is welsprekend dat niet één van hen in 1830 de kant van de muiters koos. Velen verkozen hun engagement voort te zetten in dienst van het Koninkrijk Napels, dat net op dat moment nieuwe Zwitserse regimenten lichtte om te weerstaan aan de revolutionaire druk.

Niet vatbaar voor enige cijfermatige toets, maar daarom niet zonder betekenis is de chronologie. Een jaar na het ontbinden van de Zwitserse regimenten in Nederlandse dienst, werd het Koninkrijk uiteengerukt door de revolutie. Napels volgde het Nederlandse voorbeeld in 1859 en stuurde de Zwitsers naar huis. Een jaar later stuurden de Piëmontezen Garibaldi en zijn zootje ongeregeld naar Sicilië, om nadien met uitgestreken gezicht de orde te gaan herstellen, en het Koninkrijk te integreren in het eengemaakte Italië. Enkel in de Pauselijke Staten bleven er nog Zwitserse troepen over. Hopelijk vindt men vandaag in Rome nog iemand die zich herinnert hoe riskant het is deze eenheden te ontbinden.

 

Sla de kleine trom voor de freule van Dorth

Als de gerechtelijke moord op Johanna Magdalena Catharina Judith van Dorth tot Holthuyzen, beter bekend als freule Judith van Dorth , ter sprake komt, is het woord “enige” dermate onvermijdelijk geworden dat het gaat irriteren. Vaak vanuit de bekommernis om de gebeurtenissen te minimaliseren wordt zij omschreven als “de enige vrouw die door een Nederlandse militaire rechtbank ter dood werd veroordeeld en geëxecuteerd” of “de enige die na de Orangistische inval in Gelderland in 1799 ter dood werd veroordeeld” of zelfs als “de enige die om politieke redenen ter door is gebracht tijdens de Bataafse republiek”.

Dat laatste is aantoonbaar onjuist: na het zogenaamde Kollumer oproer van februari 1797 in Friesland werden de Oranjegezinde aanvoerders Jan Binnes en Salomon Levy onder de guillotine gebracht. De republiek van de vazallen heeft dus minstens drie slachtoffers gemaakt: een vrouw, een Jood en een arbeider. Geen goed resultaat voor een regime dat zich wilde profileren als emancipatiegezind…

Beide andere omschrijvingen zijn ronduit ridicuul. De freule van Dorth was ook de enige vrouw die op 22 november 1799 in Winterswijk ter dood werd gebracht. En als dat niet zo was geweest, zouden minimaliserende historici nog een onderscheid kunnen maken tussen executies voor en na de middag. Dat in diezelfde tijden levenslange gevangenisstraffen werden uitgesproken voor lieden die het hadden aangedurfd oranje krokussen te planten, plaatst het humanisme van de Bataafse republikeinen in een helderder daglicht.

De freule, die met haar broer het kasteel Harreveld bewoonde, was niet populair bij het landvolk. Was dat de reden van haar executie? De aanleiding was in ieder geval haar openlijke steun voor de inval van orangistische emigranten onder leiding van August Robbert van Heeckeren van Suideras in september 1799. Die expeditie was bedoeld om de Brits-Russische landing in de buurt van Bergen (NH) te ondersteunen en beantwoordde aan het verlangen van menig Geldersman. De freule trok in haar karos door de streek van Lichtenvoorde om het nieuws te verspreiden en steun te werven voor het expeditieleger. Haar oproepen en een wat mistige beschuldiging van betrokkenheid bij de moord op een revolutiegezinde, die was neergestoken tijdens een caféruzie, brachten haar voor het vuurpeleton. De soldaten slaagden er niet in haar met het eerste salvo te doden, maar legden haar voor het genadeschot in haar kist. Een van te dichtbij afgevuurd pistoolschot deed haar jurk, en daarmee de hele kist vuur vatten, wat de executie tot een van de meest wansmakelijke ooit maakte. Maar goed, vermits zij toch een “enig slachtoffer” was, hoeft men zich daarover geen zorgen te maken.

Freule_van_dorth

De moord op Judith van Dorth op een prent van Reinier Vinkeles

Ooit was het anders. In de zeer leesbare biografie die Hermine Manschot-Tijdink over de freule schreef (“Een allerneeteligst caracter”. Het leven van Judith van Dorth (1747-1799)” in 1999 verschenen bij uitgeverij Fagus in Aalten, en behoudens vergissing nog steeds verkrijgbaar) wordt verteld hoe de lokale muziekmaatschappij gedurende vele jaren het huis van de procureur die de doodstraf had geëist tegen de freule, slechts langstrok in stilte, met uitzondering van een kleine trom die in rouwmodus werd geslagen. Eens zijn huis voorbij was, werd de muziek hernomen. En jarenlang legde op haar sterfdag een onbekende bloemen neer bij haar graf in de hervormde kerk van Lichtenvoorde.

Dit jaar kunnen we niet tijdig in de Achterhoek zijn om zijn taak over te nemen, maar de freule verdient onze hulde. Niet omdat haar beulen verraders waren. Wel omdat zij even slechte schutters als onmensen waren, die van een executie een slachtpartij hebben gemaakt. En vooral omdat zij aan de foute kant van de geschiedenis stonden, en de freule aan de juiste. Tot spijt van wie het benijdt.

Jan Greshoff en de keizer van het Nederland

In de late (Kaapse) zomer van 1951 dineerde Jan Greshoff in een hotel in Wynberg, in de schaduw van de plantentuin van Kirstenbosch. Van iemand die inmiddels al meer dan een decennium in Kaapstad woonde, mag dat niet verbazen. Zijn gezelschap was in die omgeving uitzonderlijker. Een Oostenrijkse edelman op leeftijd, die in zijn jonge jaren een opgemerkte novelle had geschreven en nog minder dan een jaar te leven had. Leopold Ferdinand, freiherr von Andrian-Werburg, mocht zijn titel in zijn vaderland niet meer dragen, met dank aan het idiote Adelsgesetz, dat suggereert dat de Oostenrijkse republiek wordt bedreigd door het herhaalde en opeenvolgende gebruik van de letters v, o en n. Dat hij de Liechtensteinse nationaliteit had aangenomen, mag dan ook niet verbazen, en kan hoogstens tot navolging inspireren.

Andrian

Leopold von Andrian

Het gesprek tussen de dichters op leeftijd zwalpte van herinneringen naar vriendschappen en kwam natuurlijk ook op Stephan George, die ooit in Andrian zijn Oostenrijkse discipel had gezien – maar vergat dat heren geen discipelen blijven. En natuurlijk op Hofmannsthal.

Bij diens vijftigste verjaardag had Andrian zijn letterkundige zwijgen nog eenmaal doorbroken, om een vers te wijden aan zijn jeugdvriend en strijdgenoot. Voor Greshoff was die tekst meer dan een gelegenheidsvers, maar gold het als een levensles, voor Oostenrijkers zeker, maar ook voor Nederlanders, en met name voor “Nederlanders van het oude slag”, zoals hij schreef in N.P. van Wyk Louws tijdschrift ‘Standpunte’.

Wat zegt Andrians vers?

Wir waren reich, wir konnten unser sagen

So wie der Kaiser! Was in Österreich lebte

Arm sind wir jetzt, denn unsre Welt entschwebte.    

Kan het op het eerste zicht onnederlandser dan dit? Een verwijzing naar de keizer, een verdwenen wereld. Als Andrian niet met Greshoff, maar met Verwey had gedineerd, zou het tot een breuk zijn gekomen, net als tussen Verwey en George.

Toen niet. De oude Maurras-lezer Greshoff erkende de wijsheid van de Habsburgse legitimist Andrian – en vond dit relevant voor zijn Nederlanderschap.

Ouer_Jan_GreshoffJan Greshoff

Waarom provo’s imker moeten worden en wij aan gewetensonderzoek moeten doen

Op een verkiezingszondag verwachtte u van Geheime Nederlanden allicht noch stemadvies, noch electorale analyse. Op dagen als deze herinnert men zich met enige weemoed, en aanvankelijk ook met instemming, het woord van Erich Wichman: “Stem niet, lees Goethe!“ – om vervolgens te bedenken dat een toestand waarin net de lezers van Goethe van de urnen zouden wegblijven allicht niet van die aard is dat het de kwaliteit van de volksvertegenwoordiging ten goede zou komen.

Recent verscheen bij uitgeverij Balans een korte biografie van een “aristocratische dwarsbalk in het democratische wapenschild” van het lokale bestuur, Rudolph, ridder van Rappard, in leven jarenlang burgemeester van Gorinchem. Van Rappard liet nogal wat geschriften na, waaronder tweedelige levensherinneringen en een interviewboek, maar alle blinken die uit in onleesbaarheid, zodat de biografie van Klaas Tammes een goede gelegenheid was om te toetsen of mijn spontane sympathie voor de man al dan niet verantwoord was.

Het antwoord blijkt genuanceerd te zijn. Iemand die in 1937 de campagne van het Verbond voor Nationaal Herstel steunde onder de leuze “Weg met Moskou, geen Mussert, alleen Oranje!” gaf alvast blijk van de zin voor nuance die regelrecht naar politieke nederlagen leidt. En wie een bijeenkomst van socialisten enkel toelaat, wanneer zij plechtig beloven hun gezellige avond af te sluiten met het zingen van het Wilhelmus, is ook op volwassen leeftijd nog een echte corpsbal. Beide eigenschappen kunnen we wel waarderen.

800px-Boudewijn_de_Groot_kreeg_gouden_plaat_voor_lied_Land_van_Maas_en_Waal,_Bestanddeelnr_920-2488

Ridder Van Rappard in het langharig en werkschuw, doch zoetgevooisd gezelschap van Boudewijn De Groot

 

Anderzijds valt het op hoezeer Van Rappard ook kind van zijn tijd was. Van lokale autonomie moest hij niet veel hebben en ook erfgoedbesef was niet zijn sterkste kant. Een reactionaire burgemeester associeer je niet zo gauw met hoogbouw. Toch was een van de grote teleurstellingen van Van Rappard dat hij Gorinchem niet kon “versieren” met een rij torenflats. Was hij burgemeester van Rotterdam geworden in de jaren veertig of vijftig, zou die stad er met andere woorden net zo hebben uitgezien als nu – een belediging voor de goede smaak.

En dat is geen verwijt aan het adres van Van Rappard als persoon – maar een scherpe waarschuwing voor elk van ons. We zijn meer kind van onze tijd dan we denken, we slepen meer vooroordelen van onze spontane tegenstrevers met ons mee dan we willen. Als zelfs een sterk karakter als Van Rappard met momenten een meeloper was, hoeveel meer zijn wij dat niet?

Want dat hij een sterk karakter had, hoeft geen betoog. Als achtkaratige Oranjeklant ten tijde van de Lockheedaffaire aan te dringen op het terugtreden van Prins Bernhard als landcommandeur van de Johannieterorde, en zelf ontslag te nemen als de suggestie niet wordt gevolgd, getuigt van karakter. Pleiten voor nieuw bloed in de Nederlandse adel door nieuwe adelsverheffingen, geeft blijk van inzicht, en ook van karakter. En als orgelpunt keren we terug naar de titel van dit stukje. Jarenlang was Van Rappard in nevenfunctie voorzitter van een koepel van imkersverenigingen. Zijn eigen talenten als imker schatte hij niet hoog in, maar hij liep over van respect voor het geduld en de vakkunde van zoveel eenvoudige imkers. Als Nederland ondersteboven leek te liggen door het gedrag van de provo’s, was zijn beste suggestie dat die meisjes en jongens maar imker moesten worden, om weer zin voor realiteit en hiërarchie te krijgen. Ze werden ecologist, en luisterden niet naar Van Rappard. Jammer.

 

Leestip: “Dwarsligger van beroep. Ridder van Rappard (1906-1994), de spraakmakendste burgemeester van Nederland” van Klaas Tammes, verschenen bij Balans

De huidige Koning van Frankrijk is niet kaal

De zelfvoldaanheid waarin Bertrand Russell zich placht te wentelen, maakte hem hoogst ongeschikt voor het métier waarvoor hij zich had bestemd – dat van filosoof. Een van de uitspraken waarop hij het meest prat ging, was natuurlijk een uitspraak van hemzelf. “The present King of France is bald” was volgens Russell een voorbeeld van onjuist taalgebruik, omdat er niet zo iets bestond als de huidige koning van Frankrijk.

Russell vergiste zich. Op het moment dat hij ventte met zijn vondst was de legitieme koning van Frankrijk Karel XI, in Spanje beter bekend als de carlistische prins Carlos Maria de Borbon. En vandaag is dat Lodewijk XX, die overigens alles behalve kaal is.

Louis_XX

Lodewijk XX, Koning van Frankrijk

 

In de wereld van Bertrand Russell en zijn bewonderaars is er uiteraard geen ruimte voor legitimiteit, of voor het onderscheid tussen feitelijke en wettige machtsuitoefening. Legitieme presidenten zijn er niet, omdat er niet zo iets is als een president de jure. Ja, telkens een republikein de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten wint, zijn er wel een paar democraten te vinden om te brullen dat de morele overwinnaar tot hun partij behoort, en dat de verkozen president het Amerikaanse volk niet echt vertegenwoordigt. De snelheid waarmee ze dit soort kreten weer vergeten en overgaan tot de orde van de dag, toont aan hoe weinig ernstig ze hun stelling nemen. Op een kleine en interessante uitzondering na (waarop we later terugkomen) gaan republicanisme en legitimiteitsdenken niet samen.

Overigens is de legitieme koning van Frankrijk dezer dagen in een stormpje verzeild. Zijn orleanistische achterneven, nooit verlegen om een laaghartigheid, verwijten hem zijn verzet tegen de ontgraving van generaal Francisco Franco uit de kerk van de Valle de los Caidos. Door dat verzet zou hij aanschurken tegen extreem-rechts, en zich verzetten tegen de vooruitgang van de samenleving. Wel, wel.

Als het over legitimiteitsdenken gaat, had Franco geen al te beste adelbrieven. Een carlist was hij niet, integendeel. Kwatongen beweren dat hij generaal Sanjurjo, die wel sympathie had voor het carlisme, voortijdig naar de andere wereld hielp. In ieder geval verbande hij al vroeg in de burgeroorlog Manuel Fal Conde, de politieke leider van het carlisme. De carlisten mochten wel manschappen leveren voor de oorlog tegen het communisme, maar geen invloed uitoefenen op de nieuwe staat.

784px-Manuel_Fal_Conde

Manuel Fal Conde

Want die nieuwe staat zou modern en centralistisch zijn – tegengesteld aan de tradities van het aloude Spanje. Wie de dingen aandachtig overschouwt, merkt dat Franco een vrij orleanistische visie op staat en koningschap had. Misschien moeten de suppoosten van de Orléans maar eens goed nadenken of ze er wel wijs aan doen om Franco uit te spuwen. Maar dat is onze zorg natuurlijk niet.

Waarom neemt Lodewijk XX dan de handschoen op tegen premier Sanchez, wiens gebrek aan ideeën over de Catalaanse crisis hem dezer dagen tot de officieuze afgod van de Vlaamse Beweging maakt? Om de eenvoudige reden dat hij de kleinzoon is van generaal Franco, en dat hij als afstammeling protesteert tegen een pertinente grafschennis. Dat is een menselijke reactie, die hem siert.

In zekere zin herneemt Lodewijk XX de positie van zijn voorganger Hendrik V, die een restauratie weigerde omdat ze gepaard ging met de voorwaarde de tricolore vlag van de revolutie en de terreur te behouden. Anders dan een staatsgreep of een verkiezingsoverwinning, kan een restauratie zich geen inbreuken op het fatsoen veroorloven. Dat besefte Hendrik V, die liever nog langer in ballingschap bleef dan te heersen onder de kleuren van Robespierre. Men heeft het hem verweten, maar hij had gelijk. Net zoals Lodewijk XX gelijk heeft de spot en de gespeelde of gemeende verontwaardiging te trotseren, wanneer hij tegenwind geeft aan een regering die meent dat zij tachtig jaar na de feiten moet gaan zeulen met lijken. Zo’n regering verdient ons misprijzen, zo’n kleinzoon en vorst ons respect.

 

In Québec werd wat groots verricht

Het heeft me steeds verbaasd hoe degelijke en nuchtere lieden, die inzien hoe weinig er te leren valt uit de bestuurlijke en politieke mores van de jongste twee eeuwen, hun kalmte verliezen zodra er sprake is van de Europese aanwezigheid overzee in die periode – dezer dagen beter bekend onder de containerterm kolonialisme. Zeker in Frankrijk blijken koele minnaars van de republiek zonder enige moeite de rode lijn over te steken, zodra er sprake is van de Franse beschavingsmissie overzee. En toegegeven, er is wat groots verricht – maar bij nader toezien heeft Europa niet steeds zijn grootste verwezenlijkingen gedeeld met de gebiedsdelen overzee. Dat Aziatische en Afrikaanse intellectuelen in de dagen van de dekolonisatie bij bosjes vielen voor de sirenenzang van het marxisme, is in dat opzicht pertinent: ze deden namelijk het zelfde als hun evenknieën in het moederland. Mooie erfenis is me dat.

Dat Frankrijk zonet als voorbeeld werd genoemd, is geen toeval. De Franse koloniale expansie van de negentiende eeuw is het product van de Julimonarchie, het Tweede Keizerrijk en – vooral – de Derde Republiek. De buiteneuropese streken die voordien onder Frans gezag waren gebracht waren ofwel verwaarloosbaar, ofwel verloren gegaan in de achttiende en vroege negentiende eeuw. De Britse situatie is ogenschijnlijk verschillend, maar vertoont eigenlijk meer gelijkenissen met de Franse dan men zou denken. De pre-revolutionaire parel aan de kroon, Amerika, ging verloren in de loop van de Atlantische revoluties, en de vervangende parel, India, kwam rond dezelfde tijd uit private handen in handen van de staat. Het zelfde geldt voor de Nederlandse koloniën, die in de oude bedeling het product waren van het commerciële initiatief van handelscompagnieën, en pas in de late achttiende en vroege negentiende eeuw verstatelijkt werden.

De vraag rijst of hier niet een sleutel ligt voor een beter begrip van de zogeheten ontwikkelingsproblematiek. Op het ogenblik dat de Europese burgerlijke overheden nog iets konden overdragen van de institutionele traditie die het oude continent groot heeft gemaakt, waren het handelsgezelschappen die het gezicht waren van de expansie. Hun prioriteit lag in het maken van winst, niet in de overdracht van cultuur. Wanneer het perspectief van de expansie wisselde, viel er weinig meer over te dragen, behalve misschien een wat verveelde versie van het officiële, al dan niet verwaterde revolutionaire discours.

Zoals alle heldere stellingen, behoeft ook deze stelling nuancering. Er is overdracht geweest, en het was het Frankrijk van de latere Lodewijken dat daarin het voorbeeld gaf. In Illinois en Louisiana, maar vooral in Québec, werd werk gemaakt van de uitrol van een koloniale vorm van het leenstelsel, zodat met name Frans-Canada zich tot op heden kan beroepen op het bestaan van heerlijkheden. Sterker nog, de rechtsgevolgen van de feodaliteit overleefden er langer dan in het moederland, nu het leenstelsel pas formeel werd afgeschaft in 1854 en de laatste financiële compensaties voor die afschaffing pas vereffend werden in de zeventiger jaren van de vorige eeuw.

Banmolen Tonnancour

De banmolen van Tonnancour in Québec

 

Opvallend aan het Canadese voorbeeld is trouwens dat de feodaliteit werd gebruikt als een gemeenschapsvormend instrument bij uitstek. Ook religieuze congregaties, inclusief vrouwencongregaties, konden heerlijke rechten uitoefenen, en een aantal autochtone bevolkingsgroepen mochten zichzelf op collectieve basis heer van een bepaald gebied noemen – met als uitdrukkelijke voorwaarden dat zij een missionaris in de heerlijkheid toelieten en militaire diensten leverden aan de Franse Kroon. Overzee bleef de feodaliteit dus haar militaire lading behouden, die ze in het moederland sinds lang verloren was.

Het is makkelijk praten achteraf, maar zou de wereld er niet anders hebben uitgezien als dit voorbeeld wat meer was gevolgd?

De les van pastoor Winnepenninckx

Zelfs in het licht van de eeuwigheid is het een hele opgave de relativiteit van de eigen toestand in te zien. Een illustratie daarvan is vast te stellen in talloze parochies in de Lage Landen, waar ouder wordende parochiepriesters, ondersteund door een koor van zelfbewuste parochianen, orakelen dat de tekenen van deze tijd dermate uniek zijn, dat uitzonderlijke maatregelen onvermijdelijk zijn geworden. De lekenkerk komt eraan, preekt de pastoor, die aan het einde van zijn loopbaan nog een rekening te vereffenen heeft met zijn sinds lang overleden wijbisschop, die in zijn ogen veel te klerikaal was.

Kaal geworden hippies en bloemenmeisjes met een kunstgebit vallen hem met veel gretigheid bij: dit is een unieke gelegenheid om meester te worden over de Kerk die hun ouders zo was, en waarvan ze met enige droefheid afscheid dachten genomen te hebben. Als die Kerk, of toch haar vertegenwoordiging in stad of dorp, als een rijpe appel aan het vallen is, zou het toch dwaasheid zijn niet in te gaan op die uitnodiging om een Kerk te maken naar eigen beeld en gelijkenis? De tekenen des tijds, weet u wel – of als u het wat meer exotisch, en ook wat geleerder wil zeggen: het aggiornamento.

Een van de vervelende eigenschappen van de geschiedenis is dat vele dingen die we vandaag beleven al eerder zijn voorgevallen. Een crisis van de Kerk is er al geweest, in veelvoud zelfs. En ook een lekenkerk is er al geweest. Sterker nog: ze is er nog steeds, maar hoe verschilt ze van de wensdromen van onze medeparochianen!

Elke zondag wordt in de kapellen in Halle en Leerbeek een dienst gevierd, die zo goed en kwaad mogelijk de H. Mis vervangt. De gelovigen die deelnemen aan de dienst zijn immers sinds 1840 verstoken van priesters. Toen overleed hun laatste bedienaar, E.H. Philippus Winnepenninckx, in leven pastoor van Leerbeek. Bijna twee eeuwen later verzamelen de rooms-katholieken die het concordaat van 1802 afwijzen, ten onrechte Stevenisten genoemd, nog wekelijks om te luisteren naar het rozenhoedje, het epistel en het Evangelie van de zondag, de canongebeden, de litanieën en een lezing uit het sermoenenboek.

Leerbeek_(Gooik,_Belgium)_-_Church_of_the_Stevenists

De kapel van Leerbeek

 

Deze erediensten zijn bescheiden, in volle bewustzijn van hun onvolkomenheid, zonder de brallerige heldhaftigheid van wie meent of weet de waarheid te verdedigen tegen de dwaling. Ze getuigen van vertrouwen, omdat zelfs het gedurende twee eeuwen verstoken blijven van priesters de ware anti-concordatairen niet van de wijs heeft gebracht, al is voor deze of gene de verleiding te groot geworden, met een wijding in een fantasiekerk als resultaat.

Het contrast met de vrolijke herauten van de lekenkerk zou niet groter kunnen zijn. Waar het authentieke geloof zich bevindt, hoeft weinig duiding.

De Brabantse landbouwers die de erfenis van Winnepenninckx (en langs hem van zijn inspiratiebron kardinaal de Franckenberg) getrouw zijn, herinneren me aan het lied “Campesino” van Atahualpa Yupanqui, zoals onder meer gezongen door Dirk van Esbroeck:

 

Cuando vayas á los campos,

no te apartes del camino,

que puedes pisar el sueño

de los abuelos dormidos.

 

Of vrij vertaald: “Als je naar de velden loopt, landbouwer, verlaat het pad dan niet. Je zou op de dromen kunnen stappen van je overleden voorouders.”

Antemurale civitatis : de geest van Kassel

Elk jaar maak ik er een punt van een bezoek te brengen aan Kassel, waar op 10 april 1677 een onvoorzichtige actie van stadhouder Willem III indirect de oorzaak was van de nefaste Vrede van Nijmegen. Dat verdrag deed steden als Ieper, Poperinge, Menen en Veurne, maar ook het Vrije Graafschap Bourgondië in Franse handen vallen – voor de eerstgenoemde tijdelijk, voor het laatstgenoemde tot nader order definitief.

Hoewel ook Kassel sinds die dagen niet is teruggekeerd naar de Nederlanden, blijft het stadje inspireren. Qua stadsstructuur en sfeer blijft het een echo van het verzet tegen de universele monarchie van de Zonnekoning, die een beetje herinnert aan de vesting Bastiani in Dino Buzzati’s roman “De woestijn van de Tartaren”. Of aan de term waarmee de Polen hun land plachten aan te duiden: de “antemurale christianitatis”, de voorpost van de Christenheid.

Op het marktplein staan de terrassen tegenover het kasselrijhuis klaar voor een troepenschouw. In het kasselrijhuis zelf wachten de archiefkasten op de documenten van de omliggende dorpen en heerlijkheden – vanzelfsprekend in het Nederlands, want in tegenstelling tot wat soms wordt beweerd, behoort Kassel helemaal tot Kust-Vlaanderen, het historisch Nederlandstalige deel van Frans-Vlaanderen. Vlaanderen gallicant, het romaanstalige deel van het graafschap, ligt zuid-oostelijker, rond Rijsel en Orchies. Samen met de omwallingen zijn wapenplaats en kasselrijhuis drie stellige uitdagingen aan de Franse bedreiging geweest, en in geestelijke zin blijven zij dat tot op vandaag.

400px-Cassel-Ancienne_chapelle_des_Jésuites-2012_03_19

De meest welsprekende uitdading bevindt zich echter voorbij de kapittelkerk van Onze-Lieve-Vrouw, op een top van de Kasselberg. Het is de oude jezuïetenkerk, die de bedaarde en sobere hand van priester-architect Willem Cornély verraadt. Zonder een garnizoenskerk te zijn, is zij een plek waar religieuze en militaire objectieven elkaar versterken. Op de top van de heuvel, goed zichtbaar vanop de vijandelijke linies, staat een huldeblijk aan de Kerk van Rome, ultra montes, vrij van elke nationaalkerkelijke verleiding, zeker als die gallicaans is. Zelfs als de krijgskansen zouden keren, dan nog zou Kassel trouw blijven aan de visie op mens en wereld die de eigenheid van de katholieke Nederlanden heeft gemaakt. De inwoners van de stad hoeven dat niet te doen – de stad doet dat zelf en is zo een voorpost van het Nederlandse gemenebest.

In hun stil en geestelijk protest tegen de ambities van Lodewijk XIV waren de Kust-Vlamingen minder provocerend dan de inwoners van het Vrije Graafschap. Om te vermijden ook in het hiernamaals met het symbool van de Zonnekoning te worden geconfronteerd, lieten die zich de eerste decennia na de Franse verovering vaak op de buik begraven. Zo ver heeft men het in Kassel niet gedreven, maar tot op vandaag ademt de stad een geest van symbolisch, maar overtuigend verzet. De jezuïetenkerk mag dan al in een belabberde bouwfysische toestand zijn, haar boodschap klinkt er niet minder duidelijk om.