Over de revolutie, al dan niet met hoofdletter, zijn al heelder bibliotheken bij elkaar geschreven. Over de contrarevolutie ook, maar dan kleinere. Of discretere, als u dat verkiest. Op de keper beschouwd worstelen we daaromtrent nog allemaal met de uitspraak van de Maistre, die de contrarevolutie omschreef als “le contraire d’une révolution”, maar niet “une révolution en sens contraire”.
Net daarom is het een goede zaak dat iemand de moeite neemt om het begrip “contrarevolutie” nog eens uit te benen, en dan niet op basis van de gekende voorbeelden uit een relatief ver verleden, maar op basis van recent feitenmateriaal. Dat is de oefening die de Poolse historicus en politiekwetenschapper Pawel Ukielski heeft ondernomen in zijn boek “1989 in Central Europe: A Counterrevolution” – niet toevallig zonder vraagteken.
Het antwoord op de vraag naar de meest geschikte kwalificatie laten we graag over aan personen die ter zake betere kwalificaties hebben. Ons interesseert nu meer de conceptuele benadering van Ukielski: wat is een revolutie? Wat is een contrarevolutie?
Zijn antwoord op de eerste vraag luidt “a rapid, fundamental and violent domestic change in political institution, leadership and government activity and policies accompanied by deep change in the social structure and system of values. Such changes are subordinated to a holistic ideology which aims to reorganize a society in a complex way.”
Die definitie is pertinent. Haar sterkte ligt er onder meer in recht te doen aan het ideologische aspect dat onlosmakelijk met revoluties is verbonden, en het snelle en gewelddadige karakter ervan niet te verhelen.
Die definitie spiegelt Ukielski vervolgens om te omschrijven wat hij verstaat onder contrarevolutie, namelijk “fundamental domestic change in political institutions, leadership and government activity and policies accompanied by deep changes in the social structure and system of values, aiming to reverse previous revolutionary change and overthrow the revolutionary ideology.”
Terecht meent Ukielski da teen contrarevolutie dus niet plots of gewelddadig hoeft te zijn, maar wel fundamenteel. Minder overtuigend is zijn stellig dat de contrarevolutie (uitsluitend? Vooral?) gericht is op het terugdraaien van revolutionaire gebeurtenissen. Hij relativeert die stelling trouwens zelf, minstens impliciet, door een onderscheid te maken tussen preventieve, onmiddellijke en uitgestelde contrarevoluties. De eerste categorie vindt plaats nog voor het tot een revolutie is gekomen, zodat er eigenlijk nog niets is om terug te draaien.
In die zin is een wat verloren zinnetje in de conclusie van het boek bijzonder interessant. Daar merkt Ukielski op dat de terugkeer die de contrarevolutie nastreeft niet zozeer gericht is op het herstel van specifieke toestanden of instellingen, maar wel van een pre-utopische geestesgesteldheid. Zo wordt de contrarevolutie wat de Maistre erin zocht: een geneesmiddel tegen menselijk tekort.
Boeken waarmee je het enkel eens kan zijn, zijn meestal bijzonder oninteressant. “1989 in Central Europe” is van een andere categorie. Het zet je aan het denken en laat je de eigen gedachten aanscherpen met behulp van andermans ideeën. Een contrarevolutie waarover op die manier wordt nagedacht, kan enkel springlevend zijn.
