Mentana, 3 november 1867 – een Nederlandse gedenkdag

Gisteren was het precies 160 jaar geleden dat het leger van de Pauselijke Staten, met steun van Franse troepen, het legertje van Garibaldi versloeg bij Mentana. De pauselijke troepen bestonden voor een belangrijk deel uit de zogenaamde pauselijke zouaven, vrijwilligers die de wapens hadden opgenomen om de Kerkelijke Staat te verdedigen tegen het Piëmontese imperialisme, dat in de noordelijke helft van Italië door sommigen werd gepresenteerd als de strijd voor de eenwording van het land.

Bij gelegenheid zullen we het nog wel eens hebben over de merites van het zogenaamde Risorgimento, en ook de vraag of de Kerk nu het meest gediend was met een volwaardig staatsterritorium dan wel met de symboolstaat Vaticaanstad verdient nadere reflectie.

De herdenking van Mentana is in de eerste plaats echter een gelegenheid om terug te denken aan de positie van het zouavenleger in de kerkelijke en wereldlijke geschiedenis. Alles samen meldden 11.000 katholieke mannen zich “pro Petri Sede”. Wie dit getal uitsplitst naar nationaliteit, merkt dat er een grote oververtegenwoordiging was van vrijwilligers uit de Zuidelijke, en nog meer uit de Noordelijke Nederlanden.

De herinnering aan de zouaven past dus zeker in het erfgoed van de katholieke Kerk, maar is ook een gemeenschappelijk erfgoed van beide Nederlandse staten. En bij nader toezien is die combinatie van Nederlandse en rooms-katholieke tradities minder zeldzaam dan men zou aannemen – wat in dit “Reformatiejaar” misschien klinkt als vloeken in de (calvinistische of lutherse) kerk.

In zijn boek “Twee leeuwen, een kruis”, heeft Roberto Dagnino mooi aangetoond hoe katholieke netwerken cruciaal waren bij het behoud van een Nederlandstalige letterkundige en culturele ruimte na 1830. En Geert Janssen beschreef de rol van katholieke vluchtelingen uit de Noordelijke Nederlanden bij het behoud van de eenheidsgedachte na de scheuring van de zestiende eeuw. Zelfs het huis Nassau, dat de eenheid van de Nederlanden incarneert, maar steevast wordt geassocieerd met de protestantse traditie, is door personen (van Filips Willem tot Irene) en takken (de Corroy’s) steeds verbonden gebleven met de Moederkerk.

In die zin is de dag van Mentana een gedenkdag die rijk aan betekenis is – en misschien naast Waterloodag op 18 juni bij voorrang verdient in ere hersteld te worden.

 

Visio beata Dei

De kerken waar op de avond van Allerheiligen het orgelspel overgaat van majeur naar mineur, om het onderscheid tussen het glorierijke feest van Allerheiligen en het droeve feest van Allerzielen te verduidelijken, zijn een zeldzaamheid geworden. Voor de meeste mensen valt Allerzielen eigenlijk op 1 november, ook al heet die dag Allerheiligen. Ook goed.

Wie recent een of meer dierbaren verloor, en toch ernstig wil omgaan met de kerkelijke opvattingen over het Eeuwige Leven, voelt zich wel eens onbehaaglijk bij de diepe overtuiging van vele gelovigen dat we elkaar in het hiernamaals zullen weerzien. Het is een troostende gedachte, maar ze vertoont een spanning met het overgeleverde beeld van de Hemel als een oord van altijddurende contemplatie van God.

Enkele maanden geleden, na het overlijden van een familielid, viel me een beeld te binnen waarin elk van deze visies op de Overkant tot haar recht komt – een oer-katholieke vorm van complexio oppositorum dus.

Vergelijk het met een operavoorstelling die je bijwoont in het gezelschap van een geliefde. Muziek en verhaal worden opgebouwd tot een spanningshoogtepunt, en al je aandacht is op het podium gevestigd. Elk zintuig gaat mee in de aandacht voor wat daar gebeurt – en toch weet je in dierbaar gezelschap te zijn, zonder te kijken, zonder te horen, zonder te voelen.

Het is een metafoor, die niet de minste ambitie heeft theologisch gezag te verdienen. Ze combineert echter troost en trouw, wat een bescheiden, maar werkelijke verdienste is.

Zeer Zuidelijke Nederlanden

Vanochtend in de hoogmis – die in onze hoofdkerk ook de enige eucharistieviering is op zondag – kon je er niet naast kijken. Van de misgangers onder de twintig was drie vierden afkomstig uit Afrika onder de Sahara.

Vanwege iemand die begaan is met het erfgoed van de katholieke Nederlanden zou je allicht verwachten dat dit aanleiding geeft tot pessimistische bedenkingen van het type tout fout le camp. Niets van, het stemde me vrolijk.

In de eerste plaats omdat onze Afrikaanse vrienden weten hoe zich te gedragen tijdens de liturgie, ook wanneer zij de jaren des verstands nog niet, of pas heel recent hebben bereikt. Onze zitliturgie bevalt ze niet, en ondanks de vrolijkheid die de liturgie in Afrika vaak kenmerkt, voelen zij meer dan inheemse gelovigen aan dat gemaakte blijheid, van de type dat keer op keer de kop opsteekt bij de vredewens, niet echt een plaats heeft in de gewone vorm van de Romeinse ritus. Van de buitengewone zwijgen we dan nog.

Daarenboven valt het me op dat zij ook met de Nederlandse taal zorgvuldiger omgaan dan mensen van wie de familie al vele generaties in de stad woont. Grammaticaal en lexicaal is hun Nederlands misschien niet perfect, maar wel zuiverder dan het gemiddelde verkavelingsvlaams. En de enkele specificiteiten in hun uitspraak van het standaardnederlands maken onze taal enkel zonniger.

Ja, er is hoop. Er is hoop, omdat mensen die van verre naar hier zijn gekomen, inspiratie vinden in de tradities die de Lage Landen maakten en maken tot wat ze zijn. Als ik deze mensen zie, denk ik terug aan de interessante Rotterdamse staatsrechtsgeleerde J.A. Eigeman, die een analogie zag tussen het nationaliteitsrecht en het auteursrecht. Wie behoort tot een cultuurnatie ? Wie bereid is mee te werken aan de ontwikkeling ervan, en wie bereid is dat te doen op een wijze die de continuïteit van die ontwikkeling waarborgt. De subtielere verwoording van Renans plébiscite de tous les jours, dus.

In die benadering is meteen ook duidelijk waarom een conservatieve benadering van de traditie wars is van elk racisme. De oude August Bebel wist het al: het antisemitisme is het socialisme van de idioten. Of een wedstrijdje in idiotie hier aan de orde is, valt te betwijfelen, maar socialisme en rasdenken hebben alvast met elkaar gemeen dat zij uitgaan van een materialistische en deterministische benadering. De enen legitimeren hun politiek project met een gesublimeerde vorm van afgunst, de anderen met een ingebeelde fysieke superioriteit, die een excuus biedt voor elke vorm van morele inferioriteit. Aan Plus est en vous hebben ze beide een broertje dood.

Mijn Afrikaanse vrienden van vanochtend hebben me geholpen beter te worden in wat ik probeer te zijn. Daar ben ik ze dankbaar voor.

Doorstart

Een van de meest zekere gidsen voor deze tijd is zonder twijfel Flauberts Dictionnaire des idées reçues. Zeker, het boek is meer dan anderhalve eeuw oud, maar van een verbazende actualiteit – wat minstens evenveel zegt over de stabiliteit van het menselijk vernuft in al zijn beperkingen, als over het genie van zijn auteur.

Ik ben te lui om het na te trekken, maar zonder de minste twijfel staat “het verleden komt niet terug” erin vermeld. Telkens mensen erop gewezen worden dat een eens als briljant voorgestelde vernieuwing bij nader toezien een reus van een miskleun bleek te zijn, kost het vaak niet zo heel veel moeite om dat te laten erkennen, maar er iets aan te doen, blijkt moeilijker. Het verleden komt nu eenmaal niet terug, mijnheer; we hebben een dwaasheid begaan, maar ook dwaze veranderingen zijn veranderingen, en die passen nu eenmaal in de zin der geschiedenis. Jammer, maar helaas.

Vaak is een goede toetssteen voor de zin en onzin van een maatschappelijke overtuiging na te gaan of de persoon die de overtuiging aanhangt, dat ook doet in de private sfeer. “Het verleden komt niet terug” valt te vergelijken met een automobilist die vaststelt dat zijn gps hem belazerd heeft, maar weigert om zijn passen terug te keren. “Het verleden komt niet terug”, we moeten nu eenmaal voort op de ingeslagen weg. Ik weet niet wat u dan doet, maar ik maak rechtsomkeert, en vervolg de weg vanop het punt waarop het is misgelopen. Ik weet het, ik ben een gestampte reactionair.

Waar “herstel”, “terugkeer” en “restauratie” in de politiek besmette woorden zijn, heeft het bedrijfsleven een modeterm gevonden voor zo’n terugkeer op de eigen passen. Om de haverklap kondigt een bedrijf een “doorstart” aan na een crisis – vaak een afscheid van de dwaze of mislukte ideeën van een of ander management dat het bedrijf in de afgrond heeft geholpen, en een terugkeer naar de inzichten van vorige generaties, die het bedrijf groot hadden gemaakt. De Metternichs van deze tijd zijn bedrijfsleiders. Zij weten dat het verleden wel terugkomt, als je het een handje helpt – maar dan wel in een verbeterde versie, door ervaring gelouterd.

Doordachte emotie

Voor enkele jaren kende het concept “canon” plots een opleving. In behoudende kringen was men daar wàt trots op: eindelijk werd erkend dat er een soort Leitkultur bestond, en dat die was samengesteld uit gedeelde beelden, momenten en waarden.

Terugkijkend hebben de uiteenlopende oefeningen om een canon vast te leggen – van Zeeland tot de Wadden – iets aandoenlijks, maar ook iets gruwelijk reducerends. Alsof het zou volstaan tien data van buiten te leren, acht prentjes te herkennen, drie boeken te lezen en een lied te kunnen neuriën om de kern van een cultuur te begrijpen. Wat voor toegewijde mensen, van binnenuit en van buitenaf, een levenswerk is, wordt in een handzaam boekje met toegevoegde webstek samengevat. De kunst van de canon is het vermoeden te wekken dat er meer is, en zin te geven dat meer ook te ontdekken.

Onze kennis van het Russische denken is bij uitstek bepaald door een canon. Tolstoi en Dostojewski, en in het beste geval Oblomov. Solzjenitsyn ook, zeker zelfs. Daar blijft het al te vaak bij.

Wat mij betreft, is daar ook een reden voor. Meermaals ben ik afgeketst op het weinig acribische, en haast emotionele karakter van oorspronkelijk Russische werken. Een land waarin de voornaamste wiskundige school naar Pythagoras is genoemd, voorspelt op dat vlak niet veel goeds.

En toch, het is zover. Ik heb me gewonnen moeten geven. Verantwoordelijk daarvoor is Ivan Ilyin, een man die in encyclopedieën vermeld wordt als filosoof en als een van de voornaamste denkers van het Russische exil na 1917. Tot in de jaren vijftig werd nogal wat van zijn werk vertaald, voornamelijk naar het Duits, maar het is er sindsdien niet eenvoudiger op geworden met hem kennis te maken zonder vertrouwdheid met het Russisch. Dat een met de orthodoxe kerk in Amerika verbonden uitgeverij nu zijn “The Singing Heart. A Book of quiet Reflections” (Memphis, Orthodox Christian Translating Society, 2016) uitbrengt, verdient niets dan lof.

Cartesiaans kan men Ilyins werkwijze alles behalve noemen –en tegelijkertijd vermijdt hij emotionele uitroepen die de essentie meer verhullen dan te benoemen. Zijn korte, vaak op persoonlijk ervaring gebaseerde overdenkingen zijn van een grote actualiteit, wat gezien de afwezigheid van fundamentele wijzigingen aan de menselijke ziel sinds enkele millennia, niet mag verbazen.

De verleiding is groot te gaan bloemlezen. Ik wil er slechts met mate aan toegeven. Zo herinnert Ilyin ons eraan dat er geen breuklijn bestaat tussen schuldige en onschuldige mensen, maar enkel tussen mensen die de eigen schuld al dan niet beseffen. Een andere mooie passage plaatst de kunst van het eigenaarschap tegenover de verleiding bezit te worden van de eigen bezittingen. Of zijn oproep aan ons allen om los te komen van de vooroordelen en lubieën van de eigen leeftijd.

Het verbaast me keer op keer dat ook bijna dertig jaar na de val van het communisme in Rusland en Centraal-Europa, zo weinig mensen de moeite doen om kennis te maken met diegenen die te vroeg gelijk hadden. Ilyin, die de “Witten” in ballingschap probeerde te voorzien van een evenwichtige doctrine, was een van hen. Evenals zijn vriend, de componist Rachmaninov, wiens laatste pianoconcerto, dat in ballingschap werd geschreven, nu op de achtergrond klinkt. Ze horen bij elkaar. We doen er goed aan naar beiden te luisteren.

 

Gemiste kansen en de “reine Tor”

Over het onafhankelijkheidsreferendum in Catalonië kan veel worden gezegd. Dat het een gemiste kans is, bijvoorbeeld. Een gemiste kans om zowel in Madrid als in Barcelona te beseffen dat de nationale én regionale constitutionele tradities onrecht wordt gedaan door aansluiting te zoeken bij een staatsvisie die in twee golven uit Frankrijk werd ingevoerd (de eerste keer door de Bourbonkoningen na de Spaanse Successieoorlog en de tweede keer door de afrancescados en hun politieke erfgenamen, van Napoleon tot Franco). In die zin is het meer dan ironisch dat de Catalaanse nationalisten verwijzen naar het verzet van hun Habsburggezinde voorouders in 1714. Het zou een nuttige tijdsbesteding zijn geweest om zich te verdiepen in de werken van de theoretici en pamfletschrijvers uit die tijd, om te beseffen dat hun verhaal volkomen verschilt van het klassiek-separatistische. Voor de Spaanse regering is een en ander nog pijnlijker: zij slaagt er niet in een grondwet te handhaven die, meer dan welke Europese constitutie ook, ruimte laat voor maatwerk en erkenning van regionale tradities en instituties.

Wie ook een kans heeft laten liggen om te zwijgen, zijn de aanhangers van meer zelfbestuur voor Vlaanderen. Enkele weken geleden bood de Spaanse diplomatie een opening van je welste, toen de ambassade in Brussel met zoveel woorden erkende dat het Vlaamse en het Catalaanse streven naar zelfbestuur van een heel andere orde waren. Op die manier werd gebroken met de klassieke Spaanse positie, die inhield dat men wantrouwig was tegen elke stap naar meer bevoegdheden voor Vlaanderen, omdat dit navolging zou kunnen krijgen in Catalonië en andere delen van Spanje. Die besmettingslogica werd blijkbaar niet langer actueel geacht en dit opende de mogelijkheid voor minder overspannen reacties vanuit Madrid op constitutionele evoluties in België. Op Europees niveau zou dit bijzonder nuttig zijn geweest, want daar stond Madrid altijd op de rem als het ging om een ruimhartige benadering van de Vlaamse bevoegdheden.

Zou zijn geweest, want een aantal ongetwijfeld goedbedoelende Vlaamsgezinde politici en opiniemakers vonden het nodig hun verontwaardiging te spuien over deze Spaanse perversiteit. Neen, Vlaanderen en Catalonië stonden op één lijn, staan op één lijn en zullen altijd op één lijn staan. Geen matador kan hun liefde breken ! Van de opening van de Spaanse diplomatie is sindsdien niets meer vernomen. Kans verkeken. Wie zich de volgende jaren als “reine Tor” wil profileren, kan hier een mooi voorbeeld vinden.

Wanneer gaan de politieke verantwoordelijken in Vlaanderen begrijpen dat tegennatuurlijke allianties vaak de interessantste zijn ?

 

 

Ideonoom

Langzaam maar zeker heeft de autonomie zich weten op te werken tot het niveau van het civiele dogma. Zowel individuen als collectiviteiten zijn zeer gesteld op hun autonomie en beschouwen ze als hun grondrecht par excellence. Niet de vrijheid, noch de gelijkheid, laat staan de broederlijkheid kan zich erop beroemen vandaag de strijdkreet van het ideologische liberalisme te zijn – alleen de autonomie kan dat.

Dat autonomie in een door aanvallen van acute puberteit geteisterde samenleving populariteit kan verwerven, is niet verbazend. Het is een acceptabele manier om persoonlijk of collectief egotisme van een semi-filosofische grondslag te voorzien. Dat het met die autonomie op zijn zachtst gezegd matig gesteld is, kan in de feiten echter niet ontkend worden. Meer mensen zijn gedurende een groter deel van hun tijd heteronoom dan voorheen – en dat is het logische gevolg van een samenleving die steeds meer onderlinge contacten, en dus onderlinge onafhankelijkheden creëert.

Het duo autonomie-heteronomie is slechts in zeer beperkte mate dienstig om te begrijpen waar het om draait. Een hernieuwde belangstelling voor vormen van heteronomie van mensen en groepen zou ons ongetwijfeld kunnen helpen bij de zoektocht naar een meer realistische en vooral evenwichtiger benadering van de verhouding tussen mens en norm. Toch kent deze benadering inherente grenzen, nu zowel autonomie als heteronomie begrippen zijn die wijzen naar een bron van normen. Over de aard van die normen, zegt geen van beide iets.

Er zijn andere tijden geweest. De klassieke politieke praxis heeft decennia en eeuwen besteed aan de zoektocht naar normen die geschikt zijn voor groepen van mensen. Die zoektocht werd onder meer gethematiseerd door Montesquieu, wiens Esprit des Lois voor een groot deel een poging is om te beschrijven welke externe factoren ertoe leiden dat welomschreven samenlevingen bepaalde wetten aannemen.

Montesquieu is echter een van die auteurs die meer geciteerd dan gelezen worden, en mede op basis daarvan een progressievere reputatie met zich meeslepen dan zij verdienen. In ieder geval zou hij raar hebben opgekeken bij het aanschouwen van een mensheid die bereid is zich aan gelijk welke norm te onderwerpen, op voorwaarde dat degenen die aan de norm onderworpen zijn, die min of meer vrij hebben aanvaard.

Net zoals het natuurrecht een normengeheel probeert te beschrijven dat overeenstemt met de aard van de mens, streefde de klassieke politieke praxis ernaar een regelgeheel uit te werken en te behouden dat in overeenstemming was met de aard, de geschiedenis en de omstandigheden van een groep mensen. Waar die regels vandaan kwamen, was dan ondergeschikt aan hun geschiktheid om vorm te geven aan een welbepaalde gemeenschap. Deze benadering was de grote motor van de klassieke vormen van verzet tegen disproportionele centralisatie, de voorouder van het moderne totalitarisme.

Eerder dan te allen prijze zelf normgever te willen spelen, verdient het in die optiek aanbeveling op zoek te gaan naar normen die geschikt zijn voor onszelf als persoon, als groep, als gemeenschap. We verloren de durf om te zoeken naar het substantieel geschikte, naar hetgeen in de gegeven omstandigheden goed mag heten. De aandacht voor procedures oversteeg de eigen relevantie en versluierde het resultaat van de procedures of verklaarde het zelfs irrelevant.

Wie werkelijk iets wil laten afhangen van menselijke keuzes, doet er dus goed aan de heilloze cultus van de autonomie achter zich te laten, en terughoudend te zijn ten aanzien van het al te vanzelfsprekende alternatief dat heteronomie heet. Wat telt, is de ideonomie, de gebondenheid aan normen die gepast zijn voor een bepaalde persoon of groep – weze het een schaakclub, een cultuurgemeenschap of de mensheid. Indicatoren voor het al dan niet gepast zijn, vinden we voornamelijk in de geschiedenis en de antropologie. Dat die indicatoren als dusdanig geen normen zijn, spreekt voor zich, maar zij bieden op zijn minst een opstap om die normen te vinden. En overigens is “vinden” vaak een meer inspannende oefening dan “maken”.