Als u nog nooit hebt gehoord van Bernard Latzarus, hoeft u zich niet te schamen. Of toch niet meer dan wij, want we ontdekten zijn naam door het toeval van een voetnoot in een of ander boek over een excentrieke Fransman. Jawel, excentriekelingen vind je ook daar, en niet enkel aan de overzijde van het Kanaal.
Latzarus (1885-1951) blijft een wat mistig figuur, al worden zijn vertalingen van Plutarchus tot op heden opnieuw uitgegeven. Verder is hij als Gezelles moeder: er lijkt geen beeld of lichtdrukmaal van hem gebleven te zijn.
Zonder de Tweede Wereldoorlog zou zijn leven allicht volkomen gelijkmatig zijn gebleven in de studie van de Oudheid en de trouw aan de legitieme dynastie. Onder eigen naam publiceerde Latzarus studies over Nietzsche en het Griekse denken en vooral over zijn geliefde Plutarchus. Onder pseudoniem hield hij het vaandel van de legitimiteit hoog en toonde hij het voorbeeld van Hendrik V, rechtens koning van Frankrijk en Navarra, aan wie meende dat de rechtmatige dynastie tot het verleden behoorde.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog koos hij meteen en resoluut de partij van het verzet, zij het zonder afbreuk te doen aan zijn overtuigingen en zonder aansluiting te zoeken bij een of andere georganiseerde groep. Dat leverde hem ter linkerzijde de spotnaam van “verborésistant” op, maar belette hem niet uit te komen voor zijn verzet tegen alle vormen van totalitarisme.
Ook in dat perspectief verdient het aanbeveling zijn uchronische roman Par la grâce de Dieu uit 1925 te herlezen. Daarin beschrijft hij een restauratie van de legitieme monarchie in het Frankrijk van 1950, in het kader van een herstel van het Europese evenwicht. Het geeft hem de kans om een paar openstaande rekeningen te vereffenen met de Action Française, die onder het mom van de traditionele monarchie een door het revolutionaire nationalisme gekleurde variant van het orléanisme probeerde te verkopen voor goed geld. Ook de modieuze dictatoren van die tijd wordt met verve de mantel uitgeveegd.
Het hoogtepunt van de roman is echter het laatste hoofdstuk. Op het eerste gezicht voorspelbaar blijkt de Restauratie een droom te zijn geweest – maar geen droom die tot teleurstelling of activisme leidt, wel een droom die de weg opent naar een gewetensonderzoek. Wat heb ik gedaan, vraagt de hoofdpersoon zich af, opdat er heiligen zouden opstaan die de ogenschijnlijke zin van de geschiedenis terug naar zijn bedding konden begeleiden?
Allicht stelde Latzarus zich dezelfde vraag. Wij zouden er goed aan doen dat ook te doen, al dan niet geholpen door een nieuwe lectuur van Par la grâce de Dieu.