De verlossing door de Redemptiedorpen

Grenzen zijn dezer dagen een trefzekere indicator voor iemands levensbeschouwing. Niet deze of gene grens, maar het concept grens als dusdanig. Aan de ene kant staan degenen die het bestaan van grenzen ervaren als een belediging voor de menselijke vrijheid, en dromen van een wereld zonder enige grens. Tegenover hen staan degenen die het bestaan van grenzen beschouwen als een vooronderstelling voor iedere vorm van beschaving, en grenzen dus koesteren. Logischerwijze is grensoverschrijdend gedrag enkel denkbaar in de wereld van laatstgenoemden, al blijkt dat in de praktijk niet zo eenvoudig te liggen.

Hoewel we spontaan geneigd zouden zijn ons aan te sluiten bij de tweede groep, is er iets dat ons tegenhoudt, namelijk diens visie op wat een grens is. Die is namelijk bijzonder lineair.

Hoezo, zal u allicht tegenwerpen, is dat niet eigen aan grenzen? Geenszins. Onze omgang met grenzen is in de recentere geschiedenis fundamenteel van uitzicht veranderd, net als de grenzen zelf.

Een voorbeeld kan dit misschien duidelijker maken. De koloniale grenzen in Afrika blinken uit in rechtlijnigheid, en dus ook in willekeur. Streken en volksgroepen worden verdeeld door grenzen die aan een tekentafel zijn ontstaan, en weinig te maken hebben met de realiteit op het terrein. Voor de enen zijn die koloniale grenzen het summum van Westerse onverschilligheid ten aanzien van een aloude werkelijkheid, voor anderen een verdedigingswal van de stabiliteit tegen de chaos van de stammentwisten.

Wie de kritische blik op de koloniale grenstrekkerij tot de zijne heeft gemaakt, zal de neiging vertonen op zoek te gaan naar alternatieve grenzen. Die zoektocht blijkt alles behalve eenvoudig te zijn. Landschappen noch mensen laten zich zo makkelijk opsluiten binnen lijnen, en eerder dan een scherpe grens bestaat er tussen twee gebieden vaak een overgangszone. Geen lijn, maar een vlak dus.

Op de keper beschouwd is de situatie in Europa in het algemeen en in de Nederlanden in het bijzonder niet echt anders. Ook hier zijn grenzen voor historische, culturele of pragmatische kritiek vatbaar, maar stoot die kritiek op de onvermijdelijkheid van een zekere graad van willekeur in het trekken van grenzen – althans als die grenzen lijnen moeten zijn.

Ook het oude Europa zag zich met dit vraagstuk geconfronteerd, en ging er op een wijze manier mee om. Zonder een keuze te maken voor min of meer brede overgangsgebieden, met alle daarmee verbonden uitdagingen qua bestuur en organisatie, werd het absolute en geometrische karakter van grenzen gemilderd door het bestaan van een veelheid aan enclaves en exclaves. Wie de grens tussen twee landen overschreed, kwam enkele kilometer verder weer terecht in het land dat hij had verlaten, om even later terug te keren in het andere land, bij de gratie van een grillige en onvoorspelbare grenslijn. Een grens werd inderdaad een grensgebied, dat tegelijk scheidde en deze scheiding relativeerde.

Voor de tekentafelstaatslieden van de negentiende eeuw was dat een gruwel. Zij vergaten, of zagen niet in dat het net hun blinde rationalisme was dat Europa zou leren wat gruwel écht is. Is het misschien geen toeval dat een reeks van acht enclaves rond Maastricht de naam “Redemptiedorpen” droeg? Hoepertingen, Veulen, Rutten, Nerem, Mopertingen, Fallais, Argenteau en Peef kunnen ons vandaag verlossende inspiratie brengen.

Overmaas-voor-1785_redemptie

Rood gemarkeerd op deze Wikipedia-kaart: de Redemptiedorpen

 

Het deemstert in het oosten – of de berg als spiegel

Zelfs bij mensen die weten dat de Nederlanden een pak zijn dat een stuk ruimer zit dan Nederland, zijn er gradaties in dat besef. Afhankelijk van familiale achtergrond en leeftijd vindt men nog wel iemand die herinneringen koestert aan het koloniale verleden, en zo vragen durft stellen bij het gebrek aan grijstinten in de benadering ervan die momenteel dominant is. Zeker, in Congo en Indië heeft hebzucht een rol gespeeld, zoals overal waar mensen zijn. En toch was er ook ruimte voor menselijkheid, zoals overal waar mensen zijn.

Herinneringen aan Demerary, Nederlands Guinea of Ceylon zijn er al lang niet meer, en enkel wie een antiquarische zin voor geschiedenis heeft of menig kwartier koloniaal verleden beseft nog wat daar werd verricht en geleden.

De eeuwenlange confrontaties met Frankrijk hebben menig Nederlander attent gemaakt op de gebieden die onder Frans bewind zijn gekomen aan de zuidgrens van de Lage Landen – en dat niet enkel in het oude graafschap Vlaanderen.

Dat delen van het huidige Duitsland ook historisch deel van de Nederlanden zijn, is echter een goed bewaard geheim. Nochtans, als West-Friesland een deel van Holland is, en Friesland het hartland van de Friezen is, hoe zou Oost-Friesland dan los van de Nederlanden gedacht kunnen worden? Tot 1744 heerste het huis Cirksena over het graafschap Oost-Friesland. Bij het overlijden van de laatste der Cirksena’s was de opvolging toegezegd aan de hertog van Brunswijk, maar een vroege vorm van Pruisisch imperialisme deed Frederik II het graafschap opeisen – met succes.

Verder zuidelijk was het graafschap Lingen van oudsher nauw verbonden met Gelderland en Overijsel. In 1677 werd het erkend als soeverein vorstendom onder het Huis van Oranje, maar bij het overlijden van Willem III werd het voorwerp van een successiestrijd, die opnieuw in het voordeel van de Pruisen uitdraaide.

Het laatste restant van de bastions van de Nederlanden in het oosten was het minuscule graafschap Spiegelberg, dat pas in 1631 aan het Huis van Nassau-Dietz viel, maar pas in 1819 door koning Willem I werd overgedragen aan het koninkrijk Hannover – dat op zijn beurt in 1866 ten prooi viel aan Pruisisch imperialisme.

799px-Burg_Coppenbrügge_Panorama

Slot Coppenbrügge, het hart van het graafschap Spiegelberg

 

Het is opmerkelijk dat de oostelijke gebieden van de Nederlanden een blinde vlek vormen en blijven vormen. Zou er toch sprake zijn van een vorm van misplaatste germanofilie in de Lage Landen?

Als u bij toeval in de buurt van Hameln komt, sla dan de weg in naar Coppenbrügge, en mijmer daar even over de meest oostelijke Nederlanden – ook zij zijn te klein om gedeeld te blijven.

 

Ignaz Vitzthumb in Bergen, of waarom een grote trom geen kanon is

Het was een koude oktoberavond in 1796, toen de vrederechter van Bergen werd gewaarschuwd dat een groep onverlaten, voorafgegaan door een muziekkorps, zou optrekken om de revolutionaire verworvenheden teniet te doen en het Huis van Oostenrijk te herstellen. Er viel geen tijd te verliezen, en er werd snel overgegaan tot de nodige aanhoudingen.

Bij nader toezien was het alarm een storm in een glas water gebleken. Enkele stedelingen hadden inderdaad muziek gemaakt, om het voormalige feest van de heilige Crispijn, patroon van de leerlooiers en de schoenmakers, te vieren. Daarbij waren inderdaad verboden deuntjes ten beste gegeven, zoals de Marche des Brabançons. Ook waren er verdachte liederen gezongen, zoals de aria van Grétry “O Richard ! O mon Roi!”, die begrepen werd als een verkapte aanval op de republikeinse staatsordening. Maar van een pro-Oostenrijks complot was er niet echt sprake. De geluiden die de Franse bezettingstroepen voor kanonschoten hadden gehouden, waren slechts het gedaver van de grote trom.

De componist van de mars der Brabanders zou de Franse verdenkingen overigens maar matig hebben kunnen waarderen. Weliswaar was Ignaz Vitzthumb geboren in Baden in Nederoostenrijk, maar zijn verhouding met de Habsburgers was merkelijk verkoeld, zelfs in die mate dat hij bij de eerste Oostenrijkse restauratie, na de ondergang van de Verenigde Nederlandse Staten, zijn ambt als hofmusicus en dirigent van het orkest van de Muntschouwburg was kwijtgeraakt wegens zijn betrokkenheid bij het verzet tegen Jozef II. Tijdens de eerste fase van het verzet, beter bekend als de kleine Brabantse Omwenteling (1787) componeerde hij meerdere marsen voor de opstandige vrijkorpsen. Naast de mars der Brabanders was er ook een mars van de Brusselse sermenten, en een mars van de Brabantse infanterie. Deze melodieën interpreteren als een uiting van pro-Oostenrijkse gevoelens illustreerde vooral een gebrek aan kennis van de plaatselijke omstandigheden en gevoeligheden.

Ignace_Vitzthumb

Ignaz Vitzthumb (1724-1816)

Des te meer, omdat het graafschap Henegouwen in die dagen een bolwerk van traditioneel denken was. Vandaag associëren we deze provincie met postindustrieel socialisme, maar we vergeten dat het graafschap ook een pre-industriële periode heeft gekend. In het verzet tegen het Jozefisme waren de Staten van Henegouwen misschien nog beginselvaster dan hun Brabantse collega’s, zodat men de gebeurtenissen van 1789-1790 in de Zuidelijke Nederlanden met evenveel recht had kunnen omschrijven als de Henegouwse Omwenteling.

Vitzthumb (1724-1816) was in vele opzichten een interessant man. Tijdens zijn periode aan de Muntschouwburg probeerde hij naast Franse en Italiaanse werken ook Nederlandstalige opera’s te laten uitvoeren, met groot succes. Hij maakte van zijn “Vlaams toneel” een reizend gezelschap, dat hem ook in de Noordelijke Nederlanden bracht.

Zijn zoon Paul Vitzthumb (1751-1838) had niet het muzikale talent van zijn vader, maar legde in nauwkeurige pentekeningen en gravures het Brussel van zijn dagen vast.

800px-Lakensepoort-vitzthumb-boens-burggraaff-1808

De Lakensepoort in Brussel in 1808, door Paul Vitzthumb

Het zou van gepaste piëteit getuigen indien enkele fanfares of harmonieën van het oude hertogdom de marsen van VItzthumb opnieuw in hun repertoire zouden opnemen. En niets belet de Henegouwers, in het spoor van hun voorvaderen, het zelfde te doen. De kans dat ze er evenveel problemen mee krijgen als in 1796, is beperkt.

6 maart 1906: een roofmoord in de kerk van Boeschepe

Net onder Poperinge, in het hart van Vlaanderen, maar sinds langs onder Franse heerschappij, ligt het dorpje Boeschepe. Er zijn in de buurt meer schilderachtige plekken te vinden, maar lelijk is het Boeschepe zeker niet. Het dorp ontkwam aan de wreedheden van de Eerste Wereldoorlog, waardoor ook de plaatselijke Sint-Martinuskerk vrij ongeschonden bewaard bleef, en niet werd vervangen door een exemplaar uit de jaren twintig dat meer herinnert aan een zwembad dan aan een oord van gebed.

De Sint-Martinuskerk was echter een decennium voor de oorlog het toneel van afschuwelijke taferelen, die leidden tot de dood van Géry Ghysel, wiens gedenksteen tot op heden werd bewaard op het dorpskerkhof.

Ghysel

Op 6 maart 1906 trok een gerechtsdeurwaarder, vergezeld van zijn zoon, enkele personeelsleden en een stel gendarmes naar de kerk van Boeschepe. Hun opdracht was uitvoering te geven aan een van de maatregelen van de papenvretende regering van de liberaal Maurice Rouvier. Rouvier zag zichzelf als een redelijk man, die de conflicten niet op de spits wilde drijven, maar de Kerk haar gerechte plaats wenste te tonen: onder stevig toezicht van de échte macht. Iets zegt me dat hij zich in het gezelschap van een aantal hedendaagse beleidslieden goed zou hebben thuis gevoeld.

Een van de redelijke maatregelen die Rouvier gerealiseerd wilde zien, was het opstellen van een inventaris van de inboedels van de kerken. Een paar verhalen over een kostbare kelk die door een afscheidnemende parochiepastoor was meegenomen volstonden om het parlement van de absolute noodzakelijkheid van die maatregel te overtuigen. Steekvlamwetgeving is geen uitvinding van onze eeuw.

Dat de inventarissen op zo’n verzet zouden stuiten, had geen verlicht commentator zien aankomen. Allicht was het de heren commentatoren ontgaan dat de grootouders van de gelovigen uit 1906 iets dergelijks hadden meegemaakt, zo rond 1790. Inventarissen waren toen een opmaat geweest naar naasting en sluiting van de kerken – maar natuurlijk ontkende iedereen dat het nu zo’n vaart moest lopen.

Dat vertrouwen in de overheid van de Franse republiek van evenveel wijsheid getuigt als onderhandelen met een hongerige hyena, wisten de gelovigen maar al te goed. In elke parochie gaven vrijwilligers hun naam op om de kerken te bewaken, en waar er onvoldoende vrijwilligers waren, stuurde de Action Française wel een paar studenten uit een van de grote steden.

In Boeschepe waren zo’n vrijwilligers niet nodig. Toen de deurwaarder er op die fatale dag in de winter van 1906 aankwam, hadden ettelijke tientallen dorpsbewoners zich verschanst in de kerk en de tuin errond. Het was voor de vertegenwoordigers van Marianne een onaangename verrassing om de inventaris te moeten uitvoeren in een gevulde kerk, en te stoten op een formele weigering van de pastoor om op enige wijze mee te werken.

Het uitdagende gedrag van de deurwaarder leidde al spoedig tot incidenten, die onvermijdelijk uit de hand riepen. Toen een kerkstoel door de lucht vloog, verloor de zoon van de deurwaarder zijn koelbloedigheid, en vuurde hij met een pistool in de massa. Géry Ghysel, een landarbeider en jonge vader, werd dodelijk getroffen. De pastoor, die de gemoederen probeerde te bedaren, werd gewond.

Meteen kwam de geruchtenmolen in actie. Ghysel zou een dronkaard zijn geweest, die de deurwaarder had bedreigd, er zou sprake zijn van wettige zelfverdediging. Het mocht niet baten, zeker niet toen op 26 maart een tweede bewaker van een kerk, André Régis uit Montregard in de Haute-Loire, overleed. De regering-Rouvier mocht haar biezen pakken, en katholiek Frankrijk had getoond nog niet dood te zijn – dank zij het offer van een Vlaamse landman.

In de jaren twintig van vorige eeuw werd het monument voor Géry Ghysel, dat eraan herinnerde dat hij stierf toen hij de rovers uit de tempel probeerde te verjagen, verwijderd in naam van de nationale verzoening, en om het kwetsen van eenieders gevoelens te vermijden. Even later werd het opnieuw geplaatst, ditmaal op het kerkhof, waar het een prominente plaats kreeg.

Gedenk morgen Géry Ghysel, en laat niet na even te stoppen bij het kerkhof van Boeschepe als u in de buurt bent. Rovers in tempels zijn van alle eeuwen.

Nassau-heiligheid

We hebben wel eens de neiging het huis van Nassau in zijn verschillende takken te associëren met de reformatie. Onjuist is dat niet, wel ongenuanceerd. Het thema is voldoende ruim om er een paar keer op terug te komen, maar het staat als een paal boven water dat de Nassaus een paar trouwe dienaren van de Roomse Moederkerk hebben voortgebracht. De meest geschikte vertegenwoordigster van het hoge huis op dat vlak is ongetwijfeld Marie Adelheid van Nassau-Weilburg, groothertogin van Luxemburg. Van haar zei paus Benedictus XV zonder meer dat ze een heilige was en wij zijn niet geneigd de Heilige Vader tegen te spreken.

Haar vader, Groothertog Willem IV van Luxemburg, was opgevoed als protestant. Hij had echter de gelukkige idee te huwen met Maria Anna, infante van Portugal. Die was dan weer de dochter van Don Miguel, de Portugese koning die in 1834, ondanks steun van Willem I, werd afgezet door revolutionaire krachten van het zelfde slag als degene die in 1830 in Brussel hadden huisgehouden. De legitieme koning van Portugal ging in ballingschap, en huwde in 1851 prinses Adelaïde van Löwenstein-Wertheim-Rosenberg. Maria Anna was hun vijfde dochter, en bedong bij haar huwelijk dat de mannelijke kinderen die zij en Willem zouden krijgen protestants, en de vrouwelijke katholiek zouden worden opgevoed. De echtelingen kregen zes dochters…

De oudste, Marie Adelheid, was zeer onder de indruk van het voorbeeld van haar grootmoeder, die na het overlijden van Don Miguel intrad als benedictijnerzuster in Solesmes. In 1901 diende de bejaarde prinses met haar medezusters Frankrijk te ontvluchten onder druk van de antiklerikale wetgeving aldaar, en vestigde de gemeenschap zich op het eiland Wight, waar ze meermaals het bezoek ontving van haar dochter en kleindochters.

Marie Adelheid droomde van een bestaan als kloosterlinge, maar besefte dat haar rang als eerstgeborene haar een bijzondere verantwoordelijkheid voor het Groothertogdom oplegde. Die verantwoordelijkheid was nog groter, omdat Groothertog Willem enkele jaren na zijn troonsbestijging zwaar ziek werd, en zijn echtgenote tot regentes moest laten aanstellen. In 1912 overleed Willem en bleef Maria Anna nog enkele maanden regentes, in afwachting van de meerderjarigheid van hun oudste dochter.

Ondanks een geloofscrisis enkele jaren voordien, wist Marie Adelheid wat haar te doen stond: regeren als vazal van Christus, de Koning. Haar geloof beleefde zij zonder complexen, in liturgie en in goede werken – altijd een trefzekere manier om de haat van een bepaalde categorie van vrijdenkers op te wekken.

grand-duchess-luxemburg-1024

De Eerste Wereldoorlog betekende ook voor Luxemburg een moeilijke tijd. Het land was militair bezet door Duitsland, maar de bezettingstroepen lieten zich niet in met het burgerlijke bestuur van het land, dat verder bleef functioneren als voorheen. Van Godsvrede was er echter geen sprake, want in 1915 lokten liberalen en socialisten een regeringscrisis uit over de benoeming van een militant vrijdenker tot directeur van de enige onderwijzersopleiding van het land. De Groothertogin weigerde die benoeming in het licht van de oorlogsomstandigheden, en rekening houdende met het feit dat Luxemburg enkel openbaar onderwijs kende, zodat deze benoeming verreikende gevolgen kon hebben. De linkse partijen reageerden ogenschijnlijk furieus, maar dachten al aan de volgende stap in hun strategie: in hun partijpers werd gesuggereerd dat er historische oplossingen waren voor dit soort situaties, en vielen de namen van Lodewijk XVI van Frankrijk en Karel I van Engeland – een gezelschap waarvoor de Groothertogin zich niet hoefde te schamen.

Van haar onderdanen hoefde ze niets te vrezen. De vervroegde verkiezingen die na de regeringscrisis van 1915 werden gehouden, leverden de partijen die haar goed gezind waren een absolute meerderheid op. Maar wraak is een gerecht dat koud wordt geserveerd.

Bij het einde van de Wereldoorlog wijdde Marie Adelheid het land toe aan het H. Hart van Jezus. Was het toeval dat de wapenstilstand werd gesloten net vooraleer een geallieerd offensief wou doorstoten naar de Moezelvallei?

Liberalen en socialisten hadden echter andere zorgen: hun agenda van 1915 ten uitvoer brengen. Als dat niet lukte met steun uit het binnenland, kon steun uit het buitenland helpen. Die werd gevonden in het Frankrijk dat Marie Adelheids grootmoeder in ballingschap had gedreven, en in het land dat getekend is door een revolutionaire erfzonde, België. Hoewel de Groothertogin bij herhaling was tussengekomen om Belgische spionnen weg te houden van voor het Duitse vuurpeloton, zag de weinig ridderlijke Albert I er geen graten in om een lastercampagne tegen Marie Adelheid te ondersteunen. Het contrast kan nauwelijks duidelijker: tijdens de oorlog had de Groothertogin verontwaardigd elk Duits voorstel afgewezen dat het Duitstalige deel van West-Luxemburg onder haar kroon zou brengen. Na de oorlog verheugde Albert zich al op de annexatie van geheel Oost-Luxemburg.

Uiteindelijk werden de Belgische ambities gefnuikt door gematigde krachten in Frankrijk, die genoegen namen met het aftreden van de Groothertogin en haar opvolging door haar jongere zuster Charlotte – die even later huwde met prins Felix van Bourbon-Parma, een oud-strijder van het Belgische leger, maar vooral de vertrouweling van de Zalige Keizer Karl bij diens pogingen om een Europese vrede mogelijk te maken.

Marie Adelheid legde de kroon neer met gelijkmoedigheid. Het viel haar zwaar haar geboorteland te verlaten, maar zij hoopte dat uit het onrecht dat haar werd aangedaan iets goeds zou kunnen groeien, namelijk het beleven van haar kloosterroeping. In september 1919, acht maanden na haar troonsafstand, trad zij in bij de karmelietessen van Modena. Haar gezondheid, die zwaar had geleden onder de oorlogsomstandigheden en de verstervingen die zij zich had opgelegd, dwong haar echter het klooster weer te verlaten. Een verblijf bij de zusters van de armen in Rome kon ook niet bestendigd worden, en uiteindelijk vestigde zij zich bij haar moeder op Slot Hohenburg in Beieren. Daar overleed zij op 24 januari 1924, nog geen dertig jaar oud.

Luitenant Orth en de grenzen van de Nederlanden

Waar eindigen de geheime Nederlanden? De vraag is verwant met die naar het geslacht van de engelen, of naar het gewicht van een spook. Bloed noch bodem boeit de geheime Nederlanden, zij verkiezen het personele boven het territoriale.

Maar als de vraag toch moet worden beantwoord, verkiezen we dat positief te doen. De geheime Nederlanden leven overal waar mensen het project van de Nederlanden hebben uitgedragen, en rusten nabij de plek waar zij dat eens deden.

In die zin behoort eerste luitenant Martin Auguste Orth zeker tot onze geestelijke gemeenschap. Amper dertig was hij toen hij overleed aan de bocht van Guinee, bij fort Elmina aan de Nederlandse Goudkust (vandaag Ghana). Hij voerde er het bevel over het plaatselijke garnizoen, en was nauw bevriend met zijn generatiegenoot Anthony van der Eb, de Rotterdammer die gouverneur ter kuste van Guinee werd en het gewoonterecht van de lokale bevolking codificeerde. Ook Van der Eb ging ten onder aan het ongunstige klimaat van de Goudkust, en overleed vier jaar na Orth, zelf nog geen veertig.

Op de grafsteen van Orth in het Nederlandse kerkhof in Elmina prijkt trots zijn geboorteplaats, een andere Nederlandse garnizoenstad: Ieper. Toen hij er in 1818 werd geboren, was de stad even Nederlands als Amsterdam, Paramaribo, Elmina en Batavia.

391px-Grafzerk_van_Martin_Auguste_Orth_-_Elmina_-_20374778_-_RCE

 

 

Van Kapuzinergruft tot Vrijdagmarkt: Marco d’Aviano in de Lage Landen

Wie in Wenen een bezoek bracht aan de Kapucijnencrypte, waar de overledenen uit het Huis Habsburg rusten, is zeker het beeld opgevallen dat Hans Mauer in 1935 maakte van de in 2003 zalig verklaarde pater Marcus van Aviano. In de wereld heette die Carlo Domenico Cristofori, maar zoals het bij de Kapucijnen gebruikelijk is, nam hij bij zijn inkleding niet alleen een kloosternaam aan, maar vervolledigde hij die met de naam van zijn geboortedorp in de buurt van Pordenone.

400px-Marco_d'Aviano-IMG_3640

 

Vanop enige afstand bekeken is het kenmerkend voor de H. Paus Johannes Paulus II, dat net hij Marco d’Aviano zalig heeft verklaard. Als het erom ging de tijdsgeest een neus te zetten, was de H. Johannes Paulus onnavolgbaar. En die tijdsgeest had en heeft het niet zo begrepen op pater Marco. Ofwel probeert men hem de uitvinding van de cappuccino in de schoenen te schuiven, en hem van het religieuze naar het folkloristische register te verbannen. Ofwel wordt hij verwenst om zijn geschiktheid om in reactionaire kringen gevierd te worden. Was het toeval dat net de veldprediker van de christelijke legers bij de Turkse belegering van Wenen in 1683 werd zaligverklaard? Was het toeval dat zijn standbeeld tot stand kwam onder de vermaledijde regering van kanselier Engelbert Dollfuss, beter bekend als de autoritaire standenstaat in Oostenrijk? Kort na de zaligverklaring verscheen in Oostenrijk een klassiek-progressief complotboekje, waarin dit religieuze evenement werd gesitueerd in een grote roomse samenzwering om Turkije uit de Europese Unie te houden, en een christelijk Europa op poten te zetten.

Tja, veel hadden de auteurs er alvast niet van begrepen. Zelfs de meest scherpzinnige politieke inzichten leiden niet tot een zaligverklaring, en wie de geschiedenis ook maar een beetje kent, weet dat de strijd van het Huis Habsburg tegen de Sublieme Porte nooit aanleiding heeft gegeven tot vulgaire gevoelens van moslimhaat. Net de Dubbelmonarchie was het eerste land in Europa dat de islam een officieel statuut gaf, na de toevoeging van Bosnië en Herzegovina aan het Rijk. Dat was wel even later, maar botste niet met de Oostenrijkse traditie ten aanzien van de islam. Bij gelegenheid verdient dat nog een stukje, maar zoals gezegd gaat het daar niet over.

Waarom werd pater Marcus dan zalig verklaard? Om zijn wonderbaarlijke genezingen naar het lichaam, maar vooral om zijn ijver voor de zielen. Bij leven verschenen van hem portretprenten, die hem afbeelden als vrome zielentrooster, zoals het beeld hieronder.

440px-Marcus_van_Aviano_(tg-uact-170)

 

Ongetwijfeld is de blik van de aandachtige lezer gevallen op de woorden “is gecomen binnen Antwerpen” in de legende bij de prent. Marco d’Aviano in de Nederlanden? Heel zeker, en wel in 1681, twee jaar voor het tweede beleg van Wenen. Over dat bezoek schreef de Gentse kanunnik Johan Carl Vrints van Trouwenfeldt een “Oprecht historisch ende kort verhael”, verschenen in 1684. Het biedt ons de mogelijkheid de banden van deze franciscaanse zalige met onze gewesten in herinnering te roepen.

Pater Marco bezocht onze streken op uitnodiging van de prinses van Vaudémont, echtgenote van de gewettigde zoon van hertog Karel IV van Lotharingen. Diens neef en opvolger Karel V zou trouwens een van de bevelhebbers van de christelijke legers bij Wenen zijn.

Vooraleer de prinses in Brussel te ontmoeten, bezocht pater Marcus Bergen, waarbij hij grootbaljuw Karel Eugenius van Arenberg op zijn sterfbed troostte. Na een kort oponthoud in het kapucijnenklooster van Edingen, waar overigens de familiecrypte van de Arenbergs gelegen is, kwam hij op 16 juni 1681 aan in Brussel. Hij predikte er in de Sint-Goedelekerk, waarna dertigduizend gelovigen de H. Communie ontvingen. In Antwerpen ontving een vergelijkbaar aantal mensen zijn zegen, maar het hoogtepunt van zijn reis was ongetwijfeld Gent, waar hij op vraag van de bisschop en de Staten van Vlaanderen een bezoek bracht. Op de Vrijdagmarkt predikte hij in het Italiaans, bijgestaan door tolken, waarna hij met de aanwezigen een zelf geschreven akte van berouw bad. Niet minder dan tachtigduizend mensen kwamen om hem van heinde en verre, en met name uit Zeeland, naar Gent. Het Gentse stadsmuseum bewaart een schilderij waarop zijn prediking op de Vrijdagmarkt is vereeuwigd.

Ook andere steden, als Mechelen, Aalst, Lokeren, Dendermonde, Brugge, Leuven, Namen, Luik, en Roermond ontvingen zijn bezoek. In die laatste stad was hij te gast bij gouverneur Johan-Frans van Nassau-Siegen.

Zijn bezoek aan de Nederlanden duurde minder dan een maand, maar maakte grote indruk. Niet minder dan zeven kunstenaars maakten een gravure met zijn beeltenis, en meer dan één stad zou later beweren het bezoek van pater Marco gekregen te hebben, ook al was dat niet zo. Wat er ook van zij, overal nam de biechtpraktijk toe na het bezoek van de prediker.

Marco d’Aviano heeft lang moeten wachten op zijn zaligverklaring, wat allicht verklaart dat zijn naam ook wat verbleekt is in onze streken. Daar is nu echter geen reden voor. Wie neemt de taak op zich om zijn devotie ook hier te bevorderen?

Abt de Locquenghien en de eerlijke campanoloog

Eric Sutter, de voorzitter van de Société Française de Campanologie, is een eerlijk man. Niet alleen heeft hij ontdekt dat tien klokken in zeven parochiekerken in Noord-Frankrijk oorspronkelijk in de abdij van Ename hingen. Aan zijn vondst verbindt hij meteen de conclusie dat dit gestolen goed moet terugkeren naar Ename. Daar horen ze dit geluid natuurlijk graag, en het siert Sutter dat hij meteen erkent dat gestolen goed niet gedijt.

De keuze voor het woord terugkeren veronderstelt echter dat de nieuwe eigenaar ook de oude, rechtmatige eigenaar dient te zijn. Helaas blijven van de Sint-Salvatorabdij in Ename enkel nog ruïnes over – dat de abdij deel uitmaakt van een “archeologisch centrum” is daarvan een droef getuigenis. Na de naasting door de Franse revolutionairen en de daaropvolgende vernieling van het abdijcomplex, hebben de paters benedictijnen niet gekozen voor de heropbouw. Geen van de bestaande vestigingen van de orde in de Lage Landen kan zich opstellen als de opvolger van de Sint-Salvatorabdij.

klooster_ename_-_1641

De abdij van Ename in 1641

Is dat een probleem? Voor vele mensen niet, als de klokken maar terugkeren naar ons land, en daar in een of ander museum terecht kunnen.

Op de keper beschouwd, is dat net een illustratie van de ideologie die belet dat door de sansculotten gestolen kunstwerken terugkeren naar huis, namelijk de museale ideologie. Niet de gedachte aan herstel van onrechtmatig gedrag, noch het belang van historische continuïteit ligt eraan ten grondslag, maar een soort bekommernis om openstelling voor het grootst mogelijke publiek, waar nodig overgoten met een dosis nationale trots.

Laten we het J.P. de Locquenghien OSB, de laatste abt van Ename vragen. Wat zou hij verkiezen: tien Hemony-klokken die zich stil en stom laten bekijken in een archeologisch museum nabij de abdijsite, of tien klokken die elke zondag de enkele gelovigen van even zoveel Franse dorpen ter kerke roepen? Het kost moeite het toe te geven, maar het tweede antwoord is allicht het juiste. Zolang er geen voortzetting is van de historische en religieuze missie van de abdij, kan ook niemand zich beroepen op een recht op terugkeer van de klokken. Dat ligt anders voor de kunstwerken die verdwenen uit klooster- en parochiekerken, die wel op een of andere wijze werden gecontinueerd. Kan Eric Sutter de culturele overheden van Frankrijk niet overtuigen die werken te laten terugkeren naar hun rechtmatige eigenaars, en te onttrekken aan de musealisering van het artistieke erfgoed van onze vaderen? Abt de Locquenghien dankt hem bij voorbaat.

 

De nieuwe Cornelius (Nepos) heet Gosselin (Lenotre)

Gedurende decennia en decennia, gedurende eeuwen zelfs, werd op school gepoogd karakters te vormen aan de hand van voorbeelden. “De viris illustribus” , van Nepos of van Lhomond, was een methode om tegelijkertijd een dode taal aan te leren en waarden mee te geven. Nu het Frans in de Nederlandstalige gebieden langzamerhand het statuut van dode taal krijgt, is het moment misschien gekomen om opnieuw aansluiting te zoeken bij die werkwijze.

De vooravond van de herdenking van de moord op Lodewijk XVI is een gepast moment om ter zake een suggestie te doen. Het moge de dames en heren leerkrachten Frans in dat kader behagen om een blik te werpen op het oeuvre van G. Lenotre, pseudoniem van Théodore Gosselin (1855-1935), in leven lid van de Académie Française en auteur van tientallen werken over de revolutionaire periode in Frankrijk.

562px-lenotre

G. Lenotre

 

Wat maakt Lenotre dan zo geschikt voor gebruik in het onderwijs? Ten eerste zijn taal. Hij schrijft een zuiver Frans, wat van een académicien vanzelfsprekend mag heten – althans van een académicien die inmiddels is overleden. Daarnaast schrijft hij met de vaart van een auteur van jongensboeken en de acribie van een Duits hoogleraar uit de negentiende eeuw. Voldoende dus om hem als reisgezel in het taalonderwijs aan te nemen.

Ook inhoudelijk doorstaat Lenotre gemakkelijk de vergelijking met auteurs als Nepos of Lhomond. Zijn geschiedschrijving gaat niet over structuren of stromingen, maar over mensen – wat hem deed omschrijven als “le grand historien de la petite histoire”. Ten onrechte: hij beschrijft de grote stromingen van de geschiedenis aan de hand van concrete lotsbestemmingen, zonder de mensen weg te abstraheren uit het verhaal. Niets “petite histoire” dus, eerder het omgekeerde.

Een andere verdienste van Lenotre is zijn weerstand aan de verleiding heldenverhalen te schrijven. De personen wiens leven in de revolutionaire mallemolen hij volgt, zijn mensen van vlees en bloed, kinderen van Eva, getekend door de zondeval. Ook degenen die weerstand bieden aan het feest van haat en dwaasheid van de Terreur. Zonder moralisme, maar met mensenkennis en subtiliteit, stelt Lenotre ons de vraag: wat zou ik hebben gedaan, als ik niet de genade van een late geboorte had gekregen?

Elke drammerigheid is Lenotre vreemd, zijn mensbeeld is illusieloos en genadig. Is het daarom dat hij zijn laatste rustplaats kreeg op het kerkhof van Picpus, midden de geguillotineerden van de Terreur. Op zijn graf staan de woorden “Wie in mij gelooft, zal leven, ook als hij gestorven is” uit het Johannesevangelie. Bezoek zijn graf bij een volgende reis naar Parijs, en zeg er een Ave Maria. Lees daarnaast in de tussentijd zijn boeken, en geef ze vooral te lezen aan uw kinderen en leerlingen.

Por Dios, por la Patria y el Rey – maar dan met Brabants accent

Het Oriamendi-lied, dat aanvangt met deze drievoudige verklaring van trouw, hoeft zijn adelbrieven als officieuze hymne van het Spaanse carlisme niet meer voor te leggen. Toch vind je in de hele Lage Landen amper iemand die ooit van het lied heeft gehoord. Dat was ooit anders. Kort na de val van Rome in 1870 namen een handvol voormalige Pauselijke zouaven uit Nederland dienst in het leger van Don Carlos – of preciezer, van Koning Carlos VII van Spanje, in de legitieme lijn. Ze dienden voornamelijk op het Catalaanse front tijdens de Derde Carlistische Oorlog, die duurde van 1872 tot 1876.

De meest bekende vertegenwoordiger van deze ridderschaar was de Ravensteiner Ignace Wils, die in 1874 sneuvelde bij de inname van het stadje Igualada, zestig kilometer westelijk van Barcelona. Hij voerde het bevel over het Bataljon der Carlistische zouaven, dat was opgebouwd rond veteranen van de Pauselijke zouaven en beoogde een militair én moreel elitecorps te zijn in de carlistische legers. Na Wils’ dood nam zijn broer Auguste het bevel over, en heel even was er zelfs sprake van om een afzonderlijke Nederlandse compagnie binnen het bataljon op te richten. Uiteindelijk bleek de rekrutering in Nederland toch onvoldoende te zijn om die stap te verantwoorden.

799px-kolonel_wilsstraat_6_ravenstein_schuin_links

Het geboortehuis van de gebroeders Wils aan de Kolonel Wilsstraat in Ravenstein

Dat Pauselijke zouaven in het leger van Don Carlos zouden verzeilen, mag eigenlijk niet verbazen. Beide militaire campagnes pasten in een ruimer kader, waarin Europese vrijwilligers de stem van geloof en geweten volgden om dienst te nemen voor de verdediging van Kerk en Kroon – of om ze te bestrijden. De Spaanse carlistische generaal Borjes werd door Piëmontese bersaglieri standrechtelijk geëxecuteerd toen hij werd gevangen aan het hoofd van Bourbon-getrouwe Napolitaanse troepen, een lot dat ook de Naamse markies Alfred de Trazegnies te beurt viel.

Specifiek voor Ignace Wils speelde dan nog de familiale traditie: we lazen al dat zijn broer het zelfde spoor langs Rome en Spanje volgde. Zijn vader was in 1830 vrijwilliger geweest om de revolutie in de Zuidelijke Nederlanden te bestrijden, en zijn moeder stamde af van een Franse familie die zich sterk identificeerde met de legitimiteit van het huis Bourbon. Was Carlos VII van Spanje in de Franse legitieme troonopvolging niet le Roi très Chrétien Charles XI?

Over Wils verscheen in 1930 een biografie onder de titel “Uit de zouaventijd”. Ze ademt de tijdsgeest, en niet altijd ten goede. Zo veroorlooft de biograaf zich de bedenking dat “de carlistenkwestie in onze dagen niet meer bestaat”. Vierendertig jaar later, bij het huwelijk van Carlos Hugo de Borbon en Irene der Nederlanden wist de Nederlandse publieke opinie beter, en ook vandaag vindt in Den Haag topoverleg van het carlisme plaats, met Carlos de Bourbon de Parme- of preciezer Koning Carlos Javier I van Spanje, in de legitieme lijn.

De Spanjaarden hadden niet zo veel tijd nodig om in te zien dat Wils’ naamgenoot en biograaf niet helemaal mee was. Al in 1936 bleek dat niet minder dan zestigduizend Spanjaarden dienst hadden genomen in de Carlistische vrijwilligerseenheden, de Requete, om de kerkvervolgende en bloeddorstige Spaanse tweede republiek te bestrijden. De bekendste van die eenheden was ongetwijfeld de “Tercio de Montserrat”, samengesteld uit vrijwilligers uit Catalonië. Of ook Nederlandse geestesgenoten van Wils toen dienst hebben genomen, is niet bekend.